Sitemap

Losowy


orspelen spelen, uitvoeren, - karty w (np. grać (id:4634)
rp - harfie na grać (id:4635)
ndelen ageren, zijn, bezig doen, - teatrze w grać (id:4636)
gel - grad (id:4637)
rgstroom vloed, stroom, - grad (id:4638)
rgstroom vloed, stroom, - (słów grad (id:4639)
gel - słów grad (id:4640)
nschouwelijk - graficzny (id:4641)
nst grafische grafiek, - grafika (id:4642)
tmap - rastrowa grafika (id:4643)
nst grafische grafiek, - żółwia grafika (id:4644)
aal - gral (id:4645)
am - gram (id:4646)
am - gram (id:4647)
lzin zin, frase, - zdanie gramat. (id:4648)
raakkunst spraakleer, grammatica, - gramatyce (id:4649)
raakkunst spraakleer, grammatica, - gramatyka (id:4650)
ammofoon - gramofon (id:4651)
anaat - granacie (id:4652)
anaat - granat (id:4653)
anaatappel - (owoc) granat (id:4654)


Menu

Najnowsze (50)
Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna

Kategorie


Losowy:
przemysł stoczniowy - weefsel
przemysł włókienniczy - vlijt, naarstigheid, ijver
przemysłowca - industrieel
przemysłowy - industrie-, industrieel
przemyt - smokkelwaar, contrabande


