Sitemap

Losowy


rbeelden zich bedenken, - sobie wyobrazić (id:19990)
rbeelden zich bedenken, - wyobraźnia (id:19991)
rbeelding inbeelding, - wyobraźnia (id:19992)
rbeelden zich bedenken, - wyobrażać (id:19993)
rbeelden zich bedenken, - wyobrażenie (id:19994)
aat prent, afbeelding, - wyobrażenie (id:19995)
grip - wyobrażenie (id:19996)
guur afbeelding, beeld, - wyobrażenie (id:19997)
zonderen isoleren, - wyodrębniać (id:19998)
erdrijven chargeren, - wyolbrzymiać (id:19999)
am lijst, omlijsting, kader, - wypaczenie (id:20000)
geval accident, ongeluk, - wypadek (id:20001)
standigheid - wypadek (id:20002)
ng aangelegenheid, zaak, affaire, - wystąpienie wy (id:20003)
standigheid - śmiertelny wypadek (id:20004)
enement gebeurtenis, belangrijke - śmiertelny wypa (id:20005)
kken - wypalać (id:20006)
nbranden - stałą) (pamięć wypalać (id:20007)
nbranden - CD) (płyty wypalać (id:20008)
zwering - się wyparcie (id:20009)
dampen uitdampen, verdampen, doen - wyparować (id:20010)


Menu

Najnowsze (50)
Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna

Kategorie


Losowy:
psocie - tuigen, optakelen, optuigen
psotny - boosaardig, hatelijk, kwaadaardig
pstrąg - forel
psucie się - vergaan, verrotten, rotten, bederven
psuć - bederven, havenen, beschadigen


Znalezione tłumaczenia na literę R:
r poniżej - daarbeneden, beneden, onder
rabat - disconto
rabat - aftrekken, korten, afslaan
rabin - rabbijn, rabbi
rabować - stropen, buitmaken, roven, plunderen
rabunek - plunderen, buitmaken, stropen, roven
rachmistrz - boekhoudkundige, accountant
rachunek - voorschip, voorsteven, boeg
rachunek - snavel, tuit, bek, snater, neb
rachunek (w banku) - rekening, conto
rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) - boekhouding, boekhouden
racja rozum wnioskować - doen, maken, laten doen, laten
racjonalny - redelijk, rationeel
raczej - een klein beetje, lichtelijk, ietwat
RAD - radium
rada - raadgevend lichaam, raad
rada - raad, raadgeving, advies
rada przetwarzania transakcyjnego - raad, raadgeving, advies
rada przetwarzania transakcyjnego - adviseren, aankondigen, bekendmaken
radar - raderwerk, radar
radą - raadgevend lichaam, raad
radą - sovjet-
radia - draadloze, radio
radio - draadloze, radio
radio amatorskie na balonie - draadloze, radio
radio amatorskie na balonie - draadloze, radio
radio z gramofonem - draadloze, radio
radioamator - ham
radiofonia - draadloze, radio
radiolokator o fali ciągłej - raderwerk, radar
radiotechnika - draadloze, radio
radny miejski - wethouder, schepen
radosny - lustig, vrolijk, monter
radosny - goedgeluimd, goedgehumeurd
radosny - jubel-
radosny - goedgeluimd, goedgehumeurd
radość - blijdschap
radość - flikkeren, flakkeren, schitteren
radość - verrukken, in verrukking brengen
radość - amusement, vermaak
radował - verrukt
radował - genieten van, blij zijn
radowanie - gejubel
radykalnie - grondig, radicaal
radykalny - ingrijpend, grondig, radicaal
radzić - aanwijzen, aangeven, aanduiden
radzić - adviseren, bekendmaken, aankondigen
radzić się - raadplegen, consulteren
radzić sobie z - rondgeven, ronddelen, uitdelen
rafa - klip, rif
rafą - klip, rif
rafineria - raffinaderij
rafinerią - raffinaderij
rafinować - raffineren, louteren, verfijnen
rafinowany (cukier) - gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel
raj - Eden
raj - paradijs
rajstopy - paradijs
Rak - kanker
rak - zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft
rakiecie - vuurpijl, raket
rakieta - vuurpijl, raket
rakieta (ale nie tenisowa) - vuurpijl, raket
rakieta świetlna - flikkeren, flakkeren, schitteren
rakietka - peddelen, door het water plassen
ralizm - realiteit
rama - kader, omlijsting, lijst, raam
rama czasowa - in een lijst zetten, inlijsten, vatten
ramiączko - riem
ramię - bewapenen, wapenen
ramię - schouder
ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) - naast elkaar
ramię w ramię - bewapenen, wapenen
ramię wybiorcze - schouder
ramka - boksen
ramka widoku - in een lijst zetten, inlijsten, vatten
ramka zaznaczania - rand, zoom
rana - ochtend, morgen
rana - zweer
ranczo - landgoed, goed, bezitting, boerderij
randka - benoeming, aanstelling
randka - dadel, dactylus
randka z nieznajomym - benoeming, aanstelling
randze - graad, stand, status, rang
ranek - ochtend, morgen
ranga - graad, stand, status, rang
ranga (w wojsku) - graad, mate, trap
ranić - havenen, beschadigen, bederven
ranić - gewond
ranić - aanschieten
ranny - aangeschoten
rano - ochtend, morgen
rano - voor de middag, in de morgen
rapier - degen
raport - informeren, berichten, inlichten
raport kontrolny - informeren, berichten, inlichten
raport o stanie niezawodności urządzenia - informeren, berichten, inlichten
raptownie - abrupt, kortaf, botweg
raptowny - kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil
rasa - geslacht, stam, volksstam
rasa - opkweken, fokken, opfokken, telen
rasą - geslacht, stam, volksstam
rata - afbetalingstermijn, annuiteit
rata roczna - afbetalingstermijn, annuiteit
ratować - bergen, behouden, redden
ratować - redden, bergen, behouden
ratował - vrijkopen, loskopen, afkopen
ratownictwa - bergen, behouden, redden
ratunek - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
ratunek - bergen, behouden, redden
ratusz - wereldstad, grote stad
raz - eens, op een keer
razem - alles wel beschouwd
razem - samen, tezamen, bijeen, ineen
rąbać - fijnhakken
rączce - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
rdza - verroesten, roesten
rdzą - verroesten, roesten
rdzenny - inboorling
rdzeń - kern, pit
rdzeń pamięciowy - pit, kern
rdzeń systemu operacyjnego - kern, pit
rdzewieć - verroesten, roesten
read only memory - ROM
reagować - reageren
reagować - reageren
reakcja - reactie
reakcja - antwoorden, antwoorden op
reakcją - reactie
reakcjonista - reactionair
reakcjoniście - reactionair
reakcyjny - reactionair
realiście - realist
realizacja - verlichten, vergemakkelijken
realizować - behalen, bereiken, inhalen
realizować - aanwenden, doorvoeren
realizować - beseffen, bevatten, begrijpen
realizowalny - handelbaar, inschikkelijk
realny - praktisch
recenzja - recenseren, bespreken
recenzje prasowe - zuiger
recepcie - recept
recepcjonista - receptioniste
recepcjonistka - receptioniste
recepta - recept
recepta - recept
receptura - recept
recytować - voordragen, declameren
redagować - opmaken, redigeren, opstellen
redagować wstępnie - opmaken, redigeren, opstellen
redaktor - editor
redaktor naczelny - editor
redukcją - afname
redukować - reduceren, inkrimpen, herleiden
redukował - inkrimpen, korten, verkorten
redukował - reduceren, inkrimpen, herleiden
referencja - verwijzing, referentie
refleksja - afspiegeling, weerglans
refleksją - nakomertje
reflektor - lichtbak, reflector, koplamp
reforma - reformeren, hervormen
reformacją - Hervorming, Reformatie
reformą - reformeren, hervormen
refren - koor, rei, zangkoor
regał - schap, plank
region - gewest, gebied, streek, regio
region dostępu - gewest, gebied, streek, regio
regionalny - streek-, gewestelijk, regionaal
registrator - bestand, dossier
reglamentował - reglementeren, reguleren, regelen
regulacja - afstelling, instelling
regulacja obciążenia - leidend, toonaangevend, toongevend
regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych - voorschrift
regularnie - vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal
regularny - gelijkmatig, regelmatig, geregeld
regulator - conducteur, bestuurder
regulator - afstelling, instelling
regulator szybkości - supervisor, controleur, opzichter
regulować - reglementeren, reguleren, regelen
regulować kontrolować - richten, besturen, dirigeren, mennen
regulowalny - inschikkelijk, handelbaar
reguła - heerschappij, bewind, bestuur
reguła aktywna - heerschappij, bewind, bestuur
reguła wyzwalania - heerschappij, bewind, bestuur
rejent - notaris
rejestr - aangeven
rejestr wyjściowy - aangeven
rejestrować - aangeven
rejestrować (się) - aangeven
rejestrować dziennik - plaatsbewijs, biljet, kaartje
rejestrował - geregistreerd
rejon - gewest, gebied, streek, regio
rejs - kruisen (van schip), kruisen
rejs wycieczkowy - circuleren, in omloop zijn, rondgaan
rekin - haai
reklama - bericht, advertentie, aankondiging
reklama docelowa - bericht, advertentie, aankondiging
reklamacja - beschuldiging, aanklacht
reklamą - propaganda, verspreiding
reklamować - adverteren, aankondigen, aandienen
reklamował - adverteren, aankondigen, aandienen
reklamujący - adverteerder, verkondiger
rekomendacja - recommandatie, aanbeveling
rekomendacją - recommandatie, aanbeveling
rekomendować - aanbevelen, aanprijzen, recommanderen
rekomendował - aanbevolen
rekomendował - aanbevelen, aanprijzen, recommanderen
rekompensata - beloning, loon, vergelding
rekompensował - vergoeden, compenseren, goedmaken
rekontrować (w kartach) - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
rekord - discus, plaat, grammofoonplaat, schijf
rekord odniesienia - gebieder, chef, aanvoerder, baas
rekord zasobów - discus, plaat, grammofoonplaat, schijf
rekordzista - kampioen, titelhouder, voorvechter
rekrucie - recruteren
rekrut - recruteren
rekrutować - recruteren
rektor - burgemeester, burgervader
rektor - rector
rekwizyty w teatrze - drager, stut, leuning, steun
relacja - informeren, berichten, inlichten
relacja - betrekking, omgang, verband
relacja - rekening, conto
relacja zwrotna - betrekking, omgang, verband
relacją - betrekking, omgang, verband
relacjonować - verhalen, vertellen, debiteren
relacjonował - aanverwant, verwant
relacjonował - verhalen, vertellen, debiteren
relativum - verwant, familielid
relatywnie - tamelijk
relatywny - verwant, familielid
relewancja - relevantie
religia - religie, geloof, godsdienst
religią - religie, geloof, godsdienst
religijny - religieus, godsdienstig, gelovig
religijny - gewijd, heilig, sacraal, geheiligd
remanent - heerschappij, bewind, bestuur
remanent - vee, kudde, levende have, veestapel
remis - stropdas, das
remisował - toelachen, bekoren, aanlokken
remisując - werkje, schets, tekening
remont - verhelpen, herstellen, repareren
remont - inhalen
rendering - treksluiting, rits, ritssluiting
renomą - lichaamsbouw, gestalte, figuur
renta - pensioen
reorganizować - comprimeren
reperować - verhelpen, herstellen, repareren
repertuar - repertoire
reprezentacja - beeld, afbeelding, figuur
reprezentacja tablicy - beeld, afbeelding, figuur
reprezentacją - beeld, afbeelding, figuur
reprezentant - gedeputeerde, afgevaardigde
reprezentować - verbeelden, uitbeelden, afbeelden
reprodukcja - reproduktie, weergave
reprodukować - reproduceren, weergeven
reprodukował - reproduceren, weergeven
republice - republiek, vrijstaat
republika - republiek, vrijstaat
republikanin - republikeins
reputacja - lucht, reuk, luchtje, geur
reputacja - reputatie, faam, roep, naam
reputacja - faam, befaamdheid, mare, gerucht
reputacją - reputatie, faam, roep, naam
resonans - resonantie, naklank, galm
respekt - eerbiedigen, respecteren
restauracja - restauratie, restaurant, eethuis
reszcie - rest, overige
reszta - rest, overige
reszta także z dzielenia - rest, overblijfsel, rommel, afval
resztki - achterblijven, nablijven
resztki - afkeuren
retoryce - rederijkerskunst, retoriek
retoryka - rederijkerskunst, retoriek
Retusz - bijwerken, retoucheren
reumatyzm - reumatiek
rewanż - wraak
rewanżować (się) - terugdoen, vergelden, beantwoorden
rewers - achterzijde, ommezijde, rugstuk
rewers (monety itp) - achterzijde, ommezijde, rugstuk
rewia - revue, tijdschrift, periodiek
rewidencie - inspecteur, revisor
rewident - inspecteur, revisor
rewident księgowy - inspecteur, revisor
rewidować - checken, aflezen, controleren
rewidować księgi - nakijken, herzien, inspecteren
rewizja - zoektocht, speurtocht, speurwerk
rewizja - checken, aflezen, controleren
rewizja kodu - checken, aflezen, controleren
rewizją - speurtocht, speurwerk, zoektocht
rewolcie - muiten, rebelleren, in opstand komen
rewolucja - revolutie, omwenteling
rewolucjonista - revolutionair
rewolucjoniście - revolutionair
rewolucyjny - revolutionair
rewolwer - revolver
rezerwa dynamiczna - een backup maken, een backup maken van
rezerwa gorąca - inventaris, boedel
rezerwa statyczna - bespreken, reserveren, intekenen
rezerwowa - een backup maken, een backup maken van
rezerwować - bespreken, reserveren, intekenen
rezerwowy kontroler domeny - een backup maken, een backup maken van
rezolucja - resolutie, motie
rezonans - resonantie, naklank, galm
rezultat - afstammen, het gevolg zijn van
rezultat - vervormen
rezultat przekształcenia - afstammen, het gevolg zijn van
rezydencja - herenhuis
rezydencja - woning, logies, onderkomen, kwartier
rezydencją - herenhuis
rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) - gelatenheid, berusting
rezygnacja także jako pogodzenie się z losem - gelatenheid, berusting
rezygnacją - gelatenheid, berusting
rezygnować - neerleggen, bedanken, afstand doen
rezygnował - afstaan, het veld ruimen, toegeven
rezystancja - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
rezystancja dynamiczna - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
rezystancja statyczna - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
reżim - stelsel, staatsvorm, regime
reżyser - directeur, bestuurder
reżyser - bestuurder, beheerder, administrateur
ręcznik - handdoek
ręczny - aanreiken, overhandigen
ręczny - gidsboek, vademecum, gids, reisgids
ręka - bewapenen, wapenen
ręka - aanreiken, overhandigen
ręka w rękę - bewapenen, wapenen
rękaw - mouw
rękawica - handschoen
rękawica (z jednym palcem) - handschoen
rękawiczka - handschoen
rękawiczka - handschoen
rękodzieło - ambacht, beroep, handwerk
Rękojeść noża - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
rękopis - handschrift, manuscript, kopij
rękopis - draaiboek, scenario, script
robactwo - ongedierte
robaczek (program rozmnażający się w sieci) - Boeg
robaczek (program rozmnażający się w sieci) - wandluis
robak - worm, wurm
robak - wandluis
robak - Boeg
robak - wandluis
rober w brydżu - kauwgom
robić (stroić) miny - zinspelen
robić aluzje - zinspelen
robić aluzję do - zinspelen
robić na drutach - breien
robić na drutach - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
robić postępy - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
robić postępy - verbeteren, veredelen
robić pranie mózgu - adverteren, aankondigen, aandienen
robić się - verkrijgen, behalen, buit maken
robić sztuczki kuglarskie - laken, afkeuren, berispen, gispen
robić wrażenie - indruk maken op, imponeren
robić z kogoś idiotę - winkel, zaak
robić zdjęcia - fotograferen, kieken
robienie - fabricatie, aanmaak, fabricage
robocie - robot
robocizna - emplooi, karwei, werk, arbeid
roboczy - krauwen, scharrelen, klauwen, krabben
robot - robot
robota - metselwerk
robota - emplooi, karwei, werk, arbeid
robota kamieniarska - emplooi, karwei, werk, arbeid
robota szydełkowa - emplooi, karwei, werk, arbeid
robotnik - werker
robotnik - werkman, werker, werkkracht, arbeider
robotnik fizyczny - stouwer, stuwadoor
robotnik rolny - werkman, werker, werkkracht, arbeider
robótka (na drutach) - naaien, naaikunst, naaivak
robótki - naaien, naaikunst, naaivak
robótki ręczne - naaien, naaikunst, naaivak
rocznica - herdenkingsdag, gedenkdag, verjaardag
rocznicą - herdenkingsdag, gedenkdag, verjaardag
roczny - jaarlijks
roczny - jaarlijks
rodak - boer, plattelander, landman
rodak - bewoner van een land
rododendron - rododendron
rodowity - ingeboren, aangeboren
rodzaj - aard, karakter, geaardheid
rodzaj - genre, genrestuk
rodzaj - karakter, geaardheid, aard
rodzaj - soort, slag, aard
rodzaj fali - vijzel, dommekracht, krik
rodzaj gniazda wtykowego - mannelijk
rodzaj męski - mannelijk
rodzaj nijaki liczba mnoga - geestelijk
rodzaj tkaniny bawełnianej - vrouwelijk
rodzaj żeński - karakter, geaardheid, aard
rodzaj żeński liczba mnoga - aanvoeren, commanderen, bevelen
rodzajnik - handelsartikel, artikel
rodzajnik określony: ten - aan de, het, aan het, de, naar de
rodzaju żeńskiego - vrouwelijk
rodzic - ouder
rodzic - ouderpaar, ouders
rodzic (ojciec lub matka) - ouder
rodzic ojciec lub matka - ouder
rodzice - ouderpaar, ouders
rodzimy - ingeboren, aangeboren
rodzina - gezin, huisgezin, huis, familie
rodzina - affiniteit, verwantschap
rodzina protokołów - gezin, huisgezin, huis, familie
rodzinny - gezin, huisgezin, huis, familie
rodzinny - Natal
rodzynek - aalbes, bes
rodzynek (w cieście) - pruim
roić się - krioelen, wemelen, wriemelen, krielen
roić się - in overvloed aanwezig zijn
rok - jaar
rok itp) - dwars door
rok przestępny - schrikkeljaar
rokrocznie - jaarlijks
rola - rol
rola papieru - web, spinrag, spinneweb, rag
rolka zwój zwijać - broodje, bolletje, kadetje, kadet
rolnictwa - akkerbouw
rolnictwo - akkerbouw
rolniczy - agrarisch
rolnik - boer
rolnik - aaneen, co-, samen-, aaneen-, samen
rolny - agrariër, landbouwer
romans - romance
romans - Romaans
romans czny - Romaans
romans czny - romance
romantyczny - romantisch
romantyk - romantisch
romantyzm - romantiek
romb - ruit, griet, tarbot
ronda - daaromheen, eromheen, in het rond
rondel - braadpan, steelpan, pan
rondo - circus
rondo (kapelusza) - boord, kant, rand, zoom, band
ropa - olie, petroleum
ropa naftowa - olie, petroleum
ropień - ettergezwel, abces, etterbuil
ropucha - pad
rosa - dauw
rosą - dauw
Rosja - Rusland
Rosjanin - Russisch
rosnąć - toegaan, voortgang hebben, gebeuren
rosnąć - groeien, vegeteren
rosnąć jak grzyby po deszczu - champignon
rosół - bouillon, vleesnat
rosyjski - Russisch
roszczenie - aanspraak maken op, claimen
rościć pretensje - voorgeven, voorwenden, doen alsof
roślina - gewas, plant
roślina zimozielona - gewas, plant
rośliną - gewas, plant
roślinność - plant, gewas
roślinny - groente
rotacja - krullen
rowek - fluit
rower - fiets, rijwiel, tweewieler
rower - fiets, tweewieler, rijwiel
rower - fietsen, wielrijden
rower spacerowy - fiets, tweewieler, rijwiel
rozbarwienie oddzielenie - clausuur, schifting, afscheiding
rozbicie (się) statku - schipbreuk
rozbić - schipbreuk
rozbić się na kawałki - vermorzelen, intrappen, verbrijzelen
rozbierać (na części) - negligé, peignoir, ochtendjas, duster
rozbierać (urządzenia) - negligé, peignoir, ochtendjas, duster
rozbierać się - strip, windsel, strook, reep
rozbiór - analyse, ontleding, ontbinding
rozbiór składniowy - analyse, ontleding, ontbinding
rozbiórce - afbraak, ontmanteling, sloop
rozbrajać - ontwapenen
rozbroić - ontwapenen
rozbroić (się) - ontwapenen
rozbrzmiewać - galmen, aflopen, kleppen, beieren
rozbrzmiewać - naklinken, galmen, doorklinken
rozbudowa - achtervoegsel, suffix
rozbudować - doen ontstaan, maken, formeren
rozciąć - doorsnijden, sectie verrichten
rozciągać - omvang, bestek, grootte
rozciągać (się) - omvang, bestek, grootte
rozciągliwy - rekbaar, soepel, elastisch
rozcieńczać - aanlengen
rozcieńczać - verdunnen, verzwakken
rozcieńczony - verdunnen, verzwakken
rozcieńczyć - aanlengen
rozcinać - maaien
rozczarować - tegenvallen, ontgoochelen
rozczarowanie - smart, leed, verdriet
rozczochrać się - kneden
rozdaj - rondgeven, ronddelen, uitdelen
rozdarcia - scheuren, rijten
rozdawać - rondgeven, ronddelen, uitdelen
rozdrabniać - scheppen, creëren
rozdrabniać - afbrokkelen, gruizelen
rozdrażniony - slechtgehumeurd, balorig, kregel
rozdrobnić - scheiden
rozdział - eenheid, unit
rozdział - clausuur, schifting, afscheiding
rozdział - hoofdstuk, chapiter, kapittel
rozdzielacz - verdeler
rozdzielać - uitdelen, ronddelen, rondgeven
rozdzielać proporcjonalnie - uitdelen, ronddelen, rondgeven
rozdzielczość - resolutie, motie
rozdzielczość odwzorowywanie - resolutie, motie
rozdzielić - verloten, loten
rozdzielić (się) - actie, aandeel
rozebrać - negligé, peignoir, ochtendjas, duster
rozerwać - opvrolijken, amuseren, onderhouden
rozerwać się - opvrolijken, amuseren, onderhouden
rozerwanie - interrumperen, schorsen, onderbreken
rozeta - rose, roze, roos
rozgałęziacz - bewerker
rozgałęziacz - bewerker
rozgłaszający - adverteerder, verkondiger
rozgłaszanie (np. usług sieciowych przez ruter) reklama - uitzenden, omroepen
rozgłos - propaganda, verspreiding
rozgłos - onderscheiding
rozgnieść - aandrang, toeloop, run
rozgrzeszać - absolveren, absolutie geven
rozgrzeszenia - kwijstschelding, vrijspraak, absolutie
rozgrzeszenie - kwijstschelding, vrijspraak, absolutie
rozgrzeszyć - absolveren, absolutie geven
rozgrzewać - warm
rozjazd - aansluiting
rozjemczy - willekeurig, arbitrair, eigenmachtig
rozkapryszony - grillig, nukkig, onberekenbaar
rozkaz - aanwijzing, consigne, instructie
rozkaz zatrzymania - aanwijzing, consigne, instructie
rozkaz zatrzymania warunkowego - bevelen, aanvoeren, commanderen
rozkazywać - bevelen, aanvoeren, commanderen
rozklekotany - bouwvallig, gammel, aftands
rozkład - verdeling, uitreiking
rozkład - verspreiden, verbreiden, afgeven
rozkład (jazdy - dienstregeling, rooster
rozkład statystyczny częstotliwości - dienstregeling, rooster
rozkładać (się) - oplossen, opgelost worden
rozkosz - verrukken, in verrukking brengen
rozkoszny - aanbiddelijk, aanbiddenswaardig
rozkoszny - heerlijk, betoverend, beeldig
rozkruszyć - afbrokkelen, gruizelen
rozkwitać - fanfarekorps, fanfare
rozlać - morsen
rozległy - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
rozległy (widok) - breedvoerig, ruim, groot, royaal
rozlepiać plakaty - aanplakken
rozlew krwi - bloedvergieten
rozliczenie - akkoord, accoord, overeenstemming
rozluźnić - verslappen, zich verpozen
rozładować - lossen, uitladen, afladen
rozłam - actie, aandeel
rozłączenia - oplossing
rozłączenie - scheiding, echtscheiding
rozłączyć - afslaan, halthouden, blijven staan
rozłąka - clausuur, schifting, afscheiding
rozłożyć - divan, Turkse staatsraad, rustbank
rozmaitość - variatie, variëteit, afwisseling
rozmaity - verschillend, menigvoudig, menigvuldig
rozmaity - menigvuldig, verschillend, menigvoudig
rozmaity - verscheidene, diverse
rozmaity - uiteenlopend, verschillend
rozmawiać - converseren, een gesprek voeren
rozmiar - grootte, bestek, omvang
rozmiar - omvang, bestek, grootte
rozmiar słowa - omvang, bestek, grootte
rozmiar wartość bezwzględna - omvang, bestek, grootte
rozmieniać - veranderen, anders maken
rozmieniać - afwisselend
rozmieszczenie - akkoord, maatregel
rozmieszczenie - zin, aanvechting, lust, neiging
rozmieszczenie pliku - situatie, stand van zaken
rozmieścić - arrangeren, aanrichten, ordenen
rozminać się - missen, mislopen, misgrijpen
rozmnażać - kuit, viskuit, kikkerdril
rozmnażać - multipliceren, vermenigvuldigen
rozmnażania - reproduktie, weergave
rozmowa - keuvelen, babbelen, praten
rozmowa - spreken, praten
rozmowa w czasie rzeczywistym - keuvelen, babbelen, praten
rozmową - onderhoud, gesprek
rozmowny - spraakzaam
rozmowny - aanspreekbaar
rozmycie - vervagen
rozmyślać - peinzen, mediteren, nadenken
rozmyślać - reflecteren, spiegelen, terugkaatsen
rozmyślanie - nadenkend
rozmyślnie - expres, moedwillig, met opzet, wetens
rozmyty wątpliwy - nevelig, heiig, dampig, mistig
roznosić - uitdelen, ronddelen, rondgeven
roznosić - dragen, voorhebben, voeren, brengen
rozpacz - vertwijfelen, wanhopen
rozpaczać - vertwijfelen, wanhopen
rozpaczliwy - radeloos, wanhopig
rozpad - verval
rozpadać się - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
rozpakować - uitpakken
rozpakować (dane) - uitpakken
rozpakować (skompresowane archiwum) - afleiden
rozpakowywać - uitpakken
rozpalać - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
rozpalać - aansteken, doen ontbranden, aanmaken
rozpalony - gloeiend, verzendend, vurig, verterend
rozpaść się - vermorzelen, intrappen, verbrijzelen
rozpatruj - beschouwen, overwegen, nagaan
rozpatrywać - onderzoeken, nakijken, examineren
rozpęd - aanzetten tot, activeren, aanzetten
rozpieszczać - troetelen, koesteren, vertroetelen
rozpieszczać - koesteren, troetelen, vertroetelen
rozpieszczony - verspild
rozpiętość - verspreiden, verbreiden, afgeven
rozpocząć - uitschrijven, lanceren, ontketenen
rozpocząć - aanvangen, aanbinden, beginnen
rozpoczęcie - ontstaan, begin, aanvang
rozpoczynać - aanvangen, aanbinden, beginnen
rozpoczynać - ontstaan, begin, aanvang
rozporek - aanvliegen
rozporządzać - bevelen, aanvoeren, commanderen
rozporządzać - aanvoeren, commanderen, bevelen
rozpowszechniać - uitdelen, ronddelen, rondgeven
rozpowszechniać - uitzaaien, uitstrooien
rozpowszechniony - bezoeken, geregeld bezoeken
rozpoznanie - toejuichen, bij acclamatie benoemen
rozpoznawać - onderscheiden, onderkennen
rozpraszać - uitdelen, ronddelen, rondgeven
rozpraszać - afgetrokken, verstrooid
rozpraszać - verstrooien
rozpraszać - uiteenjagen, uiteendrijven
rozpraszanie - uitspatting
rozprawa naukowa - verhandeling
rozprawiać - bespreken, discuteren
rozproszenie - verdeling, uitreiking
rozproszyć (się) - uiteenjagen, uiteendrijven
rozproszyć (się) - strooien, rondstrooien
rozprowadzać - uitzaaien, uitstrooien
rozprucie - scheuren, rijten
rozpruć - scheuren, rijten
rozpusta - uitspatting
rozpustny - goedgeluimd, goedgehumeurd
rozpuszczać - oplossen, opgelost worden
rozpuszczać (się) - oplossen, opgelost worden
rozpuszczać się - ontdooien, dooien, wegsmelten
rozpuście - uitspatting
rozrachunek - akkoord, accoord, overeenstemming
rozradowany - overgelukkig
rozróżniać - uit elkaar houden, onderscheid maken
rozróżnienie - onderscheiding
rozruch - versnelling, acceleratie
rozrusznik - aanzetschakelaar, starter
rozrywce - aardigheid, pretje, amusement
rozrywce - verstrooiing, afleiding
rozrywka - aardigheid, pretje, amusement
rozrzedzać łagodzić - aanlengen
rozrzedzić - verspreiden, verdunnen
rozrzewniający - emotioneel, aangrijpend, roerend
rozrzucać - uiteenjagen, uiteendrijven
rozrzucać - strooien, rondstrooien
rozrzut - verspreiden, verbreiden, afgeven
rozsadzający - doortrapt, slim, gewiekst, listig
rozsądek - reden, oorzaak
rozsądek - betekenis, zin
rozsądny - matig, gematigd, bescheiden
rozsiewać zapach - reuk, geur, luchtje, lucht
rozstawać się - deel, stuk, onderdeel, gedeelte
rozstrzelać - vuren, schieten, paffen
rozstrzygać - determineren, nauwkeurig bepalen
rozstrzygający - kritiek, hachelijk
rozstrzygający - beslissend, finaal, cruciaal
rozsypać - morsen
rozszerz - omvang, bestek, grootte
rozszerzalność - uitzetting, expansie
rozszerzanie - uitzetting, expansie
rozszerzanie (się) - uitzetting, expansie
rozszerzenie - achtervoegsel, suffix
rozszerzenie - optelling
rozszerzenie - begeleiding, accompagnement
rozszerzenie wejścia analogowego - achtervoegsel, suffix
rozszyfrowywać - ontcijferen, ontraadselen
rozświetlony - gloeiend, vurig, verterend, verzendend
roztargnienie - verstrooiing, afleiding
roztargniony - afgetrokken, verstrooid
roztargniony - afgetrokken, verstrooid
roztargniony - verstrooid, afgetrokken
roztropny - raadzaam
roztropny - verstandig
roztropny - nadenkend
roztrwonić - verklungelen, opmaken, verdoen
roztrzaskać - vermorzelen, intrappen, verbrijzelen
roztrzaskać - vermorzelen, intrappen, verbrijzelen
roztwór - oplossing
roztwór buforowy - buffer, bumper, stootkussen
rozum - spriet, boegspriet
rozumieć - in verwachting raken, zwanger raken
rozumieć - bevatten, begrijpen, beseffen
rozumieć - verband, omgang, betrekking
rozumny - nadenkend
rozumny - verstandig
rozumowo - uitgebreid
rozumowy - lijvig, veelomvattend
rozumowy - redelijk, rationeel
rozwalniający - laxeermiddel, laxans
rozwarty - gesmoord, toonloos, stomp, dof
rozważać jakieś zagadnienie - beschouwen, overwegen, nagaan
rozważny - nadenkend
rozważny - verstandig
rozweselać - opvrolijken, amuseren, onderhouden
rozwiązanie - antwoorden, antwoorden op
rozwiązanie - oplossing
rozwiązanie osobliwe - oplossing
rozwiązanie sieciowe - antwoorden, antwoorden op
rozwiązywać węzły - afbinden, losbinden, losmaken
rozwidlenia - kruis, vork
rozwidlić - kruis, vork
rozwiedziony - gescheiden
rozwieść się - scheiding, echtscheiding
rozwijać - doen ontstaan, maken, formeren
rozwijać - afwikkelen, ontrollen, uitrollen
rozwolnienie - buikloop, diarree
rozwód - scheiding, echtscheiding
rozwój - ontwikkeling, evolutie
rozwój - evolutie, ontwikkeling
rozwój - verbetering, vooruitgang, beterschap
rozwój oprogramowania - wasdom, ontwikkeling, groei
rozwścieczać - wierook
rozwywka - amusement, vermaak
rozżarzony - witgloeiend
rożen - aanboren
ród - geboorte
ród - boomstam, stam
ród - opslaan
róg - accapareren, opkopen
róg - hoorn
róg zwierzyny płowej - hoorn
rój - krioelen, wemelen, wriemelen, krielen
rów - groef, kuil, groeve, greppel, gracht
rów (odwadniający) - waterkering, dijk
rów (odwadniający) - loopgraaf
rówieśnik - turen, aanstaren, staren
równać się - egaal, gelijk, eender, gelijkmatig
równie - voor, als, bij wijze van, hoe, tot
równie - evenzeer, even, gelijkelijk, gelijk
również - ergo, dus, ook weer, toch
również - evenzeer, ook, mede, eveneens
równik - evenaar, evennachtslijn, equator
równina - vlakte
równiną - vlakte
równo - evenzeer, even, gelijkelijk, gelijk
równo - gelijk, vlak, effen
równoczesny - simultaan, eigentijds, gelijktijdig
równoległy - evenwijdig, parallel
równoległy system przetwarzania - evenwijdig, parallel
równoleżnik - evenwijdig, parallel
równonoc - nachtevening, dag- en nachtevening
równoprawny - turen, aanstaren, staren
równorzędny - equivalent, gelijkwaardig
równorzędny - turen, aanstaren, staren
równość - pariteit
równość - gelijkheid, pariteit
równowadze - saldo, overschot
równowaga - saldo, overschot
równowaga - evenwichtstoestand, balans, evenwicht
równowaga sił - evenwichtstoestand, balans, evenwicht
równoważny - equivalent, gelijkwaardig
równoważny średni czas do uszkodzenia - equivalent, gelijkwaardig
równoważyć - vergoeden, compenseren, goedmaken
równy - egaal, gelijk, eender, gelijkmatig
równy - gelijk, vlak, effen
równy (
rózga - baar, roede, paal, schacht, pijp
róż - krokus
róż (kolor różowy) - anjer, anjelier
róża - rose, roze, roos
różaniec - kraal
różaniec - rozenkrans, reeks, bidsnoer, rist
różańca - rozenkrans, reeks, bidsnoer, rist
różnica - verschil, onderscheid
różnica poglądów - verschil, onderscheid
różnica symetryczna - onderscheiding
różnica symetryczna (zob.XOR) - of
różnić (się) - uiteenlopen, verschillen, schelen
różnić się - uit elkaar houden, onderscheid maken
różnić się - menigvuldig, verschillend, menigvoudig
różnić się - variëren, afwisselen, werken
różnorodny - verschillend, menigvoudig, menigvuldig
różnorodny - menigvuldig, verschillend, menigvoudig
różny - verschillend, menigvoudig, menigvuldig
różny - klaar, uitgesproken, helder
różny - uiteenlopend, verschillend
różowy - roze, rozig, rose, rooskleurig
rtęć - Mercurius
rtęć - kwikzilver, kwik
rubaszny - hardhandig, lomp, onkies, grof, ruw
rubel - roebel
rubin - robijn
ruch - circulatie, roulatie, omloop
ruch - motie, resolutie
ruch oporu - circulatie, roulatie, omloop
ruch powrotny - beweging
ruch społeczny - motie, resolutie
ruch uliczny - muntsoort, valuta
ruch w sieci - beweging
ruchliwy - druk, bezet
ruchliwy - werkzaam, actief, bedrijvig
ruchomości - aandoenlijk, roerend, ontroerend
ruchomy - resideren, gevestigd zijn, huizen
ruchomy - los, mobiel, beweegbaar, roerend
ruchomy - aandoenlijk, roerend, ontroerend
ruchomy - afneembaar
rufa - achtersteven, spiegel
rufą - achtersteven, spiegel
ruina - ruineren, te gronde richten
rujnować - ruineren, te gronde richten
rujnował - vermorzelen, intrappen, verbrijzelen
rulon - broodje, bolletje, kadetje, kadet
rum - rum
rumienić się (ze wstydu) - kleuren, blozen, rood worden
rumieniec - kleuren, blozen, rood worden
rumieńca - kleuren, blozen, rood worden
rumowisko - puin, afval, rommel, prullaria
Rumun - Roemeens
Rumunia - Roemenië
rura - pijp, tabakspijp
rura itp. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu - eb-
rura wydechowa - binnenband, luchtpijp, luchtband
rura wydechowa - pijp, tabakspijp
ruszać - ontroeren, aangrijpen, bewegen
ruszać - aangrijpen, ontroeren, bewegen
ruszcie - rooster, hek, afrastering, traliehek
ruszt - rooster, hek, afrastering, traliehek
rusztowanie - prieel
rusztowanie - schavot
rutyna - routine, sleur
rwać - vaneenscheuren, doorscheuren
ryba - vissen
rybak - visser, visverkoper
rybą - vissen
rycerz - paard, paard in schaakspel, ridder
rycerz - ridder, paard in schaakspel, paard
rydwan - karretje, wagen, handkar, kar
rygiel - grendelen, afgrendelen
ryglować - op slot, afgesloten
rygor - stijfheid
rygorystyczny - streng, wettisch, gestreng, strikt
ryk - bulderen, brullen, loeien, daveren
ryk - gillen, bulderen, bleren, brullen
ryknąć - gillen, bulderen, bleren, brullen
ryknąć - brullen, balken, grommen, blaten
rylec - griffel, etsnaald, schrijfstift
rym - rijmen, berijmen
rynce - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
rynce - marktplaats, markt, marktplein
rynek - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
rynek - marktplaats, markt, marktplein
rynek (handlowy) - marktplaats, markt, marktplein
rynek branżowy - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
rynek rozwijający się - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
rysa - barst
rysą - kerel, persoon, sujet, knul, snuiter
rysą - barst
rysować - toelachen, bekoren, aanlokken
rysownica dźwiękowa - tafel, tabel, lijst
rysownicy - onderbroek
rysownik - schuiflade, la, lade
rysunek - werkje, schets, tekening
rysunek - rekenen, cijferen
rysunek odręczny - rekenen, cijferen
rysunek techniczny - werkje, schets, tekening
rysy twarzy - karaktertrek, trek, gelaatstrek
rytm - ritme
rytmiczny - ritmisch
rytowanie - ets
rytownictwo - prent, gravure, graveerwerk
rywal - meedingen, concurreren, wedijveren
rywalizacja (o dostęp) - wedijver
rywalizacją - wedijver
rywalizować - meedingen, concurreren, wedijveren
rywalizować - meedingen, wedijveren, concurreren
rywalizował - meedingen, wedijveren, concurreren
ryzyko - kans lopen, op het spel zetten
ryzyko naruszenia bezpieczeństwa - dobbelen
ryzyko utraty zabezpieczeń - kans lopen, op het spel zetten
ryzykować - kans lopen, op het spel zetten
ryzykować - stijl, paal, post, deurpost
ryzykowny - glad, ongrijpbaar, glibberig
ryzykowny - riskant, gewaagd, bedenkelijk
ryzykowny - riskant, bedenkelijk, gewaagd
ryż - rijst
ryż - opstaan, gaan staan
rzadki - zeldzaam, ongemeen, schaars
rzadki - amper, kwalijk, nauwelijks
rzadko - zelden
rząd - gouvernement, regering, overheid
rząd - bestand, dossier
rząd wielkości - roeien
rządowy - federaal
rządy - bestuur, heerschappij, bewind
rządzić - aanvoerder, chef, gebieder, baas
rządzić - regeren, besturen, aanvoeren
rzece - rivier, stroom
rzece itp) - in bad doen, baden, wassen
rzecz - aangelegenheid, ding, affaire, zaak
rzecz - ding, voorwerp
rzecz - dingen, spullen
rzecz konieczna - ding, voorwerp
rzeczownik - substantief, zelfstandig naamwoord
rzeczownik - substantief, zelfstandig naamwoord
rzeczownik rodzaju męskiego - mannelijk
rzeczownik rodzaju żeńskiego - vrouwelijk
rzeczowy - werkelijk, feitelijk
rzeczoznawca - deskundig
rzeczpospolita - republiek, vrijstaat
rzeczywistość - realiteit
rzeczywisty - werkelijk, effectief, daadwerkelijk
rzeczywisty - daadwerkelijk, werkelijk, effectief
rzeczywisty czas ekspozycji - werkelijk, effectief, daadwerkelijk
rzeczywisty czas naświetlania - virtueel
rzeczywisty czas pracy - werkelijk, effectief, daadwerkelijk
rzeczywiście - inderdaad, metterdaad, waarachtig
rzeczywiście - werkelijk, echt, wezenlijk
rzeczywiście - werkelijk, wezenlijk
rzeka - rivier, stroom
rzekomo - naar men zegt
rzemień - riem
rzemiosło - kunst
rzemiosło - handelen, handel drijven
rzepa - raap, knol, knolraap, koolzaad
rześki - levendig, druk, rap, kras, kwiek
rześki - snedig, geestig, gevat, ad rem
rzetelny - raadzaam
rzetelny - billijk, fair, rechtvaardig
rzeź - afslachten, slachten
rzeź - moordpartij, bloedbad
rzeźba - altaar
rzeźba - beeldhouwen, uithouwen, uithakken
rzeźba nad ołtarzem - beeldhouwen, uithouwen, uithakken
rzeźbiarstwo - altaar
rzeźbiarstwo - beeldhouwen, uithouwen, uithakken
rzeźbić - beitelen
rzeźbić - beeldhouwen, uithakken, uithouwen
rzeźnia - slachthuis, abattoir, slachterij
rzeźnia - slachthuis, abattoir, slachterij
rzeźnik - slachten, afslachten
rzeżnik - slachten, afslachten
rzodkiewce - radijs
rzodkiewka - radijs
rzucać - opgooien, gooien
rzucać - keilen, werpen, uitspelen, gooien
rzucać - schadelijk
rzucać - strelen, liefkozen, aaien, aanhalen
rzucać - afgietsel, gegoten voorwerp
rzucać oszczerstwa - opgooien, gooien
rzucać się - strelen, liefkozen, aaien, aanhalen
rzucić - keilen, werpen, uitspelen, gooien
rzucić wyzwanie - trotseren, tarten, uitdagen, uittarten
rzucić zgłosić (wyjątek) - keilen, werpen, uitspelen, gooien
rzucić zgłosić wyjątek - keilen, werpen, uitspelen, gooien
rzut - keilen, werpen, uitspelen, gooien
rzut oka - een blik werpen, een blik werpen op
Rzut poziomy - omlijning, omtrek
rzutki - werkzaam, actief, bedrijvig
rzutnik - projector, projectietoestel
rzutować rzutowanie - strelen, liefkozen, aaien, aanhalen
rzutowanie - afgietsel, gegoten voorwerp
Rzym - Rome
rzymski - Romeins
rżeć - brullen, balken, grommen, blaten
rżenie - brullen, balken, grommen, blaten


Ogólna liczba słów na literę R :: 966 ::

Hilux z mocnym sercem - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/1/7086/z7086891M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Dobrze radzi sobie w terenie, nieźle wygląda, ale przez długi czas konkurencja mocnymi silnikami rozkładała go na łopatki. Pod maskę Hiluxa trafił wreszcie długo oczekiwany trzylitrowy Diesel. Czy teraz Toyota przegoni konkurencję?
VW Golf TSI - test wideo
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/7/6829/z6829047M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Kilka lat temu w Golfach królowały diesle, dziś detronizuje je najbardziej zawansowany silnik benzynowy Volkswagena. Pojemność 1,4, moc 160 KM i 240 Nm momentu. Jak to działa? Zobaczcie sami
Camper? A co to takiego
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6834/z6834239M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Blisko 13 m kw., a na nich: cztery łóżka, łazienka, jadalnia, kuchnia i salon. Jak to możliwe? Wystarczy trochę pomysłowości, kilka sklejek, kilogramy silikonu i platforma Fiata Ducato. Tak przygotowanym M1 na kołach postanowiliśmy podbić Peloponez - największy i najciekawszy grecki półwysep
Fiat 500 vs. Ford Ka - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/6757/z6757533M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Z fabryki w Tychach wyjeżdżają dwa cacka, jedno ładniejsze od drugiego. Są bliźniakami, ale łączy je tylko uroda

Losowy


bstipatie constipatie, verstopping, - obstrukcja (id:9880)
ardverschuiving - ziemi się obsunięcie (id:9881)
ebied areaal, oppervlakte, - obszar (id:9882)
rondgebied gebied, ban, territoir, - obszar (id:9883)
lek buurtschap, gehucht, - obrazu definiowania obs (id:9884)
ampplaats piste, krijt, arena, - oddziaływania obs (id:9885)
ansluiten aaneensluiten, zich - taśmy zapisu obsza (id:9886)
ardgordel zone, klimaatzone, - (magnetycznej) taśm (id:9887)
ebied areaal, oppervlakte, - sumować zbiorczy obsz (id:9888)
eelomvattend omvangrijk, uitgebreid, - obszerny (id:9889)
eelomvattend lijvig, - obszerny (id:9890)
eelomvattend omvangrijk, uitgebreid, - obszerny (id:9891)
oyaal groot, ruim, breedvoerig, - obszerny (id:9892)
ing aangelegenheid, zaak, affaire, - obudowa (id:9893)
akken verpakken, inpakken, - obudowa (id:9894)
oppen indopen, indompelen, - płaska obudowa (id:9895)



Dotąd doszliśmy - Grzegorz Turnau
testowanie oprogramowania
Kontrast Gdańsk - darmowe filmy
linki bezpośrednie
smycze reklamowe

Statystyki

Zwrotów: 21955

Losowy rekord:
emmet lemmer, kling, - wirnika łopatka (id:7621)
franselen kletteren, afdrogen, - łoskot (id:7622)
alm - łosoś (id:7623)
land - łoś (id:7624)
land - amerykański łoś (id:7625)
ets - łotewski (id:7626)
oeder ploert, schoelje, rotzak, - łotr (id:7627)
etland - Łotwa (id:7628)
ets - Łotysz (id:7629)
angaan aanflitsen, aanfloepen, - łowić (id:7630)
oek - wędkę na łowić (id:7631)
issen - ryby łowić (id:7632)


News


Camper? A co to takiego
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6834/z6834239M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Blisko 13 m kw., a na nich: cztery łóżka, łazienka, jadalnia