Sitemap

Losowy


lichten berichten, informeren, - donieść (id:3076)
gen of velden geen in nergens, - donikąd (id:3077)
levantie - doniosłość (id:3078)
tekenisvol veelbetekenend, - doniosły (id:3079)
lichten informeren, berichten, - donosić (id:3080)
loop in circulerend, - dookoła (id:3081)
apteren afstemmen, aanpassen, - dopasować (id:3082)
cifer - szablonu dopasowanie (id:3083)
lledig compleet, - dopełnia (id:3084)
ok - dopełniać (id:3085)
nvullend - dopełniający (id:3086)
lbracht - dopełniał (id:3087)
ntreffen ontmoeten, - dopilnować (id:3088)
nmoediging bemoediging, stijving, - doping (id:3089)
nsporen aanwakkeren, aanvuren, - dopingować (id:3090)
nsporen aanwakkeren, aanvuren, - dopingował (id:3091)
n grenzen belenden, - dopisać (id:3092)
ord - dopływ (id:3093)
durende staande, terwijl, - dopóki (id:3094)
or binnen, totdat, tot, - dopóty (id:3095)
zenlijk werkelijk, - doprawdy (id:3096)


Menu

Najnowsze (50)
Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna

Kategorie


Losowy:
fura - kar, wagen, handkar, karretje
fura - wagon, spoorwagen
furgon - wagon, spoorwagen
furgonetka - bestelauto, bestelwagen
furtka - achterdeur


Znalezione tłumaczenia na literę U:
u góry - afknotten
ubawić - opvrolijken, amuseren, onderhouden
ubezpieczać - veilig stellen, verzekeren, assureren
ubezpieczenia - assurantie, verzekering
ubezpieczenie - assurantie, verzekering
ubezpieczenie na życie - assurantie, verzekering
ubezpieczyć - veilig stellen, verzekeren, assureren
ubezpieczyć - betuigen, verzekeren
ubiegać się o posadę - match, wedstrijd, concours
ubierać (się) - een verband omleggen
ubierać się - een verband omleggen
ubijać - woordspeling
ubikacja - WC, watercloset
ubiór - een verband omleggen
uboczny - minder belangrijk, ver, bij-, zij-
ubogi - erbarmelijk, beklagenswaardig
ubój - afslachten, slachten
ubóstwo - gebrek, armoede
ubrać - complet, stelletje, set, stel
ubrać - kleding, kleren
ubrać - aankleden, omkleden, kleden, bekleden
ubranie - ding, voorwerp
ubranie - complet, stelletje, set, stel
ubranie - kleding, kleren
ubranie - aankleden, omkleden, kleden, bekleden
ubranie (męskie) - kleren, kleding
ubranie cywilne - ding, voorwerp
ubywać - verminderen, afnemen
ucho - oor
uchodźca - uitgewekene, vluchteling
uchwalać - verordenen, decreteren
uchwała - doen, bezig zijn, ageren, handelen
uchwała - besluit, uitspraak, beslissing
uchwycić sens - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
uchwyt - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
uchwyt powiązania - knippen, scheren, snoeien
uchwyt środowiska - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
uchylać się - mijden, uit de weg gaan, ontwijken
uchylać się - ontwijken, mijden, uit de weg gaan
uchylony - op een kier staand
uciążliwy - drukkend, zwaar
uciec - weglopen, wegrennen, drossen
uciec - grendelen, afgrendelen
uciec - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
ucieczce - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
ucieczka - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
ucieczka - grendelen, afgrendelen
uciekać - ontsnappen, ontgaan, ontkomen
uciekać się - appelleren, een beroep doen op
uciskać - knellen, dringen, persen, drukken
uciskać - pers
uciszyć - stil, bedaard, rustig, kalm
uciszyć się - kalmte, rust, rustigheid, stilte
uczcić - waardig, zichzelf respecterend, deftig
uczciwy - eerlijk, eerzaam, degelijk
uczelnia - academie, hogeschool, genootschap
uczelnia - college
uczeń - student
uczęszczać - verplegen, zorgen voor, verzorgen
uczęszczać - bezoeken, geregeld bezoeken
uczony - knap, ontwikkeld, geleerd
uczony - wetenschapper, geleerde
uczta - festijn, feestmaal, smulpartij, gelag
ucztować - festijn, feestmaal, smulpartij, gelag
uczucie - gevoel
uczucie - affect, emotie, aandoening
uczucie - recipiëren
uczucie) - gewaarwording, aandoening
uczyć - afwennen, afleren
uczyć - instrueren
uczyć się - leren, aanleren
uczyć się - knap, ontwikkeld, geleerd
uczynny - toegevend, inschikkelijk, meegaand
uda - bovenbeen, dij
udaj - voorgeven, voorwenden, doen alsof
udaj - fingeren, simuleren, doen alsof
udawać - aandoen, aangrijpen
udawać - fingeren, simuleren, doen alsof
udawanie - aanstellerij, onnatuurlijkheid
udawanie - aanmatiging, onbescheidenheid
uderzać - afrukken, plukken, afbreken
uderzać - hameren
uderzający - snedig, juist, geprononceerd, raak
uderzający kontrast - snedig, juist, geprononceerd, raak
uderzenie - aanspannen
uderzenie - Jan Klaassen
uderzenie - stompen
uderzenie - slaan, klappen, kloppen, opvallen
uderzenie serca - slaan, klappen, kloppen, opvallen
uderzenie takie j.w. - aanhalen, strelen, liefkozen, aaien
uderzyć - slaan, klappen, kloppen, opvallen
uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem - slaan, klappen, kloppen, opvallen
udo - bovenbeen, dij
udostępniać - tentoonstellen, belichten
udostępniać - stutten, steunen, schragen
udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc - verlichten, vergemakkelijken
udostępnić - verlichten, vergemakkelijken
udostępnienia - loslaten, uitlaten, tappen, lossen
udowadniać - bewijzen, aantonen
udowadniać - twisten, disputeren, krakelen
udowodnić - schuldig bevinden
udręczenie - beklemming, benauwdheid, angst
udręka - doodsangst, doodsstrijd, agonie
udręka - beklemming, benauwdheid, angst
udusić - smoren, onderdrukken, neerslaan
udział - deel, stuk, onderdeel, gedeelte
udział - belang inboezemen, interesseren
udział - invoer
udział dyskowy - bijdrage
udzielać - verloten, loten
udzielić - college geven
udzielić nagany - stortplaats
udzielić poufnej informacji - accoord, overeenstemming
ufać - vertrouwen, fiducie hebben in
ufać komuś/być zwolennikiem czegoś - vertrouwen, fiducie hebben in
ufność - fiducie, vertrouwen, geloof
ufność - vertrouwen, fiducie hebben in
ufny - zelfbewust, zelfverzekerd
ufundować - baseren, grondvesten, funderen
Uganda - Oeganda
ugniatać - kneden
ugoda - overeenstemming, samenklank
uhonorować - huldigen, vereren, eren
ujadać - golfspel, golf, inham, bocht, boezem
ujadanie - golfspel, golf, inham, bocht, boezem
ujarzmiać - aanspannen, het juk opleggen
ujawniać - stutten, steunen, schragen
ujawnić - laten blijken, manifesteren
ujednolicić - maken, doen, bedrijven
ujemnie - ontkennend
ujemny - min, minus
ujemny - negatief, cliché
ujęcia - aanhouding, arrestatie
ujmować w cudzysłów - aanhalen, citeren, noemen
ujmujący - bekoorlijk, innemend, charmant
ujrzeć - ziehier, kijk, ziedaar, hier, hierzo
ujście - bek, muil
ujście - entree, ingang, toegang
ujście danych - zinken, aan de grond raken
ujście zdarzeń - bek, muil
ukartować - slinks, bedrieglijk
ukazać się - opdraven, opdagen
układ - circuit
układ - akkoord, maatregel
układ logiczny odporny na szumy - bende, troep, schare
układ komplementarny MOS - circuit
układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy - logica
układ mikroprocesorowy - overeenstemming, samenklank
układ RTL - bikken, afbikken
układ zerojedynkowy - montuur, vatting
układ żądania i przyznania magistrali - akkoord, maatregel
układ żądania i przyznania magistrali - circuit
układać - ophopen, opeenhopen, accumuleren
układać - arrangeren, aanrichten, ordenen
układać w stos - arrangeren, aanrichten, ordenen
układance - puzzel, raadsel
ukłonić się - boog, toog
ukłucia - lul, pik, leuter, snikkel, jongeheer
ukłucie - lul, pik, leuter, snikkel, jongeheer
ukłucie - pikken, prikken, priemen, steken
ukłuć - pikken, prikken, priemen, steken
ukochana - schat, liefje, lief, lieveling
ukochana osoba - schat, lieverd, lieveling, liefje
ukochany - schat, liefje, lief, lieveling
ukochona - schat, liefje, lief, lieveling
ukończyć - compleet, volledig
ukończyć studia - afgestudeerd, gediplomeerd
ukośnie - scheelzien, scheelkijken, loensen
ukośnik - afkraken
ukośnik (prawy) - afkraken
ukośny - scheef, schuin
ukradkiem - tersluiks, sluiks, steelsgewijs
Ukrainiec - Oekraiens
ukraiński - Oekraiens
ukraść - sluipen
ukraść - klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen
ukraść - achteroverdrukken, verdonkeremanen
ukryć - blind
ukryć - jas, mantel
ukryć - vel, dierevel, vacht, pels, huid
ukryty - verborgen, verdekt, clandestien
ukrywać - vel, dierevel, vacht, pels, huid
ukrywać - verborgen, verdekt, clandestien
ukrywać - veinzen, huichelen
ukrywać - verbergen, ontveinzen, verhelen
ukrywać się - verbergen, ontveinzen, verhelen
ukrzyżować - kruisen, kruisigen
ul - bijenkorf
ul - bijenkorf
ulegać awarii - floppen, in het water vallen
ulepszać - verbeteren, veredelen
ulepszyć - verbeteren, veredelen
ulewa - storm
ulica - straat
ulica - dreef, laan
ulicą - straat
uliczka - steeg
uliczka - dreef, laan
uliczka - steeg
uliczny - straat
ulokować - afstemmen, aanpassen, adapteren
ulotka - brochure, paperback, ingenaaid boek
ulotny - zwak
ultimatum - ultimatum
ulubienica - uitverkoren
ulubieniec - troetelen, koesteren, vertroetelen
ulubieniec - uitverkoren
ulubiony - uitverkoren
ulubiony - uitverkoren
ulubiony - troetelen, koesteren, vertroetelen
ulubiony - afgezonderd, afzonderlijk
ułamek - breuk, fractie
ułatwiać - tentoonstellen, belichten
ułatwiać - verlichten, vergemakkelijken
ułożyć - arrangeren, aanrichten, ordenen
ułożyć się z wierzycielami - arrangeren, aanrichten, ordenen
ułuda - drogbeeld, begoocheling, illusie
umarli - doods, dodelijk
umarły - doods, dodelijk
umeblowany - gemeubileerd
umęczyć - kruisen, kruisigen
umiar - matigheid
umiarkowany - zacht, mild, zachtmoedig, zachtaardig
umiarkowany - nuchter, bezadigd, sober, matig
umiejętności - belevenis, ervaring, ondervinding
umiejętność - bekwaamheid, kundigheid
umiejętność - geschiktheid
umiejętny - wetenschappelijk
umiejscawiać - situeren, leggen, plaatsen
umiejscowienia - ligging
umiejscowienie - houding, stand, positie
umierać - doodgaan, overlijden, sterven
umieszczenia - montuur, vatting
umieścić - situeren, leggen, plaatsen
umieścić - plaats, oord, lokaal, plek
umieścić - aanspannen
umocnienie - vormsel, aanneming
umocować - fixeren, bevestigen, bepalen
umocowany - vasten
umorzyć (dług) - ontbinden, annuleren, afgelasten
umowa - overeenstemming, samenklank
umowa - akkoord, maatregel
umowa licencyjna - verbintenis, contract
umowa obustronna - congres
umowny - willekeurig, arbitrair, eigenmachtig
umówione spotkanie - benoeming, aanstelling
umówiony termin - benoeming, aanstelling
umycie - wassing
umyć sobie włosy - het haar wassen
umysłowy - geestelijk, mentaal
umywalnia - vont, bekken, kom
umywalnia - wasinrichting, washok, wasgelegenheid
uncja - ons
uncja (28.35 grama) - ons
unia - unie
unieważniać - vernietigen, verwoesten, vernielen
unieważnić - ontbinden, annuleren, afgelasten
unikać - mijden, uit de weg gaan, ontwijken
unikalny - typisch, curieus, vreemd
unikat - weetgierigheid, nieuwsgierigheid
unikat - uniek, enig
unikatowy - uniek, enig
uniważnić - vernietigen, verwoesten, vernielen
uniwersalny - algemeen, universeel
uniwersalny system przetwarzania informacji - algemeen, universeel
uniwersytecki - academie, universiteit
uniwersytet - academie, universiteit
unosić się - krankzinnig zijn
unosić się w powietrzu - zweven
uodporniony - immuun, onvatbaar, resistent
upadać - druppel, waterdruppel
upadać - vallen, neervallen, afvallen, storten
upadek - afgang
upadek - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
upadek - eb-
upadek - vallen, neervallen, afvallen, storten
upakować - inpakken, pakken, verpakken
upał - gloed, vuur
upaństwawiać - nationaliseren, naasten
upaństwowić - nationaliseren, naasten
uparty - koppig, halsstarrig, hardnekkig
uparty - afgemeten, plechtig, ceremonieel
uparty - halsstarrig, hardnekkig, koppig
uparty się - koppig, halsstarrig, hardnekkig
upewniać - betuigen, verzekeren
upewniać się - veilig stellen, verzekeren, assureren
upewniać się ( co do czegoś) - constateren, vaststellen, bevinden
upewnić się - constateren, vaststellen, bevinden
upiec - bakken
upierać się - aandringen
upierać się - aanhouden, blijven aandringen
upilnować - het uiterlijk hebben van, er uitzien
upiorny - afgrijselijk
upiór - blinde, blinde bij kaarspel, geest
upload - uploaden
upływać - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
upodobanie - bedenken, zich verbeelden
upodobanie - hoe, bij wijze van, voor, als, tot
upokarzać się - kleinmaken, vernederen, verootmoedigen
upokorzenie - verootmoediging, vernedering
upokorzyć - nederig, onderdanig, deemoedig
upominać - vermanen, aanmanen, manen, aansporen
upominek - aandenken, gedenkschrift
upominek - aandenken, gedenkschrift
uporczywa (walka) - bar, hard, streng, duchtig, straf
uporczywy - halsstarrig, hardnekkig, koppig
uporczywy - koppig, halsstarrig, hardnekkig
uporządkować coś - aanpassen, afstemmen, adapteren
uporządkowanie - afstelling, instelling
uporządkowany - systematisch
upoważniać - machtigen, volmachtigen, autoriseren
upoważnić - machtigen, volmachtigen, autoriseren
upoważnienie - mandaat, bevoegdheid, machtiging
upraszczać - vereenvoudigen, simplificeren
upraszczać - inkorten, bekorten, afkorten
uprawa - cultuur, teelt, beschaving, bouw
uprawa drzew - tuinieren
uprawa ogrodu - cultuur, teelt, beschaving, bouw
uprawiać - bebouwen, bewerken, kweken
uprawiać - drillen, oefenen
uprawiać - geldkist, kas, fonds
uprawiać autostop - dobbelen
uprawiać hazard - hof, tuin
uprawiać stręczycielstwo - kampen, worstelen
uprawiać zapasy - agrarisch
uprawiać ziemię - bebouwen, bewerken, kweken
uprawnianie - mandaat, bevoegdheid, machtiging
uprawnienie - titelen, tituleren, betitelen
uprawnienie - autoriteit, gezag
uprawnienie - mandaat, bevoegdheid, machtiging
uprawnienie - vrijdom, vrijheid, vlotheid
uprawnienie do zarządzania zadaniami - geschiktheid
uprawnienie do zmiany - mandaat, bevoegdheid, machtiging
uprawnienie publiczne - mandaat, bevoegdheid, machtiging
uprawnienie zdolność - autoriteit, gezag
uprościć - vereenvoudigen, simplificeren
uprowadzać - ontvoeren
uprowadzenia - ontvoering
uprowadzenie - ontvoering
uprowadzić - ontvoeren
uprzątać - elimineren, afschaffen, opdoeken
uprząż - span
uprzednio - daarvoor, eerder, vooraan, indertijd
uprzednio - al, reeds, alvast, alreeds
uprzedzać - vooroordeel, vooringenomenheid
uprzedzać ( do kogoś) - anticiperen, prejudiciëren
uprzedzenia - vooroordeel, vooringenomenheid
uprzedzenie - vooroordeel, vooringenomenheid
uprzedzić - anticiperen, prejudiciëren
uprzejmie - zachtjes, voorzichtig
uprzejmość - gunst, begunstiging, genadigheid
uprzejmość - voorkomendheid, liefheid
uprzejmość - beleefdheid, hoffelijkheid
uprzejmy - beschaafd, wellevend, welgemanierd
uprzejmy - bereidwillig, bereidvaardig
uprzejmy - vriendelijk, voorkomend
uprzejmy - wellevend, beschaafd, welgemanierd
uprzejmy - voorkomend, lief, aardig, vriendelijk
uprzywilejować - preferentie, privilege, prae
uprzywilejowany - bevoorrecht, voorrangs-
upust - disconto
upuść - druppel, waterdruppel
uradowany - jubel-
uradowany - verrukt
Uran - uranium
uran - Uranus
uratować - bergen, behouden, redden
uratować - redden, bergen, behouden
uraz - blessure, wond, kwetsuur, verwonding
uraza - trots
urazić - beledigen, affronteren, krenken
uregulować (np. rachunek) - afhandelen, afdoen
urlop - verlof, vrijaf
urlop - vakantie
urlop chorobowy sickness - vakantie
uroczy - aanbiddelijk, aanbiddenswaardig
uroczy - behaaglijk, genoeglijk
uroczy - bekoorlijk, innemend, charmant
uroczystość - viering
uroda - fraaiheid, schoonheid, knapheid
urodzaj - onbekrompenheid, overvloed
urodzajny - vruchtbaar
urodzenia - geboorte
urodzenie - geboorte
urodziny - verjaardag, geboortedag, verjaring
urok - aantrekkelijkheid
urok - aantrekkelijkheid
urok - appelleren, een beroep doen op
urozmaicenia - afleidingsmanoeuvre
uruchamiać - ontzetten, royeren, ontslaan
uruchamiać - aanrijden, voorrijden
uruchamiać (program) - uitschrijven, lanceren, ontketenen
uruchomić - executeren, ter dood brengen
uruchomić w tle - aanzetten tot, activeren, aanzetten
urwisko - klif, klip
urząd celny - usance, gewoonte, gebruik
urząd celny - douanekantoor, grenskantoor
urząd pocztowy - aanplakken
urząd pocztowy - postkantoor
urządzać - arrangeren, aanrichten, ordenen
urządzać - uitschrijven, regelen, organiseren
urządzenia pomocnicze - bijkomstig, bijbehorend, bijkomend
urządzenie - hulpmiddelen, inrichting, apparaat
urządzenie - akkoord, maatregel
urządzenie peryferyjne - slaaf
urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela - idee, benul, begrip, denkbeeld
urządzenie zewnętrzne - uitrusting, accommodatie, inrichting
urzeczywistniać - beseffen, bevatten, begrijpen
urzędnik - ambtelijk, officieel
urzędnik - bediende, kantoorbediende
urzędnik państwowy - bediende, kantoorbediende
urzędnik stanu cywilnego - officier
urzędowy - ambtelijk, officieel
usankcjonować - ja zeggen, beamen, bevestigen
usilny - dringend, brandend, spoedeisend
usłuchać - gehoorzamen
usługa elektroniczna - speurtocht, speurwerk, zoektocht
usługa o najwyższej możliwej jakości - eredienst, dienst, godsdienstoefening
usługa uaktualniania sterowników - vinger
usługa uwierzytelniania - speurtocht, speurwerk, zoektocht
usługa zabezpieczenia - eredienst, dienst, godsdienstoefening
usługi maklerskie - courtage
usługiwać - te wachten staan, wachten, afhalen
usługiwać - serveren, voorleggen
usługodawca sieciowy - server
usłużny - aandachtig, attent, oplettend
uspokajać - gematigd, bescheiden, matig
uspokoić - stil, bedaard, rustig, kalm
uspokoić - gematigd, bescheiden, matig
uspokoić - bedaard, stil, rustig, kalm
uspokoić się - wiegen
usposobienia - harden, temperen, stalen
usposobienie - harden, temperen, stalen
usposobienie - karakter, geaardheid, aard
usposobiony - aangedaan, aangegrepen
uspółrzędnych w radiolokacji -
usprawiedliwiać - verontschuldigen
usprawiedliwić - verontschuldigen
usprawnić - wijzigen, modificeren
usta - bek, muil
ustalać - determineren, nauwkeurig bepalen
ustalać z góry - inrichten, oprichten, stichten
ustalić - determineren, nauwkeurig bepalen
ustalony - onbeweeglijk, star, vast
ustanawiać - inrichten, oprichten, stichten
ustanowić - inrichten, oprichten, stichten
ustanowić - gesticht, instituut, inrichting
ustanowienie - instelling
ustanowienie - grondwet, constitutie
ustawa - recht
ustawa - statuut
ustawać - stoppen, aflaten, ophouden
ustawą - statuut
ustawiać - inrichting, apparaat, hulpmiddelen
ustawianie - inrichting, apparaat, hulpmiddelen
ustawić - arrangeren, aanrichten, ordenen
ustawienie. układ - akkoord, maatregel
ustąpić - toegeven
ustęp - kast
ustęp (w książce) - artikel, paragraaf
ustęp w książce - artikel, paragraaf
ustępował - neerleggen, bedanken, afstand doen
ustępował - bekoelen, bedaren, luwen
ustnie - mondeling
ustny - mondeling, oraal
ustronne (miejsce) - enkel, bloot, louter
ustrój - stelsel, staatsvorm, regime
usunąć - elimineren, afschaffen, opdoeken
usunąć - reinigen, schoonmaken, louteren
usunąć - gommen, met gom bestrijken
usunąć - vernietigen, verwoesten, vernielen
usunąć - uitwissen, uitvegen, wegvagen
usunąć przekrwienie - schoppen, trappen
usunąć usuwanie (z IRC) - elimineren, afschaffen, opdoeken
usunąć zaznaczenie - elimineren, afschaffen, opdoeken
usuń - uitwissen, uitvegen, wegvagen
usuwalny - afneembaar
usuwanie źródeł zakłóceń radiowych - akkoord, maatregel
usychać - verflensen, kwijnen, verdorren
uszanowanie - eerbiedigen, respecteren
uszczelniać - strakker aantrekken, aantrekken
uszczelnić - kalfateren, kalefateren, breeuwen
uszczypliwy - puntig, spits
uszczypnąć - aperitief, borrel
uszko - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
uszkodzenie - schuld
uszkodzenie styku - verval
uszkodzić - havenen, beschadigen, bederven
uszkodzić - schade aanrichten, schaden
uszkodzony - kapot, stuk, defect, gehavend, kaduuk
uszkodzony sektor - kwalijk, slecht, beroerd, kwaad
uścisk - drukken, dringen, persen, knellen
uścisk - handdruk, hand
uścisk - bemachtigen, grijpen
uścisk - omhelzen, omarmen
uścisk dłoni - vasthaken
uściskać - knuffelen
uścisnąć (rękę) - drukken, dringen, persen, knellen
uśmiech - glimlachen
uśmiech sieciowy - glimlachen
uśmiechać się - glimlachen
uśmiercać - vernietigen, verwoesten, vernielen
uśredniać - gemiddeld
uświadomić - illumineren, verlichten
uświęcać - heiligen
uświęcony - geheiligd, gewijd, heilig, sacraal
utalentowany - getalenteerd, talentvol
utalentowany - eminent, uitstekend, aanzienlijk
utalentowany - capabel, kundig, bekwaam
utknąć - logeren
utkwiony wzrok - staren, turen, aanstaren
utopią - Utopia
utopijny - utopistisch, utopisch
utracić ważność - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
utracony - verloren, kwijt, vervlogen
utrapienia - hoofdpijn
utrapienie - pest
utrata wydajności - druppel, waterdruppel
utrzymać - vertogen, betogen, argumenteren
utrzymywać - blijven
utrzymywać (coś w ruchu) - vertogen, betogen, argumenteren
utrzymywać (stosunki - zich gedragen
utrzymywanie - stutten, steunen, schragen
utrzymywanie się - stutten, steunen, schragen
utwardzać - harden, temperen, stalen
utworzyć - samenstellen, componeren
utworzyć - doen ontstaan, maken, formeren
utwór (muzyczny - fragment, brok
utwór liryczny - tekst
utwórz - scheppen, creëren
utykać - kreupel lopen, hinken, mank lopen
utykanie (na nogę) - kreupel lopen, hinken, mank lopen
utylizacja - zin, aanvechting, lust, neiging
uwaga - berisping, aanmerking, standje, blaam
uwaga - acht, attentie, aandacht
uwalniać - bevrijden
uważać - beoordelen, oordelen, berechten
uważać - acht, attentie, aandacht
uważający ( na coś) - behoedzaam, voorzichtig
uważnie - aandachtig, met aandacht, attent
uważny - aandachtig, attent, oplettend
uwertura - ouverture
uwerturą - ouverture
uwiązanie - affect, emotie, aandoening
uwiązanie - aanhechting
uwielbiać - verafgoden, adoreren, aanbidden
uwielbiać - adoratie, aanbidding
uwielbienie - aanbidding, adoratie
uwierzytelnienie - geloofsbrief
uwieść - verleiden, verlokken, weglokken
uwięzić - gevangenis, kerker, nor
uwięzić - gevangen zetten, opsluiten
uwolnić - vrijstellen, ontslaan
uwolnić - afhelpen
uwolnienie - loslaten, uitlaten, tappen, lossen
uwydatniać - vermeerderen
uwypuklać - met nadruk zeggen, benadrukken
uwypuklać - accentueren, beklemtonen
uwypuklać wzmagać - vermeerderen
uwypuklenie - nadruk, klem
uzależnienia - afhankelijkheid
uzasadniać - verontschuldigen
uzasadniać - garanderen, borg staan voor
uzdą - bedwingen, beteugelen, betomen
uzdolnienia - talent, begaafdheid, gave, aanleg
uzdolnienie - talent, begaafdheid, gave, aanleg
uzdolniony - bekwaam, capabel, kundig
uzgadniać - het eens zijn, overeenstemmen
uzgadniać - in orde, afgesproken, akkoord
uzgadnianie - opnemen, afboeken
uzgodnić - accoord, overeenstemming
uzgodnienia - handdruk, hand
uzgodnienie - accoord, overeenstemming
uzgodnienie włączania i wyłączania - handdruk, hand
uzgodniony - in orde, afgesproken, akkoord
uzgodniony - onbeweeglijk, star, vast
uziemiać - aanaarden
uziemienia - aanaarden
uziemienie - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
uziemienie - aarding, aardleiding
uziemienie - aanaarden
uziemiony - neutraal, afzijdig, onpartijdig
uziom - aanaarden
uznać - agnosceren, als waarheid aannemen
uznaj - menen, geloven, houden voor
uznaj - laten, laten begaan, laten schieten
uznaj - agnosceren, als waarheid aannemen
uznania - toejuichen, bij acclamatie benoemen
uznanie - toejuichen, bij acclamatie benoemen
uznanie - eerbetoon, eerbetuiging
uznanie - erkenning
uzupełniać - compleet, volledig
uzupełniający - aanvullend
uzurpował - kraken, overweldigen, usurperen
uzyskać - verkrijgen, buit maken
uzyskiwać - verkrijgen, buit maken
użycie - aanwending, toepassing
użycie - longtering, tering, tuberculose
użyteczność - utility
użyteczny - bevorderlijk, dienstig, nuttig
użyteczny rozmiar ekranu: 13 - behulpzaam, hulpvaardig
użytek - aannemen, huren, aanwerven
użytkować - uitbuiten, exploiteren, uitmelken
użytkownik - gebruiker
użytkownik zaawansowany - gebruiker
użytkownika -
używać - aanwending, toepassing
używać - betrachten, beoefenen
używać powtórnie - aannemen, huren, aanwerven
używać życia - aanwending, toepassing
używany - tweedehands
używany do tworzenia czasu przyszłego - gaan, zullen
użyźniać - gieren, bemesten, mesten


Ogólna liczba słów na literę U :: 613 ::

Hilux z mocnym sercem - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/1/7086/z7086891M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Dobrze radzi sobie w terenie, nieźle wygląda, ale przez długi czas konkurencja mocnymi silnikami rozkładała go na łopatki. Pod maskę Hiluxa trafił wreszcie długo oczekiwany trzylitrowy Diesel. Czy teraz Toyota przegoni konkurencję?
VW Golf TSI - test wideo
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/7/6829/z6829047M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Kilka lat temu w Golfach królowały diesle, dziś detronizuje je najbardziej zawansowany silnik benzynowy Volkswagena. Pojemność 1,4, moc 160 KM i 240 Nm momentu. Jak to działa? Zobaczcie sami
Camper? A co to takiego
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6834/z6834239M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Blisko 13 m kw., a na nich: cztery łóżka, łazienka, jadalnia, kuchnia i salon. Jak to możliwe? Wystarczy trochę pomysłowości, kilka sklejek, kilogramy silikonu i platforma Fiata Ducato. Tak przygotowanym M1 na kołach postanowiliśmy podbić Peloponez - największy i najciekawszy grecki półwysep
Fiat 500 vs. Ford Ka - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/6757/z6757533M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Z fabryki w Tychach wyjeżdżają dwa cacka, jedno ładniejsze od drugiego. Są bliźniakami, ale łączy je tylko uroda

Losowy


bstipatie constipatie, verstopping, - obstrukcja (id:9880)
ardverschuiving - ziemi się obsunięcie (id:9881)
ebied areaal, oppervlakte, - obszar (id:9882)
rondgebied gebied, ban, territoir, - obszar (id:9883)
lek buurtschap, gehucht, - obrazu definiowania obs (id:9884)
ampplaats piste, krijt, arena, - oddziaływania obs (id:9885)
ansluiten aaneensluiten, zich - taśmy zapisu obsza (id:9886)
ardgordel zone, klimaatzone, - (magnetycznej) taśm (id:9887)
ebied areaal, oppervlakte, - sumować zbiorczy obsz (id:9888)
eelomvattend omvangrijk, uitgebreid, - obszerny (id:9889)
eelomvattend lijvig, - obszerny (id:9890)
eelomvattend omvangrijk, uitgebreid, - obszerny (id:9891)
oyaal groot, ruim, breedvoerig, - obszerny (id:9892)
ing aangelegenheid, zaak, affaire, - obudowa (id:9893)
akken verpakken, inpakken, - obudowa (id:9894)
oppen indopen, indompelen, - płaska obudowa (id:9895)


09aa2256
fotografia ślubna
http://www.mocny.pisz.pl/
komputery sklep
cukierki
Rejestratory temperatury

Statystyki

Zwrotów: 21955

Losowy rekord:
emmet lemmer, kling, - wirnika łopatka (id:7621)
franselen kletteren, afdrogen, - łoskot (id:7622)
alm - łosoś (id:7623)
land - łoś (id:7624)
land - amerykański łoś (id:7625)
ets - łotewski (id:7626)
oeder ploert, schoelje, rotzak, - łotr (id:7627)
etland - Łotwa (id:7628)
ets - Łotysz (id:7629)
angaan aanflitsen, aanfloepen, - łowić (id:7630)
oek - wędkę na łowić (id:7631)
issen - ryby łowić (id:7632)


News


Camper? A co to takiego
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6834/z6834239M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Blisko 13 m kw., a na nich: cztery łóżka, łazienka, jadalnia, kuchnia i salon. Jak to możliwe? Wystarczy trochę pomysłowości, kilka sklejek, kilogramy silikonu i platforma Fiata Ducato. Tak przygotowanym M1 na kołach postanowiliśmy podbić Peloponez - największy i najciekawszy grecki półwysep
Fiat 500 vs. Ford Ka - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/6757/z6757533M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Z fabryki w Tychach wyjeżdżają dwa cacka, jedno ładniejsze od drugiego. Są bliźniakami, ale łączy je tylko uroda
Władcy miasta
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/6787/z6787528M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Są mali, ale zadziorni. Niepozorni, ale szybcy i zwinni. Mało kto im podskoczy, gdy biorą we władanie ulice i bulwary
Toyota iQ - miejska inteligencja
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/1/6729/z6729971M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Jest niemal tak mała, jak Smart, ale mieści aż cztery osoby
Chevrolet Cruze - pierwsza jazda
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6753/z6753379M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Koreańska produkcja, amerykańska jakość, europejski styl - taki jest Chevrolet Cruze. Po trosze wszystkiego, czyli globalny samochód Chevroleta. Czy zawojuje świat?
Opel Insignia EcoFlex - pierwsza jazda
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/2/6738/z6738432M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Insignia to komfortowy rodzinny sedan. Na tyle nowoczesny i dobrze zbudowany, że w ciągu kilku pierwszych miesięcy kupiło go 120 tys. klientów. Czy na ekologiczną i droższą zaledwie o 2200 zł odmianę auta znajdzie się też tylu chętnych?