Znalezione tłumaczenia na literę Z:
z - buffer, bumper, stootkussen
z - sedert, met ingang van, vanaf
z - met, samen met
z biegiem czasu - schier, bijkans, haast, bijna
z drogi! - tweedehands
z konieczności - ongerust, bezorgd
z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) - ongerust, bezorgd
z obawy przed - incluis, inclusief, inbegrepen
z oburzeniem - beperkt, begrensd, eindig
z perspektywy czasu - wel, immers, zeker, toch
z podziwem - met overgave
z poważaniem - sedert, met ingang van, vanaf
z przerwami - daarvoor, eerder, vooraan, indertijd
z trudem gromadzić - pruttelen
z trudem wywalczony - ongerust, bezorgd
z tyłu - aan het einde, achteraan
z tyłu kiem - mysterieus, geheimzinnig
z wielkim nosem - uitzonderen
z zegarkiem w ręku - extern, buiten-, uitwendig, uiterlijk
z zimną krwią - sedert, met ingang van, vanaf
za - aan het einde, achteraan
za - achter
za duży - in het buitenland
za granicą - in het buitenland
za wszelką cenę - achter
za wszelką cenę - evenzeer, mede, eveneens, ook
zaabonować - geabonneerd zijn op
zaakcentować - accentueren, beklemtonen
zaakceptować - accepteren, aanvaarden
zaaklimatyzować - acclimatiseren
zaalarmować - alarmeren, aanslaan, alarm slaan
zaangażować się - uitschrijven, lanceren, ontketenen
zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
zabandażować - zwachtel, verband
zabarwić - schakering, nuance, nuancering
zabarwienie - tint
zabarwienie - schakering, nuance, nuancering
zabawa - amusement, vermaak
zabawa - spel
zabawa - verstoppertje
zabawa w chowanego - vermaak, amusement
zabawiać - vermakelijk, amusant, leuk
zabawiać - kriebelen, kietelen
zabawiać - recipiëren
zabawiać - opvrolijken, amuseren, onderhouden
zabawka - speelbal, stuk speelgoed, speeltuig
zabawny - aardig, leuk, amusant, vermakelijk
zabawny - humoristisch
zabawny - gek, belachelijk, lachwekkend, mal
zabezpieczać - behoeden, beschermen
zabezpieczenie - pand, borgstelling, onderpand
zabezpieczenie - bescherming
zabezpieczenie w architekturze - pand, borgstelling, onderpand
zabezpieczyć - fixeren, bevestigen, bepalen
zabezpieczyć - blind
zabezpieczyć - betuigen, verzekeren
zabezpieczyć - inmaken, konfijten, inleggen
zabezpieczyć przechowywać zachować - inmaken, konfijten, inleggen
zabić - ombrengen, doodmaken, doden
zabieg chirurgiczny - chirurgie, wondheelkunde, heelkunde
zabijać - ombrengen, doodmaken, doden
zablokować - jam, moes, marmelade
zablokować - blokkade
zabłocony - troebel, modderig
zabójca - moordenaar
zabrać się ( do czegoś) - aanpakken, aan komen lopen
zabrać się do czegoś) - aanpakken, aan komen lopen
zabraknąć - floppen, in het water vallen
zabraniać - verbieden
zabraniać - verbieden
zabronić - jam, moes, marmelade
zabronić - verbieden
zaburzać - een aanslag plegen op, aanranden
zaburzenie - bezwaar, strubbeling, moeilijkheid
zabytki - oudheid
zachcianka - bevlieging, bui, gril, nuk, kuur
zachęcać - ophitsen, agiteren, opstoken, opruien
zachęcać - aanvuren, aanwakkeren, aansporen
zachęcić - aanvuren, aanwakkeren, aansporen
zachęcić - uitnodigen, vragen, inviteren, noden
zachęcić - promoveren, bevorderen
zachęta - voorbode, voorteken, teken
zachłanny - begerig, happig, belust, gretig
zachmurzony - onduidelijk, bewolkt
zachmurzyć - wolk
zachodni - westen
zachodni - westers, Westers, westelijk
zachodni - west, westen
zachodni - west
zachodni - zonsondergang
zachować - redden, bergen, behouden
zachować jako - schat
zachować w pamięci - bespreken, reserveren, intekenen
zachowania - de weg wijzen, geleiden, leiden
zachowanie - houding, gedrag, wandel
zachowanie - gedrag, houding, wandel
zachowanie mediów - lager
zachowuj - inmaken, konfijten, inleggen
zachowywać - blijven
zachowywać - zich gedragen
zachowywać - zich aanstellen, zich voordoen
zachowywać sie nienaturalnie - zich aanstellen, zich voordoen
zachowywać sie nienaturalnie - zich gedragen
zachowywać się (dobrze) - blijven
zachowywać się cicho - vertogen, betogen, argumenteren
zachowywać się źle - vertogen, betogen, argumenteren
zachód - zonsondergang
zachód - west
zachód - west, westen
zachód - westen
zachód słońca - westen
zachód słońca - west, westen
zachód słońca - west
zachrypnięty - schor, hees, rauw
zachwycać się - verrukken, in verrukking brengen
zachwycający - bewonderenswaardig
zachwycony - verrukt
zaciąć się - jam, moes, marmelade
zaciągnąć (się) do wojska - dienst nemen
zaciekawić - puzzel, raadsel
zaciekły (bój) - radeloos, wanhopig
zaciemniać (się) - versomberen, donker worden
zacierać - uitwissen
zacięty - halsstarrig, hardnekkig, koppig
zacisk - terminal
zacisk - de weg wijzen, geleiden, leiden
zacisk - handdruk, hand
zacisk - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
zacisk - haakje, klamp, nietje
zacisk źródła - haakje, klamp, nietje
zacisnąć (usta) - beurs, portemonnaie, geldbuidel
zacofany - ouderwets, gedateerd, uit de mode
zacofany - achterwaarts, achteruit, rugwaarts
zacofany - achterover
zacytować - aanhalen, citeren, noemen
zacytowanie - aanhaling, citaat
zaczaić się - een hinderlaag leggen
zacząć - aanbinden, beginnen, aanvangen
zaczątek - pit, kern
zaczekać - wachten, afhalen, te wachten staan
zaczepka - aangrijpen, aantasten, aanvallen
zaczynać (się) - aanbinden, beginnen, aanvangen
zad - gat, kont, bibs, achterste
zadaj - vragen
zadania - karwei, klus, opgave, taak
zadanie - karwei, klus, opgave, taak
zadanie - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
zadanie - oefenen, drillen
zadanie wsadowe - oefenen, drillen
zadanie wydruku - emplooi, karwei, werk, arbeid
zadanie zawieszające - karwei, klus, opgave, taak
zadawać ból - wee, zeer, pijn
zadawać pytanie - vragen
zadenuncjować - aangeven, aanbrengen, klikken
zadławić się - wurgen, choken, worgen
zadośćuczynienie - verontschuldiging
zadowalający - bevredigend
zadowolenia - blijdschap
zadowolenia - tevredenheid
zadowolenie - tevredenheid
zadowolić - bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan
zadowolony - verheugd, verblijd, blij
zadowolony - voldaan, tevreden, vergenoegd
zadrapania - krauwen, scharrelen, klauwen, krabben
zadraśnięcie - krauwen, scharrelen, klauwen, krabben
zadrżećs kołczan - beven, bibberen, rillen, huiveren
zadziwiać - verwonderen, bevreemden, verbazen
zadziwiać - verbazingwekkend, bevreemdend
zadziwiający - verbazingwekkend, bevreemdend
zadziwiający - bevreemdend, verbazingwekkend
zafakturować - factureren, declareren
zagadce - puzzel, raadsel
zagadka - puzzel, raadsel
zagadka - puzzel, raadsel
zagadkowy - mysterieus, geheimzinnig
zagadnienie - uitgeven, emitteren
zagadnienie - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
zagajnik - struikgewas, bosjes
zagęszczać - compact, dicht
zagęszczać - comprimeren
zagęścić - verdikken, aandikken
zagięcie - ellendeling, ploert, schavuit, boef
zaginać - omvouwen, vouwen, plooien
zagłada - ruineren, te gronde richten
zagłuszać (radio) - jam, moes, marmelade
zagniecenia - rimpelen, fronsen
zagniewany - kwaad, toornig, nijdig, boos
zagnieździć - nestelen, een nest maken
zagorzały konserwatysta - keihard
Zagotować, wrzenie - op het kookpunt zijn, borrelen, koken
zagraniczny - uitheems, buitenlands
zagrażać - in gevaar brengen
zagrażać - bedreigen, dreigen
zagrażać - dreigen, bedreigen
zagroda - hok
zagroda - paardestal, stal
zagrodzić - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
zagrozić - dreigen, bedreigen
zagrożenie - bedreiging, dreigement, dreiging
zagwarantować - borg staan voor, garanderen
zagwozdka - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
zagwozdka - kwestie, vraag, navraag
zahaczyć - haakje, slot, spang, agraaf
zainicjować - de stoot geven tot
zainteresowania - belang inboezemen, interesseren
zainteresowanie - belang inboezemen, interesseren
zainteresowany - geinteresseerd, belangstellend
Zair - Congo, Kongo
zaiteresowanie - belang inboezemen, interesseren
zajazd - logement, herberg
zając - haas
zająkiwał się - stamelen, hakkelen, stotteren
zajęcie - actie, gedoe, optreden, handeling
zajęcie - aangelegenheid, zaak, affaire, ding
zajęcie - beroep, broodwinning, bedrijf
zajęcie - handelen, handel drijven
zajęć) - dienstregeling, rooster
zajęty - verloofd, geëngageerd
zajęty - druk, bezet
zajmować - bezetten, beslaan, bekleden
zajmować - liggen
zajmować (stanowisko) - invullen, dempen, spekken, vullen
zajmować się - rondgeven, ronddelen, uitdelen
zajmować stanowisko - bezetten, beslaan, bekleden
zajmowanie - handwerk, beroep, ambacht
zajmujący dużo miejsca - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
zakańczać - toe, dicht, gesloten
zakaz hamować - verhinderen, verhoeden, beletten
zakazić - infecteren, besmetten, aansteken
zakazywać - verbieden
zakazywać - verbieden
zakazywać - afschrikwekkend
zakaźny - aanstekelijk, verpestend, besmettelijk
zakażenie - infectie, besmetting
zakąska - twaalfuurtje, lunch
zakład - wedden
zakład - wedden
zakład (założenie się) - wedden
zakładać - wedden
zakładać klamrę zaciskającą - insluiten, impliceren
zakładać się - aanleggen, fitten, installeren
zakładnik - gijzelaar, garant
zakłopotać - in verlegenheid brengen
zakłócenia - ophef, leven, rumoer, lawaai, herrie
zakłócenia (sygnału) - storing
zakłócenie - storing
zakłócenie programu radiowego - storing
zakłócenie spokoju publicznrgo - storing
zakneblować - moppen tappen
zakodować - codificeren
zakomunikować - berichten, meedelen, mededelen
zakon - aanvoeren, commanderen, bevelen
zakonnica - kloosterzuster, non
zakonnik - monnik
zakontraktować - verbintenis, contract
zakończenie - uitgang, uiteinde
zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg - gevolgtrekking, conclusie
zakończenie sygnału przerwania transmisji - uitgang, uiteinde
zakończenie wskazówka - terminal
zakończony - beëindigd, afgelopen, afgewerkt, klaar
zakończyć - afmaken, beëindigen, afsluiten
zakończyć - afhandelen, afwikkelen, afdoen
zakopać - kuilen, begraven
zakorkować - prop, stekker, plug, stop, stopmiddel
zakorzeniać się - anker
zakotwiczyć - anker
zakres ultrakrótkofalowy - kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied
zakres współrzędnych osi - graad, stand, status, rang
zakręt - ombuigen, buigen, doorbuigen
zakup - koop, inkoop, aankoop
zakurzony - stoffig
zakwas - gist
zakwaterować - afstemmen, aanpassen, adapteren
zakwaterować (wojsk.) - buurt, wijk, stadswijk
zakwaterowanie - aanpassing
zakwestionować - procederen
zalać - bedelven, overstelpen, verpletteren
zalecać - adviseren, bekendmaken, aankondigen
zalecać - aanbevelen, aanprijzen, recommanderen
zalecać się - scharrelen, het hof maken, vrijen
zalecany - aanbevolen
zalecenie - recommandatie, aanbeveling
zalecie - prooi, buit, acquisitie, aanwinst
zaledwie - kwalijk, nauwelijks, amper
zaledwie - amper, nauwelijks, kwalijk
zaległy - onbetaald, achterstallig
zaległy - onbetaald, achterstallig
zaległy wysunięty naprzód znakomity - onbetaald, achterstallig
zalet - bedrijvende vorm, actief, bezit
zaleta - pré, voordeel
zaleta - waard zijn, toekomen, verdienen
zalewać - zondvloed
zależeć - afhankelijk zijn, afhangen
zależeć - scharnier
zależeć od - afhankelijk zijn, afhangen
zależeć od czego - afhankelijk zijn, afhangen
zależnośc - familiebetrekking, verwantschap
zależność - afhankelijkheid
zależny - afhankelijk, onderhorig
zaliczać - aantal, getal, tal
zaliczać - classificeren, indelen
załadować - laden
załadować ponownie - afzenden, verzenden, expediëren
załamanie - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
załamuj - afpersen, afdwingen, knevelen
załatwiać - arrangeren, aanrichten, ordenen
załatwić (sprawę) - afhandelen, afdoen
załączać - omsluiten
załącznik - kraal, omheind terrein
załącznik - aanhechting
załączyć (w przesyłce itp) - omsluiten
załoga - bemanning
założenia - vestiging, etablissement, instelling
założenie - Maria-Hemelvaart
założenie - vestiging, etablissement, instelling
założenie (firmy) - achtergrond
założyć przynętę - aas, lokaas
założyć się - inrichten, oprichten, stichten
zamachnięcie - aanhalen, strelen, liefkozen, aaien
zamaskować - blind
zamawiać - aanvoeren, commanderen, bevelen
zamazać - vervagen
zamazanie - smeren, sauzen, doorsmeren, besmeren
zamek - slot
zamek - slot, plecht, kasteel, burcht
zamek (u drzwi) - slot
zamek błyskawiczny - treksluiting, rits, ritssluiting
zamiana - veranderen, anders maken
zamiar - bedoeling, doel, plan, strekking
zamiast - in plaats daarvan
zamiast tego - in plaats daarvan
zamiatać - oprijlaan, oprit
zamieniać - ruilen, inruilen, wisselen
zamienić - centrale
zamienić - inruilen, ruilen, wisselen
zamienić - in de plaats stellen van, inboeten
zamierzać - doelwit, honk, doel, doelstelling, wit
zamierzać - gemiddeld
zamierzać - mikken, mikken op, beogen, bedoelen
zamierzać - anticiperen, prejudiciëren
zamierzony - bedoeld, opzettelijk, moedwillig
zamieszać - aangrijpen, ontroeren, bewegen
zamieszania - beroering, agitatie, beweging
zamieszanie - herrie, leven, rumoer, ophef, lawaai
zamieszanie - verwardheid, verwarring
zamieszki - herrie, rel, roerigheid, getier
zamiłowanie - smaken
zamknąć - slot
zamknąć na klucz - kooi
zamknięcia - sluiten, dichtmaken, dichtdoen
zamknięty - sluiten, dichtmaken, dichtdoen
zamknięty - begrensd, eindig, beperkt
zamoczyć - indompelen, indopen, soppen
zamontować (dysk w systemie) - monteren, zetten
zamordować - ombrengen, doodmaken, doden
zamortyzować - afbetalen, afschrijven, aflossen
zamożny - gefortuneerd, rijk, vermogend
zamówić - aanvoeren, commanderen, bevelen
zamówienie - aanvoeren, commanderen, bevelen
zamrażać - koelen
zamrażarka - vriezer, vriesvak
zamrozić - vriezen
zamrożenie - vriezen
zamrożony - bevroren
zamykać - sluiten, dichtmaken, dichtdoen
zamykać na zasuwę - grendelen, afgrendelen
zamysł - werkje, schets, tekening
zamyślony - nadenkend
zamyślony - nadenkend
zanalizować - onderzoeken, nakijken, examineren
zaniechać - afdanken
zaniechać - uittreden, aftreden, bedanken
zaniechać - een miskraam krijgen, mislukken
zaniechać - prijsgeven, afleggen, opgeven
zaniechanie enia - concessie, cessie, afstand, toegeving
zaniedbać - achterwege laten, weglaten
zaniedbać - terugvallen
zaniedbać - veronachtzamen
zaniedbanie - nonchalance, nalatigheid
zaniedbanie - veronachtzamen
zaniedbywać - veronachtzamen
zaniedbywał - bouwvallig, gammel, aftands
zaniedbywanie - nonchalance, nalatigheid
zaniepokoić - storing veroorzaken
zaniepokojenia - storing veroorzaken
zaniepokojony - lafhartig, laf, bang
zanikać - kleiner worden, afnemen, dalen
zanikać - vervagen
zanikać płowieć - dalen, kleiner worden, afnemen
zanim - voor
zanurzenie - indompelen, indopen, soppen
zanurzyć - onderdompelen, indompelen
zanurzyć (się) - duiken
zanurzyć coś w - onderdompelen, indompelen
zaokrąglać - ronde
zaopatruj - toerusten, uitrusten, uitvoeren
zaopatrywać - aanvoer, bezorging
zaopatrzenie - aflevering, levering, inlevering
zaopatrzenie w żywność - aanvoer, bezorging
zaorać - omploegen, ploegen, beploegen
zaostrzyć - aanzetten, scherpen, slijpen
zaoszczędzić - redden, bergen, behouden
zapach - reuk, geur, luchtje, lucht
zapach - parfumeren
zapach - lucht, reuk, luchtje, geur
zapach - reuk, luchtje, lucht, geur
zapach - geur, aroma
zapach - stinken, vies ruiken
zapadce - haan van een vuurwapen
zapadnia - achterdeur
zapakować do worków - ontzetten, ontslaan, royeren
zapalanie - ontsteking, ontbranding
zapalenia - ontsteking
zapalenie - keelontsteking
zapalenie - ontsteking
zapalenie - ontsteking, ontbranding
zapalenie opon mózgowych - longontsteking
zapalenie płuc - blindedarmontsteking
zapalić - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapalić - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapalić (się) - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapalić papierosa - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapalić się - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapalniczce - aansteker, vuurmaker
zapalniczka - aansteker, vuurmaker
zapał - enthousiasme, geestdrift
zapał - ambitie, vuur, ijver
zapałka - lucifer
zapamiętać - uit het hoofd leren, van buiten leren
zapamiętywać - uit het hoofd leren, van buiten leren
zaparcie - verstopping, constipatie, obstipatie
zapas - inventaris, boedel
zapas - bespreken, reserveren, intekenen
zapas - winkel
zapasowy - tweede
zapasowy - een backup maken, een backup maken van
zapasowy - ontzien, sparen
zapasowy wkład - ontzien, sparen
zapaść - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
zapatrywania - standpunt, gezichtspunt
zapewne - waarschijnlijk
zapewniać - provianderen, spekken, bevoorraden
zapewniać - bevestigen, aannemen
zapewniać - betuigen, verzekeren
zapewniać - beweren, verzekeren
zapewniać ( o czymś) - betuigen, verzekeren
zapewnić - beweren, verzekeren
zapewnić - betuigen, verzekeren
zapewnić - fixeren, bevestigen, bepalen
zapinać - dichtknopen
zapinać (się) - gespen, vastgespen, dichtgespen
Zapinka - vasthaken
zapis - discus, plaat, grammofoonplaat, schijf
zapis piątkowy - gebieder, chef, aanvoerder, baas
zapisać - redden, bergen, behouden
zapisać (dane) pisać - neerschrijven, schrijven, uitschrijven
zapisać w testamencie - nalaten
zapisanie - discus, plaat, grammofoonplaat, schijf
zapisywać - boek
zapisywać - jota
zaplanować - arrangeren, aanrichten, ordenen
zaplecza - een backup maken, een backup maken van
zapłacić okup - loskopen, vrijkopen, afkopen
zapłata - afbetaling
zapłon - ontsteking, ontbranding
zapłon (silnika) - ontsteking, ontbranding
zapłon silnika - ontsteking, ontbranding
zapłonąć - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapłonąć - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
zapobiegać - beletten, verhinderen, verhoeden
zapoczątkować - het gevolg zijn van, afstammen
zapoczątkować - de stoot geven tot
zapominać - afleren, vergeten, verleren
zapominalski - vergeetachtig
zapotrzebowania - vorderen, rekwireren, opvorderen
zapotrzebowanie żądanie - vorderen, rekwireren, opvorderen
zapowiadać - beduiden, voorspellen, voorzeggen
zapowiedzieć - uitloven, bieden, aanbieden
zapowiedzieć - aandienen, aankondigen, adverteren
zapowiedź - aankondiging, verkondiging
zapowiedź - aandienen, aankondigen, adverteren
zapowiedź - afschaduwing
zapraszać - uitnodigen, vragen, inviteren, noden
zaprosić - vragen
zaprosić - uitnodigen, vragen, inviteren, noden
zaproszenia - uitnodiging, invitatie
zaproszenie - uitnodiging, invitatie
zaprotestować - mikpunt, onderwerp, object, ding
zaprowadzony porządek - routine, sleur
zaprzeczyć - in tegenspraak zijn met, tegenspreken
zaprzeczyć - ontkennen
zaprzęgać - span
zapuszczone mieszkanie itp - stortplaats
zapychać (się) - stoppen, dichten, dichtmaken
zapytać - vragen
zapytanie z podpowiedzią - enquete
zapytywać - een verhoor afnemen, ondervragen
zarabiać - verdienen, winnen, behalen
zaradzić - beter maken, genezen, helen
zaraza - infectie, besmetting
zaraza - pest
zarazą - pest
zarazek - microbe
zarazić - infecteren, besmetten, aansteken
zaraźliwy - aanstekelijk, besmettelijk, verpestend
zarażenie - infectie, besmetting
zardzewiały - roestig
zareagować na coś jakiś sposób - w reageren
zareagować na coś w jakiś sposób - reageren
zarejestrować - aangeven
zaręczony - verloofd, geëngageerd
zarobek - gage, salaris, bezoldiging, loon
zarobić - verdienen, winnen, behalen
zarobkach - gage, loon, bezoldiging, salaris
zarodek - microbe
zarozumiały - nietig, ijdel, onbelangrijk
zarys - omlijning, omtrek
Zarys - beperken, begrenzen, beknotten
zarząd miasta - administratiekantoor, bestuur
zarządca - beheerder, administrateur
zarządca - bestuurder, beheerder, administrateur
zarządca plików - intendant, opzichter, meier
zarządzać - besturen, administreren, beheren
zarządzać - administreren, beheren, besturen
zarządzać - bestemmen, uittrekken
zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia - administreren, beheren, besturen
zarządzanie - administratiekantoor, bestuur
zarządzanie - administratiekantoor
zarządzanie automatyczne - administratiekantoor, bestuur
zarządzanie zautomatyzowane - administratiekantoor, bestuur
zarządzenie - aanvoeren, commanderen, bevelen
zarządzić - benoemen, aanstellen
zarzut - aanrekenen, toeschrijven, toedichten
Zasada - gronden, baseren
zasada spokoju - principe, beginsel, grondbeginsel
zasada superpozycji - heerschappij, bewind, bestuur
zasadą - principe, beginsel, grondbeginsel
zasadniczy - ingrijpend, grondig, radicaal
zasadniczy - primair
zasadniczy - fundamenteel
zasadowy - basis-
zasady - bekeuring, proces-verbaal, notulen
zasady postępowania - strategie, krijgskunde
zasadzka - een hinderlaag leggen
zasilacz samochodowy/lotniczy - bewerker
zasilać - aanvoer, bezorging
zasilać - eten, bikken, gebruiken, vreten
zasilanie - aanvoer, bezorging
zasilanie moc zdolność władza - heerschappij, macht, mogendheid
zasilanie zaopatrzenie - aanvoer, bezorging
zasiłek - ondersteuning, stipendium, subsidie
zaskakiwał - inhalen
zaskakiwał - geschrokken
zaskakując - ontstellend
zaskarżać - een proces aanspannen tegen
zaskoczenia - betrappen, verrassen, snappen
zaskoczenie - betrappen, verrassen, snappen
zaskoczyć - betrappen, verrassen, snappen
zasłona - overgordijn, gordijn, scherm, doek
zasłona dymna - mantel, jas
zasłonić - jas, mantel
zasłudze - waard zijn, toekomen, verdienen
zasługa - waard zijn, toekomen, verdienen
zasługa - creditzijde, tegoed, krediet, credit
zasługiwać - waard zijn, toekomen, verdienen
zasługiwać - eerzaam, waardig, waar
zasługiwać - verdienen, winnen, behalen
zasługiwać - waard zijn, toekomen, verdienen
zasłużyć (się) - waard zijn, toekomen, verdienen
zasłużyć się - waard zijn, toekomen, verdienen
zasnąć - slapen, maffen
zasobnik - bunker, kazemat
zasobnik kart - dienblad, presenteerblad
zasobnik kart (dziurkowanych) - blad, krant
zasób - opslaan
zasób środek trwały - prooi, buit, acquisitie, aanwinst
zaspokoić - stil, bedaard, rustig, kalm
zastanawiać się - zich verbazen, zich verwonderen
zastanawianie się - afspiegeling, weerglans
zastanowienie - nakomertje
zastaw - pand, onderpand, borgstelling
zastaw - pion
zastaw - cijfer, nummer
zastawce - schuif, klep
zastawić pułapkę/sidła - slag, valstrik, val
zastawka - schuif, klep
zastąpić - inboeten, in de plaats stellen van
zastąpić kogoś - inboeten, in de plaats stellen van
zastąpienie - vervanging, aflossing
zastępca - in de plaats stellen van, inboeten
zastępca - subsidiair, plaatsvervangend
zastępca - steward
zastępca - assistent, adjunct, helper
zastępczy - afwisselend
zastępować nowszą wersją - vernietigen, verwoesten, vernielen
zastępował - inboeten, in de plaats stellen van
zastępowanie - vervanging, aflossing
zastępstwa - vervanging, aflossing
zastępstwa - aflossing, vervanging
zastępujący - afwisselend
zastosować - afstemmen, aanpassen, adapteren
zastosować - aanwenden, doorvoeren
zastosowanie - aanwending, toepassing
zastraszyć - koe
zastraszyć - doen schrikken, schrik aanjagen
zastrzec sobie prawo autorskie - copyright, kopijrecht
zastrzegać - bespreken, reserveren, intekenen
zastrzerzenie - bevoegdheid, kwalificatie
zastrzeżenie - bevoegdheid, kwalificatie
zastrzeżenie - kwestie, vraag, navraag
zastrzyk - spuitje, inspuiting, injectie
zasymilować - in zich opnemen, assimileren
zasypać - stoppen, dichten, dichtmaken
zasypuj - doortrekken, verzadigen
zasypuj - belegeren
zaszczepić - inenten, oculeren, enten
zaszczepić (przeciw chorobie) - inenten, oculeren, enten
zaszczycie - vereren, huldigen, eren
zaszczycie - preferentie, privilege, prae
zaszczyt - creditzijde, tegoed, krediet, credit
zaszczyt - huldigen, vereren, eren
zaś - maar, doch
zaświadczać - getuigen, certificeren
zaświadczać legalizować - getuigen, certificeren
zaświadczyć - betuigen, verzekeren
zaświadczyć - getuigen, certificeren
zataić - verbergen, ontveinzen, verhelen
zatapiać - verdrinken, verloren gaan, vergaan
zatarg - conflict
zatem - ook weer, dus, ergo, toch
zatkać - stoppen, dichten, dichtmaken
zatkać się - bedelven, overstelpen, verpletteren
zatłoczenia - congestie, bloedaandrang, aandrang
zatłuszczony - dik, vettig, vet
zatoka - baai, inham, kreek
zatoka - golfspel, golf, inham, bocht, boezem
zatonąć - zinken, aan de grond raken
zatopić - zondvloed
zator - jam, moes, marmelade
zatruć - vergiftigen, vergallen, vergeven
zatrudniać - aanwending, toepassing
zatrudniać - aannemen, huren, aanwerven
zatrudniać (pracownika) wykorzystywać - aannemen, huren, aanwerven
zatrudnienia - toepassing, aanwending
zatrudnienie - toepassing, aanwending
zatrzymać - aanhouding, arrestatie
zatrzymać - reserveren, ophouden, detineren
zatrzymać - afslaan, halthouden, blijven staan
zatrzymać - logeren
zatrzymać (się) - logeren
zatrzymać (się) - box
zatrzymać się - logeren
zatrzymanie - afslaan, halthouden, blijven staan
zatrzymanie pracy procesora - logeren
zatrzymanie ze względu na adres - box
zatrzymuj - reserveren, detineren, ophouden
zatwardzenie - verstopping, constipatie, obstipatie
zatwierdzać - bevestigen, aannemen
zatwierdzać - beweren, verzekeren
zatwierdzenie - vormsel, aanneming
zatwierdzenie - ja zeggen, beamen, bevestigen
zatwierdzenie - bijval, acclamatie, toejuiching
zatwierdzić - beamen, billijken, goedkeuren
zatyczka - ontstekingsbuis, bougie
zatykać - stoppen, dichten, dichtmaken
zatykać - ontstekingsbuis, bougie
zaufania - fiducie, vertrouwen, geloof
zaufanie - vertrouwen, fiducie hebben in
zaufanie - creditzijde, tegoed, krediet, credit
zaufanie - fiducie, vertrouwen, geloof
zaufany - vertrouwd, betrouwbaar
zaufany człowiek - zelfbewust, zelfverzekerd
zaułek - steeg
zauważyć - plaatsbewijs, biljet, kaartje
zauważyć - affiche, aanplakbiljet, plakkaat
zauważyć uwaga - berisping, aanmerking, standje, blaam
zawarcie (umowy) - uitgang, uiteinde
zawartość - inhoud
zawartość łyżeczki do herbaty - inhoud
zawiadamiać - adviseren, bekendmaken, aankondigen
zawiadamiać - adviseren, aankondigen, bekendmaken
zawiadamiać - aanplakken
zawiadomić - aandienen, aankondigen, adverteren
zawiadomienia - verkondiging, aankondiging
zawiadomienie - affiche, aanplakbiljet, plakkaat
zawiadomienie - aankondiging, verkondiging
zawiadowca stacji - stationschef
zawias - scharnier
zawierać - bevatten, inhouden, behelzen
zawierać - afhandelen, afwikkelen, afdoen
zawierać - bevatten, inhouden, behelzen
zawierać - smeden
zawierać (umowę) - omvatten, beslaan
zawierający wszystkie funkcje - inclusief
zawiesić - afslaan, halthouden, blijven staan
zawiesić się - hangen
zawieszać - hangen
zawieszenie - monteren, zetten
zawieść - in de steek laten, laten merken
zawilca - anemoon
zawilec - anemoon
zawiły - gecompliceerd, ingewikkeld
zawiły - compliceren, ingewikkeld maken
zawiły - mysterieus, geheimzinnig
zawiniątko - bundel, wis, bos
zawisć - jaloezie, naijver
zawistny - jaloers, afgunstig, ijverzuchtig
zawistny - ijverzuchtig, jaloers, afgunstig
zawiść - benijden, jaloers zijn op, misgunnen
zawładnąć - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
zawodowiec - professioneel, beroeps-
zawodowiec (w sporcie) - professioneel, beroeps-
zawodowy - professioneel, beroeps-
zawody - wedijver
zawód - smart, leed, verdriet
zawód - handwerk, beroep, ambacht
zawód pisarza - beroep, broodwinning, bedrijf
zawód pisarza - handwerk, beroep, ambacht
zawór - schuif, klep
zawrotny - duizelig
zawrót głowy - duizeling, duizeligheid
zawstydzać - foei
zawstydzenie - penarie, benardheid, knelpunt, hinder
zawstydzić - foei
zawstydzić się - beschamen, beschaamd maken
zawstydzony - beschaamd
zawsze - eenmaal, eens, wel eens, ooit
zawsze - permanent, aldoor, bij voortduring
zawsze - altijd, immer, steeds
zawsze dostępny - altijd, immer, steeds
zawzięty - koppig, halsstarrig, hardnekkig
zawzięty - volhardend
zazdrosny - geel
zazdrosny - jaloers, afgunstig, ijverzuchtig
zazdrosny ( o kogoś) - ijverzuchtig, jaloers, afgunstig
zazdrościć - benijden, jaloers zijn op, misgunnen
zazdrość - benijden, jaloers zijn op, misgunnen
zazdrość - jaloezie, naijver
zazębienie - maas, breisteek, steek, strik
zaznaczyć - merken, tekenen
zaznajomiony z czym (człowiek) - welbewust, bewust
zazwyczaj - gewoonlijk
zazwyczaj - gewoonlijk
zażalenie - beschuldiging, aanklacht
zażarty - doldriftig, verwoed, woedend, dol
zażądać - nodig hebben, moeten, behoeven, hoeven
zażenować - in verlegenheid brengen
zażyły - intiem, gezellig, innig, knus
ząb - tand
ząbek (czosnku) - roze, rozig, rose, rooskleurig
zbadać - onderzoeken, nakijken, examineren
zbawca - Verlosser
zbawiać - vrijkopen, loskopen, afkopen
zbędny - overtollig, overbodig
zbędny - onnodig
zbiec - weglopen, wegrennen, drossen
zbieg - uitgewekene, vluchteling
zbiegać się - elkaar dekken, congruent zijn
zbiegać się - samenkomen, samenlopen, convergeren
zbiegać się nadawać zbieżność - elkaar dekken, congruent zijn
zbiegowisko - bijeenkomst, meeting, samenkomst
zbierać - collecteren, innen, inzamelen
zbierać - deduceren, afleiden, abstraheren
zbierać oklaski - deduceren, afleiden, abstraheren
zbierać się - samenkomen, vergaderen, bijeenkomen
zbierać się - vergaderen, samenkomen, bijeenkomen
zbierać sumować - scheren
zbierać wierzchnią warstwę - oogst
zbieranie danych o wydajności - acquisitie
zbieraniną - hutspot
zbieżny - analoog, overeenkomend, gelijksoortig
zbiorowy - collectief, gemeenschappelijk
zbiory - oogst
zbiór - hoop, groep, schare, kudde, drift
zbiór - bestand, dossier
zbiór - inrichting, apparaat, hulpmiddelen
zbiór danych gotowy - inrichting, apparaat, hulpmiddelen
zbiór docelowy - woud, bos
zbiór drzew (w teorii grafów) - ordner, map
zbiór zmian po wykonaniu operacji - inrichting, apparaat, hulpmiddelen
zbiór znaków kodowanych alfabetycznie - repertoire
zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie - bundel, wis, bos
zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie - gevolg
zbiórka - samenscholing
zbitka rejon - wis, bundel, bos
zbity - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
zbliżać się - benaderen
zbliżać się - aanvliegen
zbliżony - benaderen
zbliżyć - benaderen
zbliżyć się - aanvliegen
zbocze - helling, glooiing
zbocze (impulsu) krawędź (grafu) - wal, kant, kust, boord, oever
zbombardować - bombarderen
zboże - zaadkorrel, pit, korrel
zboże - eksteroog, eelt, likdoorn
zbój - straatschuimer, apache
zbroja - bepantsering, kuras, harnas, pantser
zbroja - kuras, bepantsering, harnas, pantser
zbrylić się - koek, cake
zbudzić any - wakker, wakend
zbudzony - wekken, wakker maken, opwekken
zbyt - evenzeer, mede, eveneens, ook
zbyt towarów - verkoop, vervreemding
zbyt wysoka ocena - overschatten, overwaarderen
zbyteczny - onnodig
zdać - inhalen
zdalny - verwijderd, ververwijderd, ver
zdanie - voorwaarde, clausule, bepaling
zdanie - gedachte, mening, opinie, dunk, visie
zdanie - frase, zin, volzin
zdanie (twierdzące) - declaratie, aangifte, uitspraak
zdarzenie - belangrijke gebeurtenis, evenement
zdarzenie zaszłość - belangrijke gebeurtenis, evenement
zdarzyć się - toegaan, voortgang hebben, gebeuren
zdarzyć się - gebeuren, aan de hand zijn
zdecydować - besluiten, beslissen, uitmaken
zdecydowanie - definitief, voorgoed
zdegenerować się - degenereren, ontaarden, verbasteren
zdegenerowany - degenereren, ontaarden, verbasteren
zdejmował - afstandelijk
zdemontować - afstijgen
zdenerwowany - zenuwachtig, zenuw-, nerveus
zdeprawować - boemelen, brassen, aan de rol zijn
zderzać się - slaan, klappen, kloppen, opvallen
zderzać się - aanrijden, voorrijden
zderzak - bumper, stootkussen, buffer
zderzenia - botsing, aanvaring, aanrijding
zderzenie - botsing, aanvaring, aanrijding
zderzyć się - aanrijden, voorrijden
zdjąć - reinigen, schoonmaken, louteren
zdjąć z haka - afhaken, loshaken
zdjęcia - fotograferen, kieken
zdjęcia (w filmie) - fotografie
zdjęcie - beeld, prent, afbeelding, plaat
zdjęcie (fot.) - luik
zdjęcie migawkowe - fotograferen, kieken
zdławić - onderdrukken, smoren, neerslaan
zdobić - versieren
zdobienie - sieraad, decoratie, tooisel
zdobycia - beetnemen, pakken, beetkrijgen
zdobycz - raaf
zdobyć - buit maken, verkrijgen, behalen
zdobyć wewnętrzną świadomość - buit maken, verkrijgen, behalen
zdobyć wewnętrzną świadomość - verkrijgen, buit maken
zdobywać - uitreiken, verschaffen, verstrekken
zdobywać - buit maken, verkrijgen, behalen
zdolności przetwarzania - aanpassingsvermogen
zdolność - bekwaamheid, kundigheid
zdolność - aanpassingsvermogen
zdolność - geschiktheid
zdolność adresowania - aanpassingsvermogen
zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie - bekwaamheid, kundigheid
zdolność przystosowania się - bekwaamheid, kundigheid
zdolność przystosowawcza - faculteit
zdolny - capabel, kundig, bekwaam
zdolny - bedreven, behendig, handig, bekwaam
zdolny do narzucenia - bekwaam, capabel, kundig
zdołać - administreren, beheren, besturen
zdrada - verraad
zdrada - verraad
zdradą - verraad
zdradzać - in de steek laten, laten merken
zdradzić tajemnicę/oddać coś - in de steek laten, laten merken
zdrętwiały - verdoofd
zdrętwiały - afgemeten, plechtig, ceremonieel
zdrobniały - luttel, karig, min, klein, gering
zdrobnienia - luttel, karig, min, klein, gering
zdrobnienie - luttel, karig, min, klein, gering
zdrowie - gezondheid
zdrowy - gezond, fit, valide
zdrowy na umyśle - gezond van lijf en leden
zdrój - badplaats
zdrzemnąć się - sluimeren, druilen, dutten
zdrzemnąć się - druilen, sluimeren, dutten
zduciś - vernietigen, verwoesten, vernielen
zdumieć - verwonderen, bevreemden, verbazen
zdumieć - bevreemdend, verbazingwekkend
zdumiewać - verwonderen, bevreemden, verbazen
zdumiewający - eminent, uitstekend, aanzienlijk
zdumiewający - bevreemdend, verbazingwekkend
zdusić się - onderdrukken, smoren, neerslaan
zdychać - doodgaan, overlijden, sterven
zdyszany - ademloos, amechtig, buiten adem
zebra - zebra, Kaapse ezel
zebrać - vergaderen, samenkomen, bijeenkomen
zebrać - aggregatie, aggregaat
zebrania - bijeenkomst, meeting, samenkomst
zebranie - samenscholing
zebranie - bijeenkomst, meeting, samenkomst
zebranie - vergadering, zitting
zechcieć - wens, lust, verlangen, begeerte, zin
zefir - zefier
zegar - uurwerk, klok
zegara - wijzerplaat
zegarek - horloge, polshorloge
zegarmistrz - horlogemaker, klokkenmaker
zejście na ląd (ze statku) - daling, landing
Zelandia - Zeeland
zelówka - enkel, bloot, louter
zelżeć - bedaren, bekoelen, luwen
zemdleć - bezwijmen, bewusteloos raken
zemdleć - zwak
zemdlenia - bezwijmen, bewusteloos raken
zemsta - wraak
zemsta - wraak
zemścić się na kimś - wraak
zenit - hoogtepunt, zenit
zepsuty - verspild
zepsuty - rot, bedorven, verrot
zepsuty - defect, stuk, kapot
zepsuty fabrycznie - rot, bedorven, verrot
zera - nul, nihil
zera - nul
zerkać - scheelzien, scheelkijken, loensen
zero - nul, nihil
zero - nihil, nul
zero - nul
zero nastawiaine - nul
zero nieznaczące - nul
zero nieznaczące - nihil, nul
zero początkowe - nihil, nul
zerować - hel, licht, klaar
zerowy - nul
zerowy (przewód elektr.) - neutraal, afzijdig, onpartijdig
zerwać - een miskraam krijgen, mislukken
zerwanie - een miskraam krijgen, mislukken
zesłać (nieszczęście) - beproeven, bedroeven, verdriet doen
zespół - groepering, groep
zespół - bende, troep, schare
Zespół budynków - complex, samengesteld
zespół odczytującodziurkujący - gevolg
zespół projektowy - bende, troep, schare
zespół serwerów - aggregatie, aggregaat
zestaw - zestaw
zestaw znaków kodowanych alfabetycznie - repertoire
zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie - gevolg
zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie - bijeenkomst, meeting, samenkomst
zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie - bundel, wis, bos
zestawiać w bloki - blokkeren, vastzetten
zeszlifować - schaven, afschaven
zesztywnienie - stijfheid
zeszyt - katern, schrift, aflevering
zeszyt - oefenen, drillen
zeszyt (szkolny) - katern, schrift, aflevering
ześlizgnąć się - slippen, uitglijden
zetrzeć - vandoor, heen, verwijderd, over
zetrzeć - uitwissen
zewnątrz - buiten
zewnętrzna strona - buiten
zewnętrzna strona - oppervlakte, oppervlak
zewnętrzny - leden, aanhang
zewnętrzny - naar buiten, eruit, buitenwaarts
zewnętrzny - buiten
zewnętrzny - buiten-, extern, uitwendig, uiterlijk
zewnętrzny - daarbuiten, buiten, uiterlijk
zewnętrzny - extern, buiten-, uitwendig, uiterlijk
zez - scheelzien, scheelkijken, loensen
zeznaj - certificeren, getuigen
zeznania - hergeven, reproduceren, teruggeven
zeznanie - getuige
zezowaty - scheelzien, scheelkijken, loensen
zezwalać - laten, laten begaan, laten schieten
zezwalać - toelaten, gedogen, toestaan
zezwolenie - toelaten, gedogen, toestaan
zezwolenie - toestemming, goedvinden, fiat
zezwolenie na zapis - wij, ons, we
zezwolenie zapisu - wij, ons, we
zezwolenie zdalne - toestemming, goedvinden, fiat
zezwolić - loslaten, uitlaten, tappen, lossen
zezwolić na opublikowanie - toelaten, gedogen, toestaan
zębach - gebit
zęby - gebit
zgadywać - raden, gissen, doorzien
zgadzać się - accoord, overeenstemming
zgadzać się - het eens zijn, overeenstemmen
zgadzać się - passen, in overeenstemming zijn
zgadzać się ( na coś) - het eens zijn, overeenstemmen
zgaga - maagbrand, maagzuur, zuur
zgiełk - ophef, leven, rumoer, lawaai, herrie
zgięcia - verfomfaaien, kreukelen, frommelen
zgięcia - ellendeling, ploert, schavuit, boef
zginać - omvouwen, vouwen, plooien
zginać - gebogen, krom
zginać - ombuigen, buigen, doorbuigen
zgłaszać się na ochotnika - vrijwilliger, volontair
zgłaszajacy się - verzoeker, aanvrager
zgłębiać - onderzoeken, exploreren, nagaan
zgłosce - lettergreep, syllabe
zgłoska - lettergreep, syllabe
zgłoszenie - aanwending, toepassing
zgnieść - aandrang, toeloop, run
zgniły - rot, bedorven, verrot
zgoda - toestemming, goedvinden, fiat
zgoda - het eens zijn, toegeven, goedvinden
zgoda - concert
zgoda - ja zeggen, beamen, bevestigen
zgoda - overeenstemming, samenklank
zgoda - accoord, overeenstemming
zgoda - aanvaarding, aanneming, onthaal
zgoda - bescherming
zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara - met de klok mee, rechtsom
zgodnie z obrotem wskazówek zegara - met de klok mee, rechtsom
zgodny - consequent
zgodny - congruent
zgodny - adequaat, passend, overeenstemmend
zgodny - congruent
zgodny - aangenaam, behaaglijk, genoeglijk
zgodny ze standardami branżowymi - consonant, medeklinker
zgodzić się - lid worden
zgodzić się - het eens zijn, overeenstemmen
zgorzkniały - bitter
zgrabny - beminnelijk
zgromadzenia - meeting, samenkomst, bijeenkomst
zgromadzenie - meeting, samenkomst, bijeenkomst
zgromadzenie - samenscholing
zgromadzić - vergaderen, samenkomen, bijeenkomen
zgryz - happen, knauwen, bijten, beitsen
zgryźliwość - bitsheid
zgryźliwy - bars, nors, honds, nurks, onaardig
zgryźliwy - snibbig, bits
zgrzeszyć - zondigen
zgrzewarka - lasser
zgrzytać - piepen, knarsen
zgrzytania - raspen
zguba - nadeel, deficit, schade, strop
ziarnistość - zaadkorrel, pit, korrel
ziarnko (grochu - tuinboon, boon, veldboon
ziarnko (klasa JavaBeans) - tuinboon, boon, veldboon
ziarno - zaad
ziarno - zaadkorrel, pit, korrel
zidentyfikować - identificeren, vereenzelvigen
zieleń - groen
zielony - groen
ziemia - aanaarden
Ziemia (jako planeta) - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
ziemianin - chaperonneren
ziemniak - pieper, aardappel
ziemski - aards, aarden
ziemski - aards
ziewać - wijd openstaan, gapen
ziewać - wijd openstaan, gapen
ziewanie - wijd openstaan, gapen
ziewnięcie - wijd openstaan, gapen
zima - winter
zimą - winter
zimnica - oerwoud, jungle, rimboe
zimno - koud
zimny - koud
zimny - koud
zimorodek - ijsvogel
zjawa - blinde, geest, blinde bij kaarspel
zjawa - gezicht, visioen, droombeeld
zjawiać się - opdraven, opdagen
zjawianie się - verschijning, verschijnen
zjawienie się - verschijning, verschijnen
zjawiska - verschijnsel, fenomeen
zjawisko - gezicht, visioen, droombeeld
zjazd - congres
zjednoczenia - unie
zjednoczenie - unie
zjednoczony - verenigd
zjedzony przez mole - mottig
zjełczały - ransig, rans, ranzig, garstig
zlecenia - opdracht, boodschap, commissie
zlecenie - vragen, aanvragen, inroepen, verzoeken
zlecenie - aanvoeren, commanderen, bevelen
zlecenie zakupu - opdracht, boodschap, commissie
zlecić - benoemen, aanstellen
zlecić delegat - delegeren, afvaardigen
zlekceważenie - nonchalance, nalatigheid
zlepiać (się) - koek, cake
zlew - zinken, aan de grond raken
zleżały - muf, adellijk, benauwd, goor, gortig
zlęknąć się - kwartel
zliczanie - in aanmerking komen, meetellen
zlikwidować - afwikkelen, liquideren, opheffen
zlokalizować - situeren, leggen, plaatsen
zlość - gramschap, boosheid, toorn
zlość zenie - gramschap, boosheid, toorn
zlot - bijeenkomst, meeting, samenkomst
złamać - afbreken
złamać (zabezpieczenie - houwen, kappen, hakken
złamać zabezpieczenie - houwen, kappen, hakken
złamania - breuk, gotisch lettertype
złamanie - breuk, gotisch lettertype
złamanie ochrony pamięci - breuk, gotisch lettertype
złamany - defect, stuk, kapot
złapać - spijkeren, nagelen
złapać - aanfloepen, aanflitsen, aangaan
złapać kogoś na gorącym uczynku - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
złącze - unie
złącze - houder, schede, foedraal
złącze - aansluiting
złącze - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
złącze p-n stopniowe - aansluiting
złącze przelotowe portu równoległego - haven
złącze punkt połączenia - interface
złącze żeńskie - aansluiting
złącze) ceramika?metal - aanhechting
złączenie - zich aansluiten, lid worden, toetreden
Złączka - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
zło - kwetsen, letsel toebrengen
złocie - gulden, gouden
złodziej - dief, steler
złodziejstwo - diefstal, ontvreemding
złom - afkeuren
złościć - ergeren, verontwaardigen
złościć - grieven, bedroeven, ergeren
złość - gramschap, boosheid, toorn
złośliwość - trots
złośliwy - kwaadaardig, boosaardig, hatelijk
złośliwy - boosaardig, hatelijk, kwaadaardig
złośliwy - afschuwelijk
złośliwy - hatelijk, boosaardig, kwaadaardig
złota moneta dziesięciodolarowa - adelaar, arend
złota rybka - goudvis
złoto - gulden, gouden
złoty - gulden, gouden
złoty - gulden, gouden
złoty (polska waluta) - gulden, gouden
złowić - aanfloepen, aanflitsen, aangaan
złoże - afgeven, deponeren, in bewaring geven
złożenie - complex, samengesteld
złożenie skład - toondicht, toonzetting, compositie
złożony - complex, samengesteld
złożony z dwóch jednakowych - complex, samengesteld
złożyć - vergaderen, samenkomen, bijeenkomen
złożyć (np. składany stolik w pociągu) - opbergen, bergen, insluiten
złożyć składany stolik w pociągu - opbergen, bergen, insluiten
złudzenie - drogbeeld, begoocheling, illusie
zły - kapot, stuk, defect, gehavend, kaduuk
zły - kwalijk, slecht, beroerd, kwaad
zły - kwaad, toornig, nijdig, boos
zmagać się - worstelen, spartelen, zich aftobben
zmaleć - verminderen, afnemen
zmarnowany - verspild
zmarszczka - rimpelen, fronsen
zmartwienia - verdriet, bedroeven
zmartwienie - droefheit, hartzeer, beproeving
zmartwienie - smart, verdriet, leed
zmartwienie - leed, verdriet, smart
zmarznąć - vriezen
zmęczenie - afmatten, afjakkeren, afbeulen
zmęczony - vermoeid, mat, moe
zmiana - veranderen, anders maken
zmiana - verschuiving
zmiana adresu - afleidingsmanoeuvre
zmiana kierunku - ergo, dus, ook weer, toch
zmiana strumienia magnetycznego na cal - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
zmianą - verschuiving
zmielony - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
zmieniać - afwisselend
zmieniać - veranderen, anders maken
zmieniać - opmaken, redigeren, opstellen
zmieniać - wijzigen, modificeren
zmieniać (się) - afwisselend
zmieniać kolejno - klaarspelen, doorkomen, slagen
zmieniać liczbę - anders maken, veranderen
zmieniać się - afwisselend
zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) - bekeren
zmienić - anders maken, veranderen
zmienić (się) - anders maken, veranderen
zmienić kierunek - afleiden, verstrooien
zmienić się - anders maken, veranderen
zmienna związana - wisselend, veranderlijk, afwisselend
zmienny - afwisselend
zmienny - afwisselend
zmienny - veranderen, anders maken
zmienny - wisselend, veranderlijk, afwisselend
zmierzch - halfdonker, schemer, schemerdonker
zmierzch - schemer, schemerdonker, halfdonker
zmierzch - dageraad, aanbreken van de dag
zmieszać - blo, timide, bevangen, bedeesd
zmieszać - temperen, mengen, vermengen, mixen
zmieszać się - beschamen, beschaamd maken
zmieszanie - penarie, benardheid, knelpunt, hinder
zmieszany - blo, timide, bevangen, bedeesd
zmniejszać - reduceren, inkrimpen, herleiden
zmniejszać się - afdraaien, verlagen
zmniejszenia - afname
zmniejszenie się - dalen, kleiner worden, afnemen
zmniejszyć - verslappen, zich verpozen
zmniejszyć - inkorten, verminderen
zmniejszyć - afdraaien, verlagen
zmniejszyć (się) - bedaren, bekoelen, luwen
zmniejszyć napięcie - ontbinden, annuleren, afgelasten
zmoczyć - in de week zetten, weekmaken, weken
zmonopolizować - accapareren, opkopen
zmontować - vergaderen, samenkomen, bijeenkomen
zmontować (urządzenie) - vergaderen, samenkomen, bijeenkomen
zmontowanie - meeting, samenkomst, bijeenkomst
zmora - angstdroom, nachtduivel, incubus
zmowa - komplot, samenspanning
zmrok - halfdonker, schemer, schemerdonker
zmrożony - mat, mat-
zmuszać - verplichten, dwingen, noodzaken
zmuszać - stuwen
zmylić - bedrieglijk, illusoir
zmysł - betekenis, zin
zmysłowy - zinnelijk, wellustig, sensueel
zmyślony - verdicht, denkbeeldig, fictief
znachor - bedrieger, charlatan, kwakzalver
znaczący - doel, plan, bedoeling, strekking
znaczący - veelbetekenend, betekenisvol
znaczek - voorbode, voorteken, teken
znaczek pocztowy - muntstempel
znaczek pocztowy - port, frankering, porto
znaczenie - tal, aantal, getal
znaczenie - oneigenlijk, figuurlijk
znaczenie - doel, plan, bedoeling, strekking
znaczenie przenośne - oogwenk, moment, ogenblik, tel
znacznie - aanzienlijk
znacznik - dundoek, vaan, vlag
znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) - dundoek, vaan, vlag
znacznik stanu klienta - merken, tekenen
znacznik znak towarowy - dundoek, vaan, vlag
znaczny - geruim, aanmerkelijk, aanzienlijk
znaczyć - gemiddeld
znaczyć - importeren, invoeren
znać - kennen, bekend zijn met
znać się na - kennen, bekend zijn met
znajdować - vinden, treffen, bevinden, aantreffen
znajdować lokalizować - situeren, leggen, plaatsen
znajdować się - toegaan, voortgang hebben, gebeuren
znajomość - kennis, relatie, bekende
znajomość lokalnych warunków - bekendheid, kennis, kunde
znajomość rzeczy - kennis, relatie, bekende
znajomy - kennis, relatie, bekende
znak - voorbode, voorteken, teken
znak - zaadkorrel, korrel, pit
znak - merken, tekenen
znak - aard, karakter, geaardheid
znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. hash table mieszać - sterretje, asterisk
znak nowej linii - sterretje, asterisk
znak odstępu - mijlpaal
znak sterujący transmisją - aard, karakter, geaardheid
znak unikowy - voorbode, voorteken, teken
znak wodny - kogel
znak zabezpieczający - voorbode, voorteken, teken
znak zapytania - nauwgezet, nauwkeurig, accuraat
znak zastępowania - voorbode, voorteken, teken
znak zastrzeżony usługi - voorbode, voorteken, teken
znak zgłoszenia - aanleggen
znakomitość - beroemd persoon, beroemdheid
znakomity - kapitaal, vermogen
znakomity - eminent, uitstekend, aanzienlijk
znakomity - onbetaald, achterstallig
znaleźć - baseren, grondvesten, funderen
znaleźć - vinden, treffen, bevinden, aantreffen
znaleźć ukojenie w czymś - vinden, treffen, bevinden, aantreffen
znamię - merken, tekenen
znawca - beoordelen, oordelen, berechten
znawca - deskundig
znęcać się - gescheld
znęcanie się - gescheld
zniechęcać - afschrikken, verjagen
zniechęcić - afschrikken, verjagen
zniesienie - afschaffing
zniesławić - roddelen, kwaadspreken, belasteren
znieść - afschaffen
znieść (na dół) - afschaffen
znieść niewolnictwo - afschaffen
znieść yć - maag
zniewaga - beledigen, krenken, affronteren
znieważać - gescheld
znieważać - beledigen, krenken, affronteren
zniewolenia - lijfeigenschap, herendienst
znikać - verdwijnen, wijken
zniknięcia - verdwijning
zniknięcie - verdwijning
znikomy - onbeduidend, beuzelachtig, luizig
zniszczenie - afbraak, ontmanteling, sloop
zniszczenie - vernietiging
zniszczyć - doven, blussen, uitdoen, uitblussen
zniszczyć - vernietigen, verwoesten, vernielen
zniweczyć - vernietigen, verwoesten, vernielen
zniżka - afname
znosić - te wachten staan, afhalen, wachten
znosić - beklijven, duren, aanhouden
znowu - van voren af aan, nogmaals, opnieuw
znowu - opnieuw, van voren af aan, nogmaals
znużony - vervelend
zobacz - ontmoeten, aantreffen
zobacz - are, vierkante decameter
zobacz - tevreden, vergenoegd, voldaan
zobaczyć - ontmoeten, aantreffen
zobowiązanie - verplichting, plicht
zobowiązanie bitowe - verplichting, plicht
zobowiązując - bereidwillig, bereidvaardig
zobrazować - uitbeelden, verbeelden, afbeelden
zodiak - zodiak, dierenriem
zoo - dierentuin
zoolog - dierkundige, zoöloog
zoologia - zoölogie, dierkunde
zoologiczny - zoölogie, dierkunde
zorganizować - uitschrijven, regelen, organiseren
zorza - morgenlicht, aurora, morgenrood
zorza - Aurora
zorza polarna - Aurora
zorza polarna - morgenlicht, aurora, morgenrood
zostać - logeren
zostawać - achterblijven, nablijven
zostawać - overig, verder
zostawić - op reis gaan, afreizen
zranić - havenen, beschadigen, bederven
zraz - biefstuk, bief
zrazić - afschrikken, verjagen
zrąb aplikacji - kader, omlijsting, lijst, raam
zrezygnować - uittreden, aftreden, bedanken
zrezygnować - een miskraam krijgen, mislukken
zrezygnował - prijsgeven, afleggen, opgeven
zrezygnował - gemeen, immoreel, onzedelijk
zrobić afront - afsnauwen
zrobić pętlę - declaratie, aangifte, uitspraak
zrobić przerwę - pauzeren
zrobić sekcję - onderzoeken, nakijken, examineren
zrobić zapas - inspuiten, injecteren
zrobić zrzutkę - doen, aanmaken, bedrijven, maken
zrozumiałem - en
zrozumiały - begrijpelijk, bevattelijk
zrozumieć - bevatten, begrijpen, beseffen
zrozumienie - aanhouding, arrestatie
zrównać - aanleggen, aan de schouder brengen
zrównoważony - nuchter
zryw - barsten, splijten, scheuren
zrywać (kwiaty) - afrukken, plukken, afbreken
zrządzenie losu - lotsbestemming, bestemming, lot
zrzec się tronu - bedanken, neerleggen, afstand doen
zrzeczenie się - afstand, ontslagname, ontslagneming
zrzeczenie się (np. odpowiedzialności) - afstand, ontslagname, ontslagneming
zrzekać się - bedanken, neerleggen, afstand doen
zrzekać się (sterowania) - afstaan, het veld ruimen, toegeven
zrzeszać się - zich aaneensluiten, aansluiten
zrzędzić - mopperen, kankeren, morren, sputteren
zrzut zmian (zawartości pamięci) - stortplaats
zsiadać - afstijgen
zsługa - waard zijn, toekomen, verdienen
zsumować dodać - aanvuren, aanwakkeren, aansporen
zszyć - aanzetten, aannaaien, vastnaaien
zszywka - haakje, kramp, nietje, klamp
zuchwały - brutaal, gedurfd, stoutmoedig, stout
Zulus - Zoeloetaal, Zoeloe
zupa - soep
zupą - soep
zupełnie - alles wel beschouwd
zupełnie - heel, volkomen, totaliter
zupełnie - grondig, radicaal
zupełnie - helemaal, heel, finaal
zupełnie obcy człowiek - louter, enkel, bloot
zupełny - compleet, volledig
zupełny - uitdrukken
zupełny - volkomen, perfect, in optima forma
zużycie - longtering, tering, tuberculose
zużycie energii - voeren, dragen, brengen, voorhebben
zużywać - slopen, verbruiken, consumeren
zwabić - lekker, aanlokkelijk
zwabić - lokken
zwalczać - dwarsbomen, tegenwerken, belemmeren
zwariowany - geurig, aromatisch
zwarty - compact, dicht
zważać - verstand, geest, intellect
Zważyć, odważyć - het gewicht bepalen, wegen, afwegen
zwedzki - Zweeds
zwężać (się) - zeeëngte, nauw, kanaal, straat
Zwiastowanie - Annunciatie, Maria-Boodschap
zwiastun - voorbode, voorteken
związany - aanverwant, verwant
związek - bond, genootschap, associatie
związek - familiebetrekking, verwantschap
związek - informeren, berichten, inlichten
związek typu "jeden do wielu" - verwijzing, referentie
związek typu "jeden do wielu" - bond, genootschap, associatie
związek zawodowy - eerbiedigen, respecteren
zwichnąć (staw) - verrekken, ontwrichten, verstuiken
zwiedzać - spoken
zwiedzać - tournee, rondreis
zwiedzać - bezoeken, afgaan, opzoeken
zwiedzanie - bezoeken, afgaan, opzoeken
zwierak anty nadawanie-odbiór - binnenband, luchtpijp, luchtband
zwierak anty nadawanieodbiór - binnenband, luchtpijp, luchtband
zwierzać się - vertrouwen, toevertrouwen
zwierzchnictwo - dominion
zwierzę - troetelen, koesteren, vertroetelen
zwierzę - dier, beest
zwierzę - dierlijk
zwierzę pociągowe - dierlijk
zwierzęcy - dierlijk
zwierzyć się - vertrouwen, toevertrouwen
zwierzyna - spel
zwiędnąć - verflensen, kwijnen, verdorren
zwiększać - vermeerderen
zwiększać (się) - opdrijven, verheffen, ophogen
zwiększanie wyposażenia - uitzetting, expansie
zwięzły - kortstondig, kort
zwięzły - kernachtig, bondig, kort, beknopt
zwilżyć - vochtig
zwinąć - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
zwinny - bijtend, fel, guur, doordringend
zwlekać - aarzelen, schoorvoeten, dubben
zwlekać - verdagen, aanhouden, uitstellen
zwłaszcza - in het bijzonder, inzonderheid
zwłaszcza - inzonderheid, vooral, in het bijzonder
zwłaszcza - inzonderheid
zwłoce - neiging tot uitstellen
zwłoka - vertraging
zwłoki - lijk, kreng, kadaver
zwodniczy - bedrieglijk, illusoir
zwodzić kogoś - begoochelen, illusies wekken bij
zwolennik - leden
zwolnic wolny - onbezet, los, vlot, open, onbelemmerd
zwolnić - verslappen, zich verpozen
zwolnić (tempo) - ontzetten, royeren, ontslaan
zwolnić kogoś z pracy - loslaten, uitlaten, tappen, lossen
zwolnienie - ontslaan, ontzetten, royeren
zwołać - aanschrijven
zwołuj - uitschrijven, bijeenroepen, convoceren
zwołuj - aanschrijven
zwoływać - uitschrijven, bijeenroepen, convoceren
zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) - aanspannen, het juk opleggen
zwornik - gedachte
zwój - spoel, klos, bobine
zwój - klos, spoel, bobine
zwracać powrót - hergeven, reproduceren, teruggeven
zwracać się ( do kogoś) - adresseren
zwrotnikach - keerkring
zwrócić (do repozytorium) zgłosić się - affiche, aanplakbiljet, plakkaat
zwrócić pieniądze - hergeven, reproduceren, teruggeven
zwrócić uwagę - reproduceren, weergeven
zwycięstwa - victorie, zege, overwinning
zwycięstwo - victorie, zege, overwinning
zwyciężyć - veroveren
zwyczaj - usance, gewoonte, gebruik
zwyczaj - douane
zwyczajnie - gewoonlijk
zwyczajny - louter, enkel, bloot
zwyczajny - gewoon, gebruikelijk
zwykle - gewoonlijk
zwykle tekstowe - gewoonlijk
zwykły - gewoon, gebruikelijk
zwykły - ingeboren, aangeboren
zwykły - algemeen, gemeenschappelijk
zwykły - onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt
zwykły papier - algemeen, gemeenschappelijk
zwykły tekst - gewoon, gebruikelijk
zwymiotować - spugen, braken, overgeven, kotsen
zwyrodnieć - degenereren, ontaarden, verbasteren
zwyżka (cen) - inflatie
zygzak - zaagvormig
zygzakowaty - zaagvormig
zysk - verdienste, baat, winst, gewin
zysk na akcję - acquest, aanwinst, buit, prooi
zysk na akcję i ekwiwalent akcji - verdienste, baat, winst, gewin
zysk na akcję i ekwiwalent akcji - acquest, aanwinst, buit, prooi
zyskać - buit maken, verkrijgen, behalen
zyskać - acquest, aanwinst, buit, prooi
zyskać na czasie - verdienste, baat, winst, gewin


Ogólna liczba słów na literę Z :: 1457 ::

Podpalał stodoły zapałkami?
Mężczyzna podejrzany o podpalenie kilku stodół w gminie Pawłów został zatrzymany przez policję
Nie mamy czym się chwalić w promocji?
Tylko jeden projekt z naszego województwa wystartuje w prestiżowym konkursie na Festiwalu Promocji Miast i Regionów. Wpłynęły 173 propozycje, rekordzista, Śląsk, zgłosił 36. - To bardzo zła wiadomość - komentuje Jacek Kowalczyk z urzędu marszałkowskiego
Dzielny policjant nagrodzony
36-letni policjant z gminy Dwikozy, który uratował tonącego mężczyznę dostał nagrodę od komendanta.
Napadli, przystawili nóż. Są oskarżeni
Prokuratura Kielce-Wschód zakończyła śledztwo w sprawie napadu w centrum Kielc. Dwaj sprawcy, którzy pobili i okradli przechodnia staną wkrótce przed sądem

Losowy


ereldreiziger - obieżyświat (id:9740)
pzetten vullen, opvullen, - obijać (id:9741)
pzetten vullen, opvullen, - (meble) obijać (id:9742)
uiden interpreteren, uitleggen, - objaśniać (id:9743)
xplicatie toelichting, - objaśnienie (id:9744)
eken voorteken, voorbode, - objaw (id:9745)
erschijnsel symptoom, teken, - objaw (id:9746)
fwijking aberratie, - objazd (id:9747)
ondreis tournee, - objazd (id:9748)
auw zoel, - objętny (id:9749)
olume inhoud, geluidssterkte, - objętość (id:9750)
olume inhoud, geluidssterkte, - stała objętość (id:9751)
allen water het in floppen, - (egzamin) oblać (id:9752)
elegeren - oblegać (id:9753)
eleg belegering, - oblegać (id:9754)
iering - oblewanie (id:9755)



preparaty na trądzik
baseny
Hello Kitty Torba
angielski mp3
internet

Statystyki

Zwrotów: 21955

Losowy rekord:
ortig goor, benauwd, adellijk, muf, - zleżały (id:21378)
wartel - się zlęknąć (id:21379)
eetellen komen, aanmerking in - zliczanie (id:21380)
pheffen liquideren, afwikkelen, - zlikwidować (id:21381)
laatsen leggen, situeren, - zlokalizować (id:21382)
oorn boosheid, gramschap, - zlość (id:21383)
oorn boosheid, gramschap, - zenie zlość (id:21384)
amenkomst meeting, bijeenkomst, - zlot (id:21385)
fbreken - złamać (id:21386)
akken kappen, houwen, - (zabezpieczenie złamać (id:21387)
akken kappen, houwen, - zabezpieczenie złamać (id:21388)
ettertype gotisch breuk, - złamania (id:21389)


News


Dzielny policjant nagrodzony
36-letni policjant z gminy Dwikozy, który uratował tonącego mężczyznę dostał nagrodę od komendanta.
Napadli, przystawili nóż. Są oskarżeni
Prokuratura Kielce-Wschód zakończyła śledztwo w sprawie napadu w centrum Kielc. Dwaj sprawcy, którzy pobili i okradli przechodnia staną wkrótce przed sądem
Centrum Bajki w TVN Uwaga
Europejskie Centrum Bajki im. Koziołka Matołka w Pacanowie będzie bohaterem sobotniego programu TVN Uwaga.
Zwłoki w strumieniu
Zwłoki 43-letniego mieszkańca Skarżyska znaleziono w czwartek po południu w strumieniu na peryferiach tego miasta.
Pijany kierowca złapany na Żytniej. Ktoś doniósł
Dziś w nocy policjanci z komisariatu II zatrzymali na ul. Żytniej pijanego kierowcę chryslera. Badanie alkomatem wykazało ponad 2 promile alkoholu w organizmie.
Toalety z zaoszczędzonego VAT-u
Dwa miliony złotych odzyskane z podatku VAT przy przebudowie amfiteatru na Kadzielni Geopark Kielce wyda na urządzenie toalet, które będą służyć nie tylko widzom, ale też turystom i spacerowiczom.