Losowy
ddel werktuig, - graficznym interfejsem z narzędzi (id:8995)
użytkownika (id:8996)
rceren opdringen, - narzucać (id:8997)
dringen zich opdringen, zich - się narzucać (id:8998)
rceren opdringen, - komuś się narzucać (id:8999)
vengronds gevuld, lucht met lucht-, - narzut (id:9000)
ngerhoedje vingerhoed, - nasadka (id:9001)
ad - nasienie (id:9002)
isteren beluisteren, aanhoren, - nasłuchiwać (id:9003)
n zijn gevolg het afstammen, - nastają (id:9004)
komstig - nastając (id:9005)
vent - nastanie (id:9006)
apteren afstemmen, aanpassen, - ustalać wstępnie n (id:9007)
apteren afstemmen, aanpassen, - nastawić (id:9008)
stelling afstelling, - nastawienie (id:9009)
uding - nastawienie (id:9010)
lgens handelen opvolgen, - (
komeling afstammeling, nazaat, - następca (id:9012)
arna achteraf, dan, naderhand, - następnie (id:9013)
ch ergo, dus, weer, ook - następnie (id:9014)
rstkomend naast, - następny (id:9015)
Menu
Najnowsze (50)Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna
Kategorie
Losowy:
otaczać - omringen, omgeven, insluiten
otaczać murem - muur, wand
otarcie (skóry) - afschaving
otarcie skóry - gal, plantengal, galnoot
otchłań - afgrond, kolk
Znalezione tłumaczenia na literę W:
w - per, in, te, binnen
w (pewnych) granicach - feeëriek
w biedzie - samen, tezamen, bijeen, ineen
w budowie - volkomen, totaliter, heel
w charakterze - drachtig, zwanger
w czasie - aanhangig
w dobrym guście - ander
w domu - waas, nesthaar, dons
w dół - waas, nesthaar, dons
w dużej mierze - tegenwoordig
w dużym stopniu - tegenwoordig
w gniewie - op, omhoog, naar boven, opwaarts
w gotowości - omhoog, opwaarts, op, naar boven
w górę - boven
w górę i w dół - boven
w górze - omhoog, opwaarts, op, naar boven
w każdym wypadku - met de klok mee, rechtsom
w każdym wypadku - aan, tegen, voor, tot, bij, naar
w kierunku obrotu wskazówek zegara - met de klok mee, rechtsom
w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara - voorspeler, aanvaller
w końcu - geruit, geblokt
w kraju i za granicą - geruit, geblokt
w kropki - spelonk, krocht, hol, grot, holte
w którym - zitkamer, huiskamer, woonkamer
w którym najwięcej się przebywa - archief
w lombardzie - op bed
w napięciu - hiervandaan, vanhier
w plamy/cętki - gloeiend, vurig, verterend, verzendend
w płomieniach - circulerend, in omloop
w płomieniach - hiernaast, ernaast, daarnaast
w pobliżu - louter, alleen, verlaten, enig
w połowie drogi - over, overheen, aan de overkant van
w porównaniu z - goed, okay, okee
w potrzebie - rechter-, vandehands
w przeciwieństwie do - ander
w przybliżeniu - ongeveer, een stuk of, circa
w razie uszkodzenia niektórych - bijgevolg, dus, derhalve, zodoende
w rzeczywistości - inderdaad, metterdaad, waarachtig
w stosunku do - lafhartig, laf, bang
w strachu - zinnebeeld, symbool
w systemie AutoCAD - van middelbare leeftijd
w środku - per, te, in, binnen
w tej chwili - iets
w twoim wieku - achteruit, achterwaarts, rugwaarts
w tyle - achteruit, achterwaarts, rugwaarts
w tym celu - inclusief, inbegrepen, incluis
w wielu wypadkach - bijgevolg, dus, derhalve, zodoende
w wyniku - hierbij
w zwrocie
w zwrocie
w zwrocie:
w zwrocie:
w żadnym wypadku - in, te, binnen, per
w żałobie - per, in, te, binnen
wabić - lokken
wabić - lekker, aanlokkelijk
wabić - verlokken, weglokken, verleiden
wabik - aas, lokaas
wachlarz - aanwakkeren, aanvuren, aanzetten
wada - nadeel, schaduwzijde, minpunt
wada - schuld
wada w zabezpieczeniach - nadeel, schaduwzijde, minpunt
wada wymowy również jąkanie - schuld
wadą - nadeel, schaduwzijde, minpunt
wadliwe działanie - uitvallen, haperen, stuk gaan
wadliwy - kwaadaardig, boosaardig, hatelijk
wafel - wafeltje
waga - gewicht
waga - het gewicht bepalen, wegen, afwegen
waga - weegschaal, balans, waag
waga półciężka (w boksie) - saldo, overschot
waga półciężka (w boksie) - gewicht
wagon - bestelauto, bestelwagen
wagon - affuit
wagon - automobiel, auto
wagon (towarowy) - wagon, spoorwagen
wagon bagażowy - bagagewagen
wagon sypialny - slaaprijtuig, slaapwagen
wagon towarowy - wagon, spoorwagen
wagonik - trolley, beugel
wahać się - zweven
wahać się - aarzelen, schoorvoeten, dubben
wahać się (w podjęciu decyzji) - aarzelen, schoorvoeten, dubben
wahania - geweifel, hapering, aarzeling
wahanie się - geschommel, schommeling
wakacje - vakantie
wakacje (ferie) - verlof, vrijaf
walc - wals
walce - worstelen, spartelen, zich aftobben
walczyć - strijden, kampen, strijd voeren
walec - rol, cilinder
waleczny - flink, braaf, eerlijk, dapper, ferm
walet - vijzel, dommekracht, krik
Walia - Wales
walić głową w mur - dichtslaan
Walijczyk - Welshman
walijski - Wels
walizce - valies, handkoffer, koffer
walizka - valies, handkoffer, koffer
walka - strijden, kampen, strijd voeren
walka wręcz - beetnemen, beetpakken, pakken
walka wręcz - worstelen, spartelen, zich aftobben
waluta - muntsoort, valuta
Wał - dijk, waterkering
wał obronny - bastion, bolwerk, wal, omwalling
wał ochronny - loopgraaf
wał ochronny - waterkering, dijk
wałek do włosów - rol, cilinder
wandal - vandaal, straatschender
wanilia - vanille
wanilią - vanille
wanna - bak, tobbe, teil, kuip
wanna - bad, badkuip
wapno - kalk
wapno palone - kalk
war - gloed, vuur
warcaby - damspel
warcie - waarde, gehalte
warczeć - kankeren, mopperen, sputteren, morren
wardze - lip
warga - lip
wariant wariantowy (typ danych) - dalen, kleiner worden, afnemen
wariat - bezetene, gek, krankzinnige
warknąć - kankeren, mopperen, sputteren, morren
warkocz - vlechten
warkocz - vlechten
warstwa - jas, overjas
warstwa - aardlaag
warstwa zubożona - aardlaag
warstwą - dikte, lijvigheid
warszat programisty środowisko robocze - rek, bank, schraag, ezel, bok
Warszawa - Warschau
warsztacie - rek, bank, schraag, ezel, bok
warsztat - winkel, zaak
warsztat - werkplaats
wart - waardig, eerzaam, waar
wart - waarde, gehalte
warta - bewaken, de wacht hebben, bewaren
wartki - gezwind, haastig, gauw, spoedig, snel
wartościowa cecha - prooi, buit, acquisitie, aanwinst
wartościowy - kostbaar, waardevol
wartościowy - zeldzaam
wartość - overschatten, overwaarderen
wartość - waarde, gehalte
wartość skuteczna - gemiddeld
wartość systemowa - spits, punt, top, tip, neus, piek
wartość wyjściowa - waard zijn, toekomen, verdienen
wartość znamionowa - waarde, gehalte
wartość źródłowa porządku - waarde, gehalte
wartownik - schildwacht, wacht
warunek - conditie, voorwaarde, bepaling
warunek - bevoegdheid, kwalificatie
warunek - kwestie, vraag, navraag
warunek - term, vakterm
warunek wstępny (konieczny) - verzekeren, beweren
warunek wystąpienia błędu - voorwaarde, clausule, bepaling
warunek wyszukiwania - voorwaarde, clausule, bepaling
warunek złożony - conditie, voorwaarde, bepaling
warunkować - conditie, voorwaarde, bepaling
wasoryt - ets
wasz - het jouwe, de jouwe
wasz - je, jouw
wat - watt
wat - watt
wata - watten
watolina - watten
watroba - lever
wawrzyn - laurier, lauwer
waza - vont, bekken, kom
wazelina - vaseline
wazon - vont, bekken, kom
wazon - vaas, vat, pot, pul
ważce - libel, waterjuffer, juffertje
ważka - libel, waterjuffer, juffertje
ważki - gangbaar, geldig, geldend, vigerend
ważność - relevantie
ważny - erg, ernstig, belangrijk, voornaam
ważny - gangbaar, geldig, geldend, vigerend
ważny (posiadający moc prawną) - stoffelijk, materieel
ważyć - het gewicht bepalen, wegen, afwegen
wąchać - reuk, geur, luchtje, lucht
wąs - snor, knevel
wąski - smal, bekrompen, eng, krap, nauw
wąski - zeeëngte, nauw, kanaal, straat
wąski zawęzić (np. zbiór przeszukiwanych informacji) - zeeëngte, nauw, kanaal, straat
wąsy - snor, knevel
wątek - draad, garen
wątek zablokowany - draad, garen
wątły - zwak, licht
wątpić - dubben, twijfelen, in dubio staan
wątpliwość - dubben, twijfelen, in dubio staan
wątpliwy - discutabel, twijfelachtig, dubieus
wątpliwy - aanvechtbaar, betwistbaar
wątroba - lever
wąż - slang
wąż - slang
WC - WC, watercloset
wcale iać - erg, bijster
wchłaniać - in beslag nemen, opslorpen, absorberen
wchłaniający - absorberend
wchłanianie - absorptie, opslorping
wchodzić (na statek - aanklampen, zich vastklampen aan
wchodzić na pokład - aanklampen, zich vastklampen aan
wciągać na listę - uitlisten, een lijst maken
wciągnąć w zasadzkę - een hinderlaag leggen
wciąż - altijd, immer, steeds
wciąż - herhaaldelijk, meermaals
wciąż - nog
wciąży - drachtig, zwanger
wcięcie - inspringen
wciskać kit - doen toekomen, sturen, opsturen
wczasy - snipperdag, vakantiedag, rustdag
wczesny - vroegtijdig, pril, vroeg
wczesny - jeugdigheid, jeugd
wczesny rozwój talentów - vroegtijdig, pril, vroeg
wcześnie - vroegtijdig, pril, vroeg
wcześniejszy - voorafgaand, verleden, voorgaand
wczoraj - gisteren
wczoraj wieczorem - gisteren
wczorajszy dzień - gisteren
wdowa - weduwe
wdowca - weduwnaar
wdowiec - weduwnaar
wdychać - ophalen, inademen
wdychać - inspireren, bezielen, inboezemen
wdzięczność - erkenning
wdzięczność - erkentelijkheid, dankbaarheid
wdzięczny - gracieus, bevallig, sierlijk
wdzięczny - dankbaar, erkentelijk
wdzięk - sierlijkheid
wdzięk - Gratie
wdzięk - sierlijkheid
we-wy odwzorowane w pamięci - Io
według - sedert, met ingang van, vanaf
według stałych kursów walut - uur
wedrzeć się - doordringen, binnendringen, doorstoten
wegetariański - vegetarisch
wejścia - deuropening
wejścia - entree, ingang, toegang
wejścia - aanmelding
wejście - invoer
wejście - aanmelding
wejście - deuropening
wejście - entree, ingang, toegang
wejście radaru dalekiego zasięgu - invoer
wejście z klawiatury - uitgeven, emitteren
wejście zegarowe - invoer
wejście zerowe - aanmelding
wejście/wyjście danych - deuropening
wejście/wyjście danych - entree, ingang, toegang
wejść - naar beneden gaan, afdalen
wejść w życie - indoen, insteken, steken
weksel - wissel, cambio
welon - omsluieren, sluieren
wełna - wollen
wełną - wollen
wenecjanin - Venetiaans
wentyl - verhandelen, tappen, overdoen
wentylator - aanwakkeren, aanvuren, aanzetten
wentylator - ventilator, wan
Wenus - Venus
weranda - veranda
werandą - buigen, overhellen, hellen, aflopen
werandą - veranda
werbować - dienst nemen
werbował - dienst nemen
werdykcie - judicium, sententie, uitspraak, vonnis
werdykt - judicium, sententie, uitspraak, vonnis
wersja - uitvoering, versie
wersja o średniej szybkości - afkorting, verkorting
wersja zapoznawcza - uitvoering, versie
wersja zapoznawcza - aroma, geur
wersja zapoznawcza - op smaak brengen, kruiden
weryfikować - controleren, checken, aflezen
weryfikował - controleren, checken, aflezen
wesele - bruiloftsfeest, bruiloft
wesoły - snaaks, schelmachtig, guitig, dartel
wesoły - goedgeluimd, goedgehumeurd
wesoły - keurig, monter
wesoły - goedgeluimd, goedgehumeurd
wesoły - lustig, vrolijk, monter
westchienie - zuchten, kreunen
westchnąć - zuchten, kreunen
westchnienie - zuchten, kreunen
western - westers, Westers, westelijk
western - westen
western - west, westen
western - west
wesz - luis
weteran - veteraan, oudgediende
weterynarz - dierenarts
wewnątrz - binnen, in, per, te
wewnątrz - per, te, in, binnen
wewnątrz ośrodka - per, in, te, binnen
wewnątrz siedziby - binnen, in, per, te
wewnętrzny - binnenste, binnenlands, intern
wewnętrzny - binnenste, inwendige
wewnętrzny - intern, binnenlands, binnenste
wewnętrzny - binnenlands, inheems, inlands
wewnętrzny test po włączeniu - binnenste, binnenlands, intern
wewnętrzny test po włączeniu - aanplakken
wewy odwzorowane w pamięci - Io
wezwania - dagvaarding, exploot, assignatie
wezwanie - dagvaarding, exploot, assignatie
wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) - trotseren, tarten, uitdagen, uittarten
węch - stinken, vies ruiken
wędrować - rondtrekken, trekken, rondreizen
wędrować - rondreizen, rondtrekken, trekken
wędrować - trekken, rondtrekken, rondreizen
wędrował - rondtrekken, trekken, rondreizen
wędrowiec - rondreizen, rondtrekken, trekken
wędrownik - rondtrekkend, trekkend, migrerend
wędrówka - rondreizen, rondtrekken, trekken
węgiel - kool, steenkool
węgiel drzewny - dovekool, houtskool
Węgier - Hongaars
węgierski - Hongaars
węgorz - aal, paling
Węgry - Hongarije
węzeł - stropdas, das
węzeł - knopen, een knoop leggen
węzeł - hoek
węzeł (graficzny na krzywej składanej) - knopen, een knoop leggen
węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) - geleding, knoop, knoest, knooppunt
węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) - knopen, een knoop leggen
węzeł graficzny na krzywej składanej - knopen, een knoop leggen
węzeł kolejowy - aansluiting
węzeł o wielu podłączeniach - gastheer
węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę - knopen, een knoop leggen
węzłowaty - mysterieus, geheimzinnig
wężownica - spoel, klos, bobine
whisky - whisky
whisky - whisky
whisky słodowa - mout
wiać - houw, flap, slag, mep, klap
wiadomości - nieuws, nieuwigheid, nieuwtje
wiadomość - bericht, boodschap
wiadomość - nieuws, nieuwigheid, nieuwtje
wiadomość - woord, bewoording
wiadomość dnia - bericht, boodschap
wiadomość itp.) - bericht, boodschap
wiadomość jawna - bericht, boodschap
wiadomość odbita - communiqué
Wiadro - emmer
wiadro na węgiel - emmer
wiadro na węgiel - emmer
wiara - overtuiging
wiara - geloof, fiducie, vertrouwen
wiarą - overtuiging
wiarą - geloof, fiducie, vertrouwen
wiarygodny - authentiek, echt, onvervalst, waar
wiatr - op een klos winden, winden, spoelen
wiatr północno-zachodni - op een klos winden, winden, spoelen
wiatr północnozachodni - op een klos winden, winden, spoelen
wiatrówka - luchtdrukgeweer
wiąz - iep, olm
wiązać - stropdas, das
wiązać - inbinden, binden
wiązać koniec z końcem - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
wiązanie - strip, reep, band, strook, windsel
wiązanie walencyjne - strip, reep, band, strook, windsel
wiązanka - bos, wis, bundel
wiązka - mutserd, brandstapel, mutsaard
wiązka - bundel, wis, bos
wiązka - bos, wis, bundel
wiązka (np. chrustu) - mutserd, brandstapel, mutsaard
wiązka elektronów - straal, spaak
wiązka światłowodowa - bos, wis, bundel
wiążący - strip, reep, band, strook, windsel
wibracja - vibratie, trilling
wibracją - vibratie, trilling
wibrować - trillen, vibreren
wibrował - trillen, vibreren
wice - subsidiair, plaatsvervangend
wiceprezes - vice-president, ondervoorzitter
wiceprezydent - vice-president, ondervoorzitter
widelec - kruis, vork
widełki - kruis, vork
widły - kruis, vork
widnokrąg - kim, horizon, gezichtseinder
widocznie - in schijn, naar het schijnt
widocznie - klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk
widocznie - klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar
widoczny - aanwijsbaar, vertoonbaar
widoczny - zichtbaar
widoczny dostępny - naar buiten, eruit, buitenwaarts
widok - gezicht, visioen, droombeeld
widok - richtmiddel, zoeker, vizier
widok - onderzoeken, nakijken, examineren
widokówka - briefkaart
widowisk - bril
widowiska - spektakel, kijkspel, schouwspel
widowisko historyczne - spektakel, kijkspel, schouwspel
widownia - toehoorders, gehoor, auditorium
widownia (w teatrze) - geslacht, pand, huis
widz - toeschouwer
widzenie - gezicht, visioen, droombeeld
widzieć - ontmoeten, aantreffen
widzieć się - interviewen
widzowie - toehoorders, gehoor, auditorium
wieczne pióro - vulpen
wieczność - eeuwigheid
wieczność - onvergankelijkheid, eeuwigheid
wieczny - eeuwig
wieczór - avond
wieczór - nacht
Wiedeń - Wenen
wiedeński - Weens
wiedza - bekendheid, kennis, kunde
wiedzą - bekendheid, kennis, kunde
wiedzieć - kennen, bekend zijn met
wiedźma - kol, tovenares, toverheks, heks
wieę - ergo, dus, ook weer, toch
wiejski - landelijk, boers
wiek - leeftijd, ouderdom
wiek - eeuw
wiek dojrzewania - leeftijd, ouderdom
wiekowy - oud
wielbiciel - vriendin, vrijster, geliefde, minnares
wielbiciel - vereerster, aanbidster
wielbiciel - bewonderaarster, vereerster
wielbiciel corridy - bewonderaarster, vereerster
wielbłąd - kemel, kameel
wiele - kavel, perceel
wiele - menig, veel, vele
wiele - veel
Wielkanoc - Pasen
wielki - tof, tiptop, excellent, kostelijk
wielki stopień scalenia - groots, grandioos, overweldigend
wielki stopień scalenia - groot
wielkoduszny - nobel, edel
wielkość - omvang, bestek, grootte
wielkość - hoeveelheid, boel, sterkte, grootheid
wielkość wejściowa równoważna szumom - omvang, bestek, grootte
wielkość wyjściowa - grootte, bestek, omvang
wielokrotnie - herhaaldelijk, meermaals
wielokrotność multiplexer - veelvoud
wielokrotny - veelvoud
wielokrotny strumień rozkazów - wielokrotny strumień danych - veelvoud
wielonarodowy - multinationaal
wielopak - kruisband, wikkel, banderol
wieloraki - veelvoud
wieloryb - walvis
wielozadaniowość - multitasking
wieniec - bekronen, kronen
wieniec - slinger, guirlande, slingerkrans
wieność (zasadom) - grip, adhesie
wieńca - slinger, guirlande, slingerkrans
wieprzowina - varkensvlees
wieprzowiną - varkensvlees
wiercenie - dom, simpel, onnozel, flauw
wiercić - aanboren
wiercić się - boren
wierna (kopia) - juist, gelijk hebbend, gegrond
wierność (odtwarzania) - accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid
wierny - trouw, getrouw
wierny - bestendig, constant, gestaag
wiersz - vislijn, snoer, sim, hengelsnoer
wiersz - roeien
wiersz - strofe, couplet
wiersz na minutę - wit, blanco, oningevuld, blank
wiersz zależny - strofe, couplet
wierszyk - rijmen, berijmen
wiertarka - boren
wierzba - wilg
wierzbą - wilg
wierzch - bovenste
wierzch górny - piek, top, neus, tip, punt, spits
wierzchołek - geleding, knoop, knoest, knooppunt
Wierzenie - overtuiging
wierzyć - houden voor, menen, geloven
wieszać - hangen
wieś - platteland, open veld
wieś - plaats, dorp
wieśniak - boer, landman, plattelander
wieśniak - boer, plattelander, landman
wietrzyć - frisse lucht toewaaien, wannen, waaien
wietrzyk - bries, trilgras
wietrzyk - zefier
wiewiórce - eekhoorn
wiewiórka - eekhoorn
wieźć - aanreiken, aangeven, afdragen
wieża - toren
wieża metalowa - toren
wieża strzelista - toren
więc - ergo, toch, ook weer, dus
więc - ergo, dus, ook weer, toch
więcej - meer
więcej informacji na ten temat można znaleźć w... - meer
więdnąć - vervagen
większość - meerderheid, meerderjarigheid
więzienia - nor, kerker, gevangenis
więzienia - gevangenis, kerker, nor
więzienie - gevangenis, nor, kerker
więzienie - gevangenis, kerker, nor
więzienie - nor, kerker, gevangenis
więzień - gevangene
więź - stropdas, das
więź - monteren, zetten
więź - aanhechting
więź enie - binding, band
więźienie - nor, kerker, gevangenis
wigor - sap
wij - duizendpoot
wikary - pastoor
wilczur - Elzassisch
wilgoć - vochtig
wilgoć - vochtig maken, bevochtigen
wilgoć - condens, aanslag
wilgotny - nat
wilgotny - vochtig
wilgotny - vochtig
wilk - wolf
willa - buitenverblijf, buiten, landhuis
wina - schuld
wina - schuld
winą - schuld
winą - aanrekenen, toeschrijven, toedichten
winda - lift
winić - aanrekenen, toeschrijven, toedichten
winien - schuldig
winnica - wijngaard
winnicą - wijngaard
winny - schuldig
wino - wijn
wino hiszpańskie - sherry, xeres
winogrono - druif
winorośl - wijnstok, wingerd
winorośl - wijngaard, wijnberg
winowajca - schuldige, dader
wiolonczela - cello, cel, violoncel
wiosce - vlek, gehucht, buurtschap
wiosełko - peddelen, door het water plassen
wioska - vlek, gehucht, buurtschap
wiosło - peddelen, door het water plassen
wiosło - riem, roeiriem, roeispaan
wiosłować - riem, roeiriem, roeispaan
wiosłować - peddelen, door het water plassen
wiosna - springen
wiosna - opborrelen, opwellen, ontspringen
wiosna - lente, voorjaar
wioślarz - riem, roeiriem, roeispaan
Wiór - kling, lemmer, lemmet
wiór - bikken, afbikken
wir - doorroeren, roeren, omroeren
wir (efekt graficzny) - warrelen, wervelen, dwarrelen, kolken
wirnik - hardloper
wirować - spinnen
wirowania - warrelen, wervelen, dwarrelen, kolken
wirtualny - virtueel
wirtualny terminal sieciowy - werkelijk, effectief, daadwerkelijk
wirus - virus
wirus utajniony - virus
wisieć - hangen
wist (gra w karty) - whist
wist gra w karty - whist
wiśnia - kers
witać - groeten, begroeten
witać - feestelijk inhalen
witalny - vitaal
witamina - vitamine
wiwatować - aanhechtsel, affix
wiza - visum
wizą - visum
wizerunek - afbeelding, prent, plaat
wizja - gezicht, visioen, droombeeld
wizja - uitzicht
wizja na fali ciągłej - gezicht, visioen, droombeeld
wizować - visum
wizualny - zichtbaar
wizycie - bezoeken, afgaan, opzoeken
wizyta - bezoeken, afgaan, opzoeken
wizyta (na stronie WWW) - slaan, kloppen, houwen, klappen
wizyta powtórna - bezoeken, afgaan, opzoeken
wizyta próbna - bezoeken, afgaan, opzoeken
wizytator - inspecteur
wizytator - bezoeker
wkleić - aanplakken
wkleić - in, te, binnen, per
wklęsłość - houder, schede, foedraal
wklęsły - ingevallen, hol
wklęsły - hol, ingevallen
wkład - invoer
wkład - afgeven, deponeren, in bewaring geven
wkład - bijdrage
wkładce - insteken, steken, indoen
wkładka - insteken, steken, indoen
wkoło - om ... heen, omtrent, ongeveer, om
wkoło - ronde
wkrótce - dra, haast, gauw, alras, spoedig
wlec - trekken
wliczając w to - inclusief, inbegrepen, incluis
wliczyć - bevatten, inhouden, behelzen
władać - bestuur, heerschappij, bewind
władca - oppermachtig, soeverein, oppermachtig
władca - liniaal
władca - onder de knie krijgen, meester worden
władca - lord
władza - autoriteit, gezag
władza - heerschappij, macht, mogendheid
władza kierownicza - autoriteit, gezag
władzy) - afvaardiging, delegatie
włamywacz - inbreker
własne dzieło - handwerk
własność - bezitting, eigendom, bezit
własność domkniętości - landgoed, boerderij, bezitting
własność gwiazdy - bijvoeglijke bepaling, attribuut
własność obiektu - landgoed, boerderij, bezitting
własność otaczająca - eigendom, eigendomsrecht
własny - rijk zijn, bezitten, erop nahouden
własny - usance, gewoonte, gebruik
właściciel - eigenaar
właściciel ziemski - schede, foedraal, houder
właściciel ziemski - eigenaar
właściciel ziemski - chaperonneren
właściwie - een klein beetje, lichtelijk, ietwat
właściwie - inderdaad, metterdaad, waarachtig
właściwość - bijvoeglijke bepaling, attribuut
właściwość - landgoed, boerderij, bezitting
właściwość charakterystyka - aanwensel, hebbelijkheid
właściwość obiektu - eigenschap
właściwy - rechter-, vandehands
właściwy - gemakkelijk, geschikt, doelmatig
właściwy - adequaat, bijbehorend
właśnie - precies, nauwgezet, accuraat
właśnie - grondig, radicaal
włączać grupa - nestelen, een nest maken
włącznie - incluis, inclusief, inbegrepen
włączyć - smeden
włąsnoręcznie - uzelf, jijzelf
Włoch - Italiaans
włochaty - harig, ruig, ruigharig
Włochy - Italië
włos - haardos, haar
włoski - Italiaans
włosy - haardos, haar
włosy blond - blond
włóczędze - zwerver, vagebond
włóczęga - zwerver, vagebond
włóczyć się - rondreizen, rondtrekken, trekken
włókno - zaadkorrel, pit, korrel
włókno - vezel
włókno - vezel
włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona - aan de grond lopen, stranden
wnęka - baai, inham, kreek
wnęka - hol, uitholling, holte
wnęka na moduły - zak
wnęka napędów - nis
wnęka wstąpienie - pauze, rust
wnętrze - per, te, in, binnen
wnętrze - binnenste, inwendige
wnieść udział - bijdragen
wnikać - doordringen, binnendringen, doorstoten
wnikliwość - guurheid, schelheid, felheid
wnikliwy - scherp, acuut, helder, voorbijgaand
wniosek - gevolgtrekking, conclusie
wniosek - uitgang, uiteinde
wniosek - vragen, aanvragen, inroepen, verzoeken
wniosek - onderstelling, hypothese, mening
wnioskować - besluiten, afleiden, concluderen
wnioskować - deduceren, afleiden, abstraheren
wnioskowanie - conclusie, gevolgtrekking
wnioskowanie wniosek - conclusie, gevolgtrekking
wnosić udział - bijdragen
wnuczce - kleindochter
wnuczka - kleindochter
wnuk - kleinkind, kleinzoon
woda - water
woda utleniona - water
wodą - water
Wodnik - Waterman
Wodnik (znak zodiaku) - Waterman
wodny - water-
wodny - water
wodorost - alge, wier, zeewier
wodorosty - zeewier, alge, wier
wodospad - waterval
wodować (statek) - uitschrijven, lanceren, ontketenen
wodować statek - uitschrijven, lanceren, ontketenen
wojenny - oorlog, krijg
województwa - gouvernement
województwo - gouvernement
wojna - oorlog, krijg
wojna domowa - civiel
Wojna Światowa - aardrijk, wereld
wojsko - heerschaar, leger, legermacht
wojsko - troep
wojskowość - militair
wojskowy - militair
wokoło - om ... heen, omtrent, ongeveer, om
wokół - om ... heen, omtrent, ongeveer, om
wola - uiterste wil, verbond, testament
wolcie - volt
woleć - prefereren, de voorkeur geven aan
wolna przestrzeń - bestek, wereldruim, speling, ruimte
wolno - op zijn gemak, zachtjes, langzaam
wolnonośny - kramp, haakje, klamp, nietje
wolność - vrijdom, vrijheid, vlotheid
wolny - onbezet, los, vlot, open, onbelemmerd
wolny - ontzien, sparen
wolny od cła - immuun, onvatbaar, resistent
wolny od cła - langzaam
wolny od podatków - vrij, onbezet, leeg, open
wolny od podatków - onbezet, los, vlot, open, onbelemmerd
wolt - volt
wolumen - geluidssterkte, inhoud, volume
wolumin - geluidssterkte, inhoud, volume
wołać - noemen, heten, benoemen, uitmaken voor
wołowina - klapstuk, rundvlees
wołowiną - klapstuk, rundvlees
wołowy - koe, rund
wonny - stinkend
woń - geur, aroma
worek - ontzetten, ontslaan, royeren
worek - tas, zak
wosk - bijenwas
wosk - schoensmeer, schoencreme
wosk pszczeli - schoensmeer, schoencreme
woskować - schoensmeer, schoencreme
wozić - dragen, voorhebben, voeren, brengen
wódka - wodka
wódz - aanvoerder, commandant
wódz (plemienia) - aanvoerder, baas, gebieder, chef
wół - richten, besturen, dirigeren, mennen
wówczas - ook weer, dus, ergo, toch
wóz - affuit
wóz - automobiel, auto
wózek - affuit
wózek - kar, wagen, handkar, karretje
wózek - trolley, beugel
wózek inwalidzki - vrachtauto, truck, vrachtwagen
wpajać - doortrekken, verzadigen
wpatrywać się - staren, turen, aanstaren
wpisać - indoen, insteken, steken
wpisywać - drukletter
wpisywanie - geschrift, schriftuur
wplątać - verwarren, betrekken, verstrikken
wplątywać (kogoś w coś) - verwarren, betrekken, verstrikken
wpłata - transfer, afdracht
wpłata - afbetaling
wpływ - aandoen, aangrijpen
wpływ na wydajność (zwykle ujemny) - invloed hebben op, beinvloeden
wpływać - invloed hebben op, beinvloeden
wpływać - zwiepen, zwieren, zwaaien, slingeren
wpływać na - aandoen, aangrijpen
wprawa - aanwenden, doorvoeren
wprawdzie - toegegeven
wprawiać w zdumienie - verwonderen, bevreemden, verbazen
wprawić w ruch - functioneren, het doen
wprawić w zakłopotanie - in verlegenheid brengen
wprost - daarvoor, eerder, vooraan, indertijd
wprowadzać - uitvoeren, presenteren, indienen
wprowadzać w błąd - indoen, insteken, steken
wprowadzać w błąd - begoochelen, illusies wekken bij
wprowadzenie - inleiding, introductie
wprowadzenie na urząd - inleiding, introductie
wprowadzenie w życie realizacja - inleiding, introductie
wprowadzić - indoen, insteken, steken
wprowadzić - aanspannen
wprowadzić w życie - uitvoeren, presenteren, indienen
wrażenia - klapstuk, sensatie
wrażenie - indruk, effect
wrażenie - effect, indruk
wrażliwy - gunning, aanbesteding
wrażliwy - gevoelig, ontvankelijk, receptief
wrażliwy - verstandig
wrażliwy - receptief, gevoelig, ontvankelijk
wreszcie - eindelijk, ten slotte, per saldo
wręczać - afleveren, leveren, bestellen
wrodzony - natuurlijk
wrodzony - ingeboren
wrodzony - aangeboren, ingeboren
wrodzony - aangeboren, ingeboren
wrogi - vijandelijk, vijandig
wrogość - vijandschap, animositeit, vijandigheid
wrona - bonte kraai, kraai
wrota - haven
wrota - draaihek
wróbel - mus
wrócić - hergeven, reproduceren, teruggeven
wróg - vijand
wróżba - teken, voorbode, voorteken
wrzask - gillen, bulderen, bleren, brullen
wrzask - gil, schreeuw, krijs
wrzawa - lawaai, herrie, ophef, leven, rumoer
wrzeciono - spoel
wrzeć - op het kookpunt zijn, borrelen, koken
wrzesień - september, herfstmaand
wrzeszczeć - gil, schreeuw, krijs
wrześien - september, herfstmaand
wrzos - dopheide, dophei
wrzosowiska - heideveld, heide
wrzosowisko - Mauretaniër
wrzosowisko - aanbinden, meren
wrzosowisko - Moriaan, Moor
wrzosowisko - onderbinden
wrzód - ettergezwel, abces, etterbuil
wrzód - zweer
wrzucić(np. plik na serwer) - uploaden
wsadowy interpreter poleceń - schild, rugschild, schaal
wschodni - oosters, oostelijk
wschodni - oosters, oostelijk
wschodni - oriënt, oosten
wschodni - oriënt
wschodni - oosten
wschód - oosten
wschód - oriënt
wschód - oriënt, oosten
wschód - oriënteren, inwerken
wschód (strona świata) - oosten
wschód (strona świata) - oriënt
wschód (strona świata) - oriënt, oosten
wschód słońca - zonsopgang
wsiadać - aan boord gaan, scheep gaan
wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) - aan boord gaan, scheep gaan
wskazać - identificeren, vereenzelvigen
wskazanie - voorbode, voorteken, teken
wskazany - raadzaam
wskazówka - zinspelen
wskazówka - aanreiken, overhandigen
wskazówka projektowa - voorbode, voorteken, teken
wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) - besturen, richten, dirigeren, mennen
wskazujący - aanwijzend voornaamwoord
wskazywać - aangeven, aanwijzen, aanduiden
wskaźnik ruchu - dundoek, vaan, vlag
wskaźnik stosu - spitsroede, stokje, gard, roede
wspaniałomyślny - royaal, genereus, gul, goedgeefs
wspaniałomyślny - grootmoedig, edelmoedig
wspaniały - overweldigend, grandioos, groots
wspaniały - groots, grandioos, overweldigend
wspaniały - beroemd, glorierijk, glorieus
wspaniały - groot
wspaniały - bewonderenswaardig
wspierać - helpen, assisteren, bijstaan
wspierać się - pleitbezorger, advocaat, verdediger
wspinaczce - montage, zetting
wspinaczka górska - alpinisme, bergbeklimming, alpensport
wspinać się - klimmen, klauteren
wspominać - gewag maken van, noemen, vermelden
wspominać - zich herinneren, onthouden, gedenken
wspominać - zich herinneren, onthouden, gedenken
wspomnienia - geheugen, heugenis, herinnering
wspornik - kramp, haakje, klamp, nietje
wspornik montażowy - vertroosten, troosten
wspornikowy - kramp, haakje, klamp, nietje
wspólnik - mededader, medeplichtige
wspólnik - zich aaneensluiten, aansluiten
wspólnota brytyjska - gemeente, gemeenschap
wspólny - wederkerig, wederzijds, onderling
wspólny - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
wspólny - algemeen, gemeenschappelijk
wspólny - bond, genootschap, associatie
współbieżny częsty powszechny - algemeen, gemeenschappelijk
współczesny - actueel, tegenwoordig
współczucia - erbarmen, mededogen, medelijden
współczucie - medegevoel, deelneming
współczucie - erbarmen, mededogen, medelijden
współczuć - verlangen, hunkeren, reikhalzen
współczuć komuś - meevoelen
współczujący - sympathiek, innemend, zielsverwant
współczynnik - proportie, verhouding, evenredigheid
współczynnik dobroci - voorkomendheid, liefheid
współdziałać - meewerken, samenwerken
współdziałać - samenwerken, meewerken
współmałżonek - eega, echtgenote, man, echtgenoot
współpraca - bijdrage
współpracować - samenwerken, meewerken
współpracownik - maat, kameraad, kornuit, makker
współpracownik - zich aaneensluiten, aansluiten
współsprawca - bijkomstig, bijbehorend, bijkomend
współsprawca - mededader, medeplichtige
współwinny - bijkomstig, bijbehorend, bijkomend
współwinny - mededader, medeplichtige
współzawodnictwa - wedijver
współzawodnictwo - wedijver
współzawodniczyć - meedingen, wedijveren, concurreren
wstaw - insteken, steken, indoen
wstawiać - insteken, steken, indoen
wstawić - insteken, steken, indoen
wstąpienie (np. na tron) - aanwinst, acquest, buit, prooi
wstążce - band, lint
wstążka - band, lint
wstecz - achterover
wstecz - achterwaarts, achteruit, rugwaarts
wsteczny - achterzijde, ommezijde, rugstuk
wsteczny - achterwaarts
wsteczny - achterwaarts, achteruit, rugwaarts
wsteczny - achterover
wsteczny odnośnik - achterover
wsteczny odnośnik - achterwaarts, achteruit, rugwaarts
wstędze - spoel, klos, bobine
Wstęga - band, lint
wstęp - inleiding, introductie
wstęp wzbroniony - inleiding, introductie
wstęp wzbroniony - besloten, privé-, particulier
wstępny - voorafgaand, preliminair
wstępować (np. na tron) - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
wstręt - een afschuw hebben van, verafschuwen
wstręt - tegenzin, hekel, afkeer, antipathie
wstręt - gruweldaad, verschrikking, gruwel
wstręt - gruwel, verschrikking, gruweldaad
wstrętny - venijnig, vergiftig, giftig
wstrętny - afschuwelijk
wstrętny - vuil, smerig
wstrętny - misselijk, stuitend, onsmakelijk
wstrętny - ijselijk, afgrijselijk
wstrętny - afschuwelijk
wstrząs - aardbeving
wstrząs - schokken
wstrząs - opschudden, schudden, schokken
wstrząsać - agiteren, opruien, ophitsen, opstoken
wstrząśnięty - gejaagd, opgewonden
wstrzemięźliwość - geheelonthouding, abstinentie
wstrzemięźliwy - nuchter, bezadigd, matig, sober
wstrzemięźliwy - continent, vasteland, werelddeel
wstrzemięźliwy - gematigd, bescheiden, matig
wstrzyknąć - inspuiten, injecteren
wstrzymać - onderdrukken, verdringen, opkroppen
wstrzymać - slapen, maffen
wstrzymać - aanhouding, arrestatie
wstrzymać się - bedwingen, betomen, beteugelen
wstrzymać zatrzymanie - reserveren, detineren, ophouden
wstrzymywać - verhinderen, verhoeden, beletten
wstrzymywać - zich onthouden, zich abstineren
wstrzymywanie się - terughoudendheid, onthouding
wstrzymywanie się od głosu - terughoudendheid, onthouding
wstyd - foei
wstydliwy - bevangen, timide, bedeesd, blo
wstydzić się - foei
wszechmocny - almachtig
wszechmogący - almachtig
wszechstronny - lijvig, veelomvattend
wszechstronny - algemeen, universeel
wszechświat - heelal, universum, schepping
wszelki - elk, ieder, alleman, iedere, al
wszerz - over, overheen, aan de overkant van
wszędzie - alom, allerwegen, overal, wijd en zijd
wszyscy - de hele ... door
wszystek - de hele ... door
wszystkie - de hele ... door
wszystkiego najlepszego - bof, mazzel, geluk, buitenkansje
wszystko - allemaal, alles
wszystko - de hele ... door
wścieklizna - razernij, hondsdolheid, dolheid
wściekły - doldriftig, verwoed, woedend, dol
wśród - in het midden van, medio, midden
wśród - tussen
wtajemniczać - de stoot geven tot
wtajemniczyć kogoś - de stoot geven tot
wtargnąć - binnenvallen, binnenrukken
wtedy - ook weer, dus, ergo, toch
wtedy
wtłoczyć - doordrukken
wtorek - dinsdag
wtórny - bijbehorend, bijkomend, bijkomstig
wtrącać - insteken, steken, indoen
wtrącanie się - storing
wtrysk - spuitje, inspuiting, injectie
wtyczka - ontstekingsbuis, bougie
wtyczka (elektr.) - ontstekingsbuis, bougie
wuj - oom
wujek - oom
wulgarnie - plat, triviaal, vulgair, onbenullig
wulgarny - plat, triviaal, vulgair, onbenullig
wulkan - vuurspuwende berg, vulkaan
wupykłość - heft, hals, handvat, gevest, knop
wy - jou, aan jou, aan je, je
wyasfaltować - asfalt
wyasygnować fundusze - budget, begroting
wyasygnowane fundusze - Maria-Hemelvaart
wybaczać - begenadigen, vergeven
wybaczenie - vergeven, begenadigen
wybaczyć - vergeven, begenadigen
wybawca - Verlosser
wybawcą - Verlosser
wybawiciel - Verlosser
wybierać - uitkiezen, uitlezen, kiezen
wybierać (numer) - uitlezen, kiezen, uitkiezen
wybierać (w wyborach) - knabbelen, afkluiven
wybierać/nakręcać numer telefonu - wijzerplaat
wybierak - schouder
wybierak igłowy - naald
wybierz - uitkiezen, uitlezen, kiezen
wybitny - opmerkelijk, merkwaardig
wybitny - onbetaald, achterstallig
wybitny - merkwaardig, opmerkelijk
wybitny - eminent, uitstekend, aanzienlijk
wybitny - kapitaal, vermogen
wyborny - heerlijk, kostelijk, overheerlijk
wyborowy - keuze, keur, keus, optie, verkiezing
wybory - optie, verkiezing, keuze, keur, keus
wybój (na drodze) - bult, bochel
wybór adresu wiersza - keus, alternatief, keuze
wybór trasy przez źródło - keus, alternatief, keuze
wybór trasy zastępczej - keuze, keur, keus, optie, verkiezing
wybór trasy zastępczej trasa zastępcza - knabbelen, afkluiven
wybór układu - keuze, keur, keus, optie, verkiezing
wybór wstępny - optie, verkiezing, keuze, keur, keus
wybór z menu - verteren, verduwen, digereren
wybrany - knabbelen, afkluiven
wybredny - afzonderlijk, afgezonderd
wybrzeże - kust, kustlijn, zeekant, zeekust
wybrzeże - kust, zeekant, zeekust, kustlijn
wybuch - uitbarsting, ontploffing, explosie
wybuchnąć - barsten, splijten, scheuren
wyburzanie - afbraak, ontmanteling, sloop
wycena - belastingaanslag, aanslag
wyceniać - prijs
wychłostać - afranselen
wychowawca - opvoeden, onderwijzen
wychwycić - beetnemen, pakken, beetkrijgen
wycia - steen en been klagen, weeklagen
wyciąć - maaien
wyciąg - abstract, afgetrokken
wyciąg - hijsen, ophijsen
wyciągać (coś z czegoś) - abstract, afgetrokken
wyciągnąć (coś z czegoś) - abstract, afgetrokken
wycie - gillen, bulderen, bleren, brullen
wycie iwania - brullen, huilen
wycieczce - uitstapje, toer, tocht, trip, excursie
wycieczce - tocht, toer, reis, trip
wycieczka - tournee, rondreis
wycieczka - uitstapje, excursie, tocht, trip, toer
wycieczka - uitstapje, toer, tocht, trip, excursie
wycinać lasy - afzetten, beslaan, garneren
wycinek - afkeuren
wycinek (tablicy - moot, plak, snede, schijf, filet
wycinek tablicy - moot, plak, snede, schijf, filet
wyciszanie - sprakeloos, stom
wyciśnięta masa - pompoen
wycofać - terugtrekken, intrekken
wycofywać się - ontwoekeren
wyczerpany - uitverkocht, op, uitgeput
wyczerpujący - lijvig, veelomvattend
wyczerpywał - uitverkocht, op, uitgeput
wyczuć - reuk, geur, luchtje, lucht
wyczuwać - bevoelen, tasten, voelen, betasten
wyczuwalny - verstandig
wyczyn - exploiteren, uitbuiten, uitmelken
wyczyn (bohaterski) - exploiteren, uitbuiten, uitmelken
wyczyn bohaterski - exploiteren, uitbuiten, uitmelken
wyć - gillen, bulderen, bleren, brullen
wyć - brullen, huilen
wyć (dot. syreny) - gillen, bulderen, bleren, brullen
wyćwiczyć - gevolg
wydaj - besteden, spenderen, spanderen
wydaj - ontlokken, uitbrengen, slaken
Wydajność - het veld ruimen, afstaan
wydajność - produktie, voortbrenging
wydalać - ontslaan, ontzetten, royeren
wydalić - verjagen, verdrijven, uitdrijven
wydanie - uitgaaf, druk, uitgave, editie
wydanie - loslaten, uitlaten, tappen, lossen
wydarzać się - toegaan, voortgang hebben, gebeuren
wydarzenia - keer, maal
wydatek - onkosten, kosten
wydawac z siebie - het veld ruimen, afstaan
wydawać - uitdrukken
wydawać - opbrengen, opleveren, afwerpen
wydawać - het veld ruimen, afstaan
wydawać się - lijken, overkomen, schijnen
wydawać się - beoordelen, oordelen, berechten
wydawać się - opdraven, opdagen
wydawać z siebie - uitstralen
wydawca - uitgeverij
wydawcą - uitgeverij
wydawnictwa - afkondiging, openbaarmaking
wydeptany - vlijen, leggen, neerleggen
wydobycie - ontwikkeling, eliminatie
wydobycie - het veld ruimen, afstaan
wydobyć - abstract, afgetrokken
wydobywać - afleiden
wydrążenie - hol, ingevallen
wydruk próbny - wissel, cambio
wydrzeć - afpersen, knevelen, afdwingen
wydychać - getuigen van, uitademen, ademen
wydychać - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
wydzialać - bevrijden
wydział - faculteit
wydział - departement
wydział (na uczelni) - kast
wydział humanistyczny - departement
wydział ik - departement
wydzielać rozpakowywać - afleiden
wydzielić - betekenen, dagen, dagvaarden
wydzieliną - afscheiding
wydzierżawić - pachten, in pacht hebben
wyekspediować - evenzeer, ook, mede, eveneens
wyekspediować - aan, tegen, voor, tot, bij, naar
wygasić - doven, blussen, uitdoen, uitblussen
wygasnąć - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
wygląd - verschijning, verschijnen
wygląd przycisku - aanzien, air, schijn, aanblik
wyglądać (prezentować się) - het uiterlijk hebben van, er uitzien
wygładzać - gelijk, vlak, effen
wygłaszać - prediken, preken
wygłosić - uitspreken
wygłosić (mowę) - afleveren, leveren, bestellen
wygnać - verjagen, verdrijven, uitdrijven
wygnanie - verbannen, uitbannen
wygodnie - aangenaam
wygodny - doelmatig, gemakkelijk, geschikt
wygodny - geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel
wygonić - verjagen, verdrijven, uitdrijven
wygrywać - winnen, verdienen, behalen
wygwizdania - boe
wyjaławiać - steriliseren
wyjaśniać - uiteenzetten, toelichten
wyjaśniać - uitleggen, duidelijk maken, beduiden
wyjaśniać - rekening, conto
wyjaśnić - uitleggen, duidelijk maken, beduiden
wyjaśnić - uiteenzetten, toelichten
wyjaśnić coś z kimś - uiteenzetten, toelichten
wyjaśnienie - toelichting, explicatie
wyjawić - morsen
wyjawić (sekret) - openbaren, kenbaar maken
wyjazd - uittocht, vertrek
wyjątek - uitzondering
wyjątek - afleiden
wyjątek arytmetyczny - uitzondering
wyjątkowy - uitzonderlijk
wyjechać - uittreden, aftreden, bedanken
wyjścia - afrit, uitgang, uitweg
wyjście - uitgeven, emitteren
wyjście - bek, muil
wyjście - ontwikkeling, eliminatie
wyjście uniwersalne - ontwikkeling, eliminatie
wyjście zerowe - afrit, uitgang, uitweg
wyjść - prijsgeven, afleggen, opgeven
wyjść po angielsku - uittreden, aftreden, bedanken
wykałaczce - tandenstoker
wykałaczka - tandenstoker
wykaz - aangeven
wykluczać - uitsluiten
wykluczać - uitzonderen
wykluczyć - uitsluiten
wykład - college geven
wykładać - college geven
wykładowca - lector
wykładowca - lezer
wykładowcą - lector
wykładzina - tapijt, kleed, vloerkleed, karpet
wykładzina - voering
wykonać - executeren, ter dood brengen
wykonać - opdraven, opdagen
wykonać - kleren maken
wykonać działać - executeren, ter dood brengen
wykonaj - executeren, ter dood brengen
wykonalny - inschikkelijk, handelbaar
wykonanie - produktie, gewrocht, opbrengst
wykonawca - bouwondernemer, aannemer
wykonuj - opdraven, opdagen
wykonywać - oefenen, drillen
wykonywać egzekucję - executeren, ter dood brengen
wykonywać krok - afdruk
wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów - spinnen
wykonywać rozkazy - executeren, ter dood brengen
Wykop - loopgraaf
wykopuj - opduikelen, delven, opgraven, rooien
wykopywać - opduikelen, delven, opgraven, rooien
wykorzystać w praktyce - exploiteren, uitbuiten, uitmelken
wykorzystanie - longtering, tering, tuberculose
wykorzystuj - doen ontstaan, maken, formeren
wykorzystywać - uitbuiten, exploiteren, uitmelken
wykorzystywać - aanwending, toepassing
wykorzysywać - gescheld
wykradać - sluipen
wykres - intrige, machinatie, konkelarij
wykres słupkowy - afbeelding, figuur, beeld
wykręcić numer - wijzerplaat
wykręcie - haarkloven, bedillen
wykręt - verschuiving
wykrycie obiektu i ustalenie jego - acquisitie
wykrywanie - ontdekking
wykrzykiwać - gieren, schreeuwen, roepen, joelen
wykrzyknik - tussenwerpsel
wykształcenie - opvoeding, vorming
wykup weksla - aflossing, amortisatie, afschrijving
wykwintny - beminnelijk
wylać z posady - strelen, liefkozen, aaien, aanhalen
wylać z pracy - ontzetten, ontslaan, royeren
wyleczyć - op verhaal komen, aansterken
wyleczyć - genezen, beter maken, helen
Wylew - bodem, achtergrond, ondergrond, grond
wyładować - ontslaan, ontzetten, royeren
wyładować - van boord gaan
wyładować - lossen, uitladen, afladen
wyładowane koronowe - bekronen, kronen
wyładowanie (elektryczne) - ontslaan, ontzetten, royeren
wyładowanie (towaru) - ontslaan, ontzetten, royeren
wyładowywać - lossen, uitladen, afladen
wyłaniać (pojawiać - opdagen, opdraven
wyłączać - waas, nesthaar, dons
wyłącznie - maar, alleen, slechts
wyłącznie - uitsluitend, exclusief
wyłącznik - roede, gard, spitsroede, stokje
wyłącznik przyciskowy - tocht, toer, reis, trip
wyłącznik temperaturowy - roede, gard, spitsroede, stokje
wyłączny - exclusief, uitsluitend
wyłączny - enkel, bloot, louter
wyłączony niestandardowy - invalide, gebrekkig
wyłudzić - aanwensel, hebbelijkheid
wymachiwać - fanfarekorps, fanfare
wymagać - opeisen, vereisen, rekenen, eisen
wymagać - nodig hebben, moeten, behoeven, hoeven
wymawiać - uitspreken
wymawiać niewyraźnie - uitspreken
wymazać - gommen, met gom bestrijken
wymazać - uitwissen
wymazać prawiedliwości - uitwissen, uitvegen, wegvagen
wymazywać - gommen, met gom bestrijken
wymazywać ekran - gommen, met gom bestrijken
wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny - afvegen, wissen, afdrogen, afwissen
wymiana - ruilen, inruilen, wisselen
wymiana stron - centrale
wymianą - inruilen, ruilen, wisselen
wymiar - grootte, bestek, omvang
wymiar sprawiedliwości - afmeting, dimensie
wymieniać - inruilen, ruilen, wisselen
wymieniać - ruilen, inruilen, wisselen
wymieniać (walutę) - afwisselend
wymieniać się - centrale
wymienić - centrale
wymienić (jakieś elementy na nowe) - centrale
wymień - ruilen, inruilen, wisselen
wymierzenie - belastingaanslag, aanslag
wymię - uier, pram
wymijać - inhalen
wymiotować - spugen, braken, overgeven, kotsen
wymowa - uitspraak
wymówce - laken, afkeuren, berispen, gispen
wymusić - doordrukken
wymuszać - verplichten, dwingen, noodzaken
wymuszanie - afpersing, knevelarij
wymuszenia - knevelarij, afpersing
wymysł - fictie, verdichtsel, verbeelding
wymyślać (
wynagradzać - vergelden, lonen, terugdoen, belonen
wynagrodzenie - loon, bezoldiging, gage, salaris
wynajem - pachten, in pacht hebben
wynajęcia - aannemen, aanwerven, huren
wynajmować - aannemen, aanwerven, huren
wynajmować - huur
wynajmował - laten schieten, laten begaan, laten
wynajmowanie w DHCP - pachten, in pacht hebben
wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP - pachten, in pacht hebben
wynalazca - uitvinder
wynalazcą - uitvinder
wynalazek uchylać - uitvinding
wynaleźć - uitdenken, bekokstoven, bedenken
wynik - afstammen, het gevolg zijn van
wynik - produktie, gewrocht, opbrengst
wynik polecenia - uitgeven, emitteren
wynikać - afstammen, het gevolg zijn van
wyniknąć - ontstaan
wyniosły - hoog, verheven
wynosić - gemiddeld
wynosić średnio - tal, aantal, getal
wynurzać) się - opdagen, opdraven
wyobrazić sobie - in verwachting raken, zwanger raken
wyobrazić sobie - bedenken, zich verbeelden
wyobraźnia - inbeelding, verbeelding
wyobraźnia - bedenken, zich verbeelden
wyobrażać - bedenken, zich verbeelden
wyobrażenie - bedenken, zich verbeelden
wyobrażenie - afbeelding, prent, plaat
wyobrażenie - begrip
wyobrażenie - beeld, afbeelding, figuur
wyodrębniać - isoleren, afzonderen
wyolbrzymiać - chargeren, overdrijven
wypaczenie - kader, omlijsting, lijst, raam
wypadek - ongeluk, accident, ongeval
wypadek - omstandigheid
wypadek śmiertelny - belangrijke gebeurtenis, evenement
wypadek śmiertelny - omstandigheid
wypadek wystąpienie - affaire, zaak, aangelegenheid, ding
wypalać - bakken
wypalać (pamięć stałą) - aanbranden
wypalać (płyty CD) - aanbranden
wyparcie się - afzwering
wyparować - doen verdampen, uitdampen, indampen
wypchanie (zwierzęcia) - opvulsel, vulling, vulsel
wypełniać zerami przypisywać wartość zerową - invullen, dempen, spekken, vullen
wypiekać - bakken
wypierać się - afzweren
wypierać się - ontkennen
wypisuj - neerschrijven, schrijven, uitschrijven
wypisując - geschrift, schriftuur
wypisywany - schriftelijk
wypłacie - afbetaling
wypłata - transfer, afdracht
wypłukanie - gorgelen, afspoelen, spoelen
wypływ - uitgeven, emitteren
wypoczynek - rest, overblijfsel, rommel, afval
wyposażać - toerusten, uitrusten, uitvoeren
wyposażenia - bijkomstig, bijbehorend, bijkomend
wyposażenie - bijkomstig, bijbehorend, bijkomend
wyposażenie - uitrusting, accommodatie, inrichting
wyposażenie pomocnicze - complet, stelletje, set, stel
wyposażenie pomocnicze - uitrusting, accommodatie, inrichting
wyposażenie pomocnicze - bijkomstig, bijbehorend, bijkomend
wyposażeń - accessoires
wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów - toerusten, uitrusten, uitvoeren
wypowiedzieć (umowę) - aangeven, aanbrengen, klikken
wypowiedź - declaratie, aangifte, uitspraak
wypożyczać - huur
wypracowanie - toondicht, toonzetting, compositie
wyprawa - reis, tocht, toer, trip
wyprostowany - oprichten, stichten, inrichten
wyprowadzać - aftappen
wypróbować - streven, zich inspannen, pogen
wypróżniać - hol, ledig, lens, loos, leeg
wyprzeć się - afzweren
wyprzedaż - verkoop, vervreemding
wyprzedzać - voorafgaan, voorzijn
wyprzedzenie - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
wyprzedzić - anticiperen, prejudiciëren
wypukłość - heft, hals, handvat, gevest, knop
wypuścić nowe wydanie - nadruk, herdruk
wypytywać - een verhoor afnemen, ondervragen
wyrabiać - maken, doen, bedrijven
wyraz - bewoording, betuiging, gezegde
wyrazić podziękowanie - agnosceren, als waarheid aannemen
wyrazić zgodę (
wyrazisty - klaar, uitgesproken, helder
wyrazy uznania - erkenning
wyraźny - apert, evident, kennelijk, duidelijk
wyrażać - uitdrukken
wyrażać - ontlokken, uitbrengen, slaken
wyrażenie - bewoording, betuiging, gezegde
wyrażenie znakowe - bewoording, betuiging, gezegde
wyregulować - aanpassen, afstemmen, adapteren
wyregulowanie - afstelling, instelling
wyrobnik - werkkracht, werker, werkman, arbeider
wyroby garncarskie - aardewerk
wyrocznia - orakel
wyrok - judicium, sententie, uitspraak, vonnis
wyrok - frase, zin, volzin
wyrostek robaczkowy - bijlage, appendix, aanhangsel
wyrośle adenoidalne - derde
wyrozumiały - goedertieren, schappelijk, lankmoedig
wyrób - fabricatie, aanmaak, fabricage
wyrób - produktie, gewrocht, opbrengst
wyrównać do prawego marginesu - gelijk, vlak, effen
wyróżniać - onderscheiden, onderkennen
wyróżnienie - nadruk, klem
wyróżniona część (np. na listingu) - jaartelling, item, deeltje, deel
wyróżniony druk - nadruk, klem
wyruszać - op reis gaan, afreizen
wyrwać coś komuś - knevelen, afpersen, afdwingen
wyryć - graveren, griffen
wyrywać - knijper, schaar
wyrywać (włosy) - afrukken, plukken, afbreken
wyrzeczenie się - versterving, abnegatie
wyrzekać się - opgeven, uitvallen, afstand doen van
wyrzekać się - abnegeren, zichzelf verloochenen
wyrzekać się - afzweren
wyrzić zgodę - ja zeggen, beamen, bevestigen
wyrzucać sobie - ontzetten, royeren, ontslaan
wysadzić na ląd - ontslaan, ontzetten, royeren
wysepka - toonschaal, toonladder, scala
wysepka (uliczna) - toevluchtsoord, asiel, asyl
wysiaduj - broeden op, koesteren, broeden
wysiłek - moeite, poging
wyskok - springen
wysłać - verzenden
wysłać - voorspeler, aanvaller
wysłać pocztą - aanplakken
wysłanie (towaru) - pakje
wysłannik - afgezant, bode, gezant
wysłowić coś - woord, bewoording
wysłowienie się - bewoording, betuiging, gezegde
wysmukły - sprietig, schraal, mager, dun, luchtig
wysoki - verheven, hoog
wysoki - hoog, verheven
wysoki poziom logiczny - hoog, verheven
Wysoki sądzie - hoog, verheven
wysoki stan logiczny - hoog, verheven
wysokość - hoogte
wysokość - stand, hoogte
wysokość bariery potencjału - stand, hoogte
wysokość bariery potencjału - hoogte
wysokość stosu - hoogte
wyspa - eiland
wyspą - eiland
wystający - onbetaald, achterstallig
wystapić - gebeuren, aan de hand zijn
wystarczająco - adequaat, bijbehorend
wystarczająco - gevoeglijk, op de juiste wijze
wystarczający - genoeg, voldoende
wystarczający - genoeg, voldoende
wystarczający - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
wystarczający - adequaat, bijbehorend
wystarczyć - voorgaand, verleden, voorafgaand
wystawa - pralen, paraderen, prijken, pronken
wystawa sklepowa - tentoonstelling, expositie
wystawca czeku - schuiflade, la, lade
wystawiać - tentoonstellen, belichten
wystawić (na pokaz) - belichten, tentoonstellen
wystawić na scenie - podium, bestuur, tribune, leiding
wystawienie (sztuki) - produktie, voortbrenging
wystąpienie - exemplaar, afdruk
występować - gebeuren, aan de hand zijn
wystraszyć - doen schrikken, schrik aanjagen
wystrój pulpitu - onderwerp, stof, thema, apropos
wysychać - dor, droog
wysyłać pocztą - post, posterijen
wysyłać reklamy - doen toekomen, sturen, opsturen
wysyłanie - exporteren, uitvoeren
wysyłka - verzenden
wysypisko (śmieci itp) - stortplaats
wysypisko śmieci - stortplaats
wyszczególniać - specificeren
wyszczególnić - specificeren
wyszczupleć - rank, slank, tenger
wyszukać informacje pełzać - kruipen
wyszukany - geraffineerd
wyszywać - borduren
wyściełanie - opvulsel, vulling, vulsel
wyścig - wedijver
wyścig - geslacht, stam, volksstam
wyświadczyć przysługę (
wyświetlacz - pralen, paraderen, prijken, pronken
wyświetlacz z matrycą aktywną - pralen, paraderen, prijken, pronken
wyświetlać - pralen, paraderen, prijken, pronken
wyświetlić - pralen, paraderen, prijken, pronken
wyświęcać - bestemmen, uittrekken
wytarcie - afschaving
wytępić - verdelgen, uitroeien
wytłumaczyć - uiteenzetten, toelichten
wytop - wegsmelten, dooien, ontdooien
wytrwać - blijven aandringen
wytrwałość - geduld, lijdzaamheid
wytrwałość - vasthoudendheid
wytrwały - volhardend
wytrysk - spuiten, sproeien, uitspuiten
wytrysk - opspatten, verspuiten, stuiven
wytrzymać - beklijven, duren, aanhouden
wytrzymałość - sterkte
wytrzymywać - te wachten staan, afhalen, wachten
wytwarzać - maken, doen, bedrijven
wytwarzać egzemplarz - verwekken
wytwarzanie - generatie, geslacht
wytworny - bevallig, elegant, piekfijn, net
wytworny - keurig
wytwórnia - fabriek
wywatować - stikken
wyważenie - saldo, overschot
wywiad - interviewen
wywiad wojskowy - bevattingsvermogen, intelligentie
wywijać - zwaaien, slingeren, swingen
wywnioskować - afhandelen, afwikkelen, afdoen
wywnioskować - besluiten, afleiden, concluderen
wywodzić (ród) - aftappen
wywołać - noemen, heten, benoemen, uitmaken voor
wywołać coś - keer, maal
wywołania odłożone na stosie - ophopen, opeenhopen, accumuleren
wywołanie zwrotne - noemen, heten, benoemen, uitmaken voor
wywołuj - besluiten, afleiden, concluderen
wywołuj - naar buiten roepen
wywołuj - scheppen, creëren
wywoływać - naar buiten roepen
wywoływać - aanroepen
wywoływać - aanrijden, voorrijden
wywoływanie - ontwikkeling, evolutie
wywrotowy - subversief, ondermijnend
wywrócić - kiel
wyzdrowieć - beter worden, genezen, helen
wyzerować - nul, nihil
wyzerować zerowy - nul
wyzeruj sprzęg - hel, licht, klaar
wyznaczać - administreren, beheren, besturen
wyznaczać - betekenen, dagen, dagvaarden
wyznaczać drogę trasa - reisplan, route, tracé, baanvlak
wyznaczać trasy - reisplan, route, tracé, baanvlak
wyznaczenie - benoeming, aanstelling
wyznaczony - onbeweeglijk, star, vast
wyznaczyc - divan, Turkse staatsraad, rustbank
wyznaczyć - verloten, loten
wyznaczyć - benoemen, aanstellen
wyznaczyć - betekenen, dagen, dagvaarden
wyznaczyć emeryturę/rentę - pensioen
wyznać - erkennen, bekennen, biechten, toegeven
wyznaj - bekennen, biechten, erkennen
wyznaj - erkennen, bekennen, biechten, toegeven
wyznanie - geloof, fiducie, vertrouwen
wyznanie - handwerk, beroep, ambacht
wyzwalacz - haan van een vuurwapen
wyzwalacz - tocht, toer, reis, trip
wyzwania - trotseren, tarten, uitdagen, uittarten
wyzwanie - trots
wyzwanie - trotseren, tarten, uitdagen, uittarten
wyzwolić - ontzetten, royeren, ontslaan
wyzwolić się od czegoś - bevrijden
wyzyskiwać - exploiteren, uitbuiten, uitmelken
wyzywająco - in weerwil van, niettegenstaande
wyżej - bovengenoemd
wyżej - benoorden, ten noorden van
wyżej wymieniony - benoorden, ten noorden van
wyżej wymieniony - bovengenoemd
wyżerać - corroderen, aantasten, bijten
wyższy - opperste, prevalent, superieur
wzajemne zrozumienie - medegevoel, deelneming
wzbraniać się - afwijzen, het verdommen, afkeuren
wzbudzić - wakker, wakend
wzburzony - onbewerkt, bot, onbehouwen, grof, cru
wzdłuż - in de lengte, daarlangs
wzdłuż - bezijden, naast, behalve
wzdłuż - langs, naar, blijkens, ingevolge
wzdłuż całej drogi - in de lengte, daarlangs
wzdłuż dłuższego boku - bezijden, naast, behalve
wzdłużny - in de lengte, daarlangs
wzdrygać się - ineenkrimpen, ineenkronkelen
wzdychać - zuchten, kreunen
wzgl. duży numer urządzenia - aanvoerder, baas, gebieder, chef
wzgląd - tel, achting
wzgląd - eerbiedigen, respecteren
wzgląd - saké, rijstwijn
względnie - tamelijk
względny - verwant, familielid
względny numer pozycji - verwant, familielid
wzgórze - aanaarden
wziąć - accepteren, aannemen, aanvaarden
wziąć na swoje barki - schouder
wziąć pod uwagę - beschouwen, overwegen, nagaan
wziąć udział - deelnemen, meemaken, meedoen
wzkazany - raadzaam
wzmagać - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
wzmagać - vermeerderen
wzmiance - gewag maken van, noemen, vermelden
wzmiance - verwijzing, referentie
wzmianka - gewag maken van, noemen, vermelden
wzmiankować - zich herinneren, onthouden, gedenken
wzmocnienie - acquest, aanwinst, buit, prooi
wzniesienie - helling, glooiing
wzniesienie - tepel, speen
wznieść toast - branden, braden, roosteren
wznoisły - nobel, edel
wznosić - oprichten, stichten, inrichten
wznosić - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
wznosić się - toren
wznoszenie (samolotu) - klimmen, klauteren
wznowić pracę komputera - vernieuwen, renoveren
wzorcowy - modelleren
wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) - kunst
wzornik pisma matryca do powielania, szablon - schablone, patroon, sjabloon
wzorzec - knippatroon, patroon
wzorzec slajdów - regel, standaardmaat, norm
wzorzec zmienny - knippatroon, patroon
wzór - trant, stijl
wzór - knippatroon, patroon
Wzór - formule
wzór kreskowania - knippatroon, patroon
wzór model - modelleren
wzór punktowy - formeren, vormen, aangaan
wzrastać - opdrijven, verheffen, ophogen
wzrok - gezicht, visioen, droombeeld
wzrok - richtmiddel, zoeker, vizier
wzrok - staren, aanstaren, turen
wzrokowy - zichtbaar
wzrost - rose, roze, roos
wzrost - opklimmend
wzrost - opstaan, gaan staan
wzrost - wasdom, ontwikkeling, groei
wzrost - ontwikkeling, evolutie
wzrost globalny - lichaamsbouw, gestalte, figuur
wzruszać - de schouders ophalen
wzruszać - aanslag
wzruszać ramionami - agiteren, opruien, ophitsen, opstoken
wzruszający - emotioneel, aangrijpend, roerend
wzruszający - resideren, gevestigd zijn, huizen
wzruszenie - gewaarwording, aandoening
wzruszenie ramionami - de schouders ophalen
wzruszony - gejaagd, opgewonden
wzruszyć (
Ogólna liczba słów na literę W :: 1575 ::
Liga Eurpoejska. Ludovic Obraniak gra z Liverpoolem NA ŻYWO
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/2/7291/z7291282M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Na Stadium Lille-Metropole przyjeżdżają The Reds, którzy mieli w tym sezonie dość długą zadyszkę, ale wydają się wracać do formy. Relacja na żywo od godziny 19.
Liga Europejska. Pierwsze mecze 1/8 finału
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/7349/z7349339M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>W czwartek rozegrane zostaną pierwsze spotkania 1/8 finału Ligi Europejskiej. Trudne zadanie czeka Ludovica Obraniaka, którego Lille będzie podejmować u siebie Liverpool. Bardzo ciekawie zapowiadają się także mecze Benfiki z Marsylią i Valencii z Werderem.
Golf. Najlepsi gracze zjechali do USA
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7651/z7651984M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Na polu Doral Golf Resort&Spa na Florydzie spotkają się w tym tygodniu najlepsi golfiści świata. Już dziś rozpoczyna się tu turniej WGC-CA Championship, w którym zmierzy się 68 golfistów zaproszonych do udziału w nim na podstawie miejsc w rankingu światowym.
Justyna Kowalczyk po upadku: Zostawiam sprawę bez komentarza
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7609/z7609198M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Justyna Kowalczyk była pierwsza i mknęła do mety sprintu w Drammenn, kiedy na ostatnim zakręcie Norweżka Marit Bjoergen zajechała Polce drogę, najechała na nartę, spowodowała upadek i złamała kijek. Liderka PŚ ostentacyjnie kręcąc głową dosłownie przyszła na metę szósta.
Losowy
enue uniform, - jednostkowy (id:5524)
enzijdig - jednostronny (id:5525)
endracht samenhang, eenheid, - jedność (id:5526)
ij zijde, - jedwab (id:5527)
ij zijde, - jedwabny (id:5528)
aar slechts, alleen, enkel, pas, - jedynie (id:5529)
aar slechts, alleen, enkel, pas, - jedyny (id:5530)
outer bloot, enkel, - jedyny (id:5531)
erecht spijs, etenswaar, eten, - jedzenia (id:5532)
erecht spijs, etenswaar, eten, - jedzenie (id:5533)
ijne de zijne, het - jego (id:5534)
ijn hun, haar, - jego (id:5535)
ijn hun, haar, - jej (id:5536)
are de hare, het - jej (id:5537)
ert - jeleń (id:5538)
annetjeshert - jeleń (id:5539)
alexandroff-1
gry
uczelnie Toruń
Badania marketingowe
czarter mazury
Statystyki
Zwrotów: 21955
Losowy rekord:
lokkade - blokadą (id:1219)
fgesloten slot, op - blokować (id:1220)
lot - się blokować (id:1221)
fdammen belemmeren, afsluiten, - blokował (id:1222)
lond - blond (id:1223)
lond - blondyn (id:1224)
lond - blondynce (id:1225)
lond - blondynka (id:1226)
patscherm spatbord, slijkbord, - blotnik (id:1227)
limop - bluszcz (id:1228)
uniek - munduru) (część bluza (id:1229)
iel bloes, boezeroen, blouse, - bluzą (id:1230)
News
Golf. Najlepsi gracze zjechali do USA
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7651/z7651984M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Na polu Doral Golf Resort&Spa na Florydzie spotkają się w tym tygodniu najlepsi golfiści świata. Już dziś rozpoczyna się tu turniej WGC-CA Championship, w którym zmierzy się 68 golfistów zaproszonych do udziału w nim na podstawie miejsc w rankingu światowym.
Justyna Kowalczyk po upadku: Zostawiam sprawę bez komentarza
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7609/z7609198M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Justyna Kowalczyk była pierwsza i mknęła do mety sprintu w Drammenn, kiedy na ostatnim zakręcie Norweżka Marit Bjoergen zajechała Polce drogę, najechała na nartę, spowodowała upadek i złamała kijek. Liderka PŚ ostentacyjnie kręcąc głową dosłownie przyszła na metę szósta.
Robert Kubica: Mam nowy dyfuzor, skrzydełka i wloty
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/5/7609/z7609515M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>- Ale czy spowodują one, że będziemy wyżej w stawce? Trudno to ocenić. Nie wiadomo, jaki program ulepszeń mają inne zespoły, gdzie będą ulepszać swoje samochody - mówił Robert Kubica podczas konferencji prasowej przed Grand Prix Bahrajnu, pierwszym startem w nowym zespole.
Liga Mistrzów. Iker Casillas: Prosimy o wybaczenie, zachowajmy spokój
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7568/z7568914M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Bramkarz Iker Casillas po sensacyjnym odpadnięciu Realu Madryt w 1/8 finału Ligi Mistrzów prosi kibiców o wybaczenie i apeluje o zachowanie spokoju. Słynny zawodnik przypomina, że w lidze hiszpańskiej jego drużynie wiedzie się znacznie lepiej.
Kolarstwo przełajowe. Bracia Szczepaniakowie na dopingu
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/7545/z7545799M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Młodzieżowy mistrz świata w kolarstwie przełajowym Paweł Szczepaniak oraz jego młodszy brat, wicemistrz świata w tej kategorii - Kacper, mieli pozytywne wyniki testów antydopingowych.
Skoki narciarskie. Wszyscy Polacy w konkursie w Lillehammer
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7590/z7590998M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Wszyscy polscy skoczkowie zakwalifikowali się do konkursu Pucharu Świata w skokach narciarskich, który w piątek zostanie rozegrany w norweskim Lillehammer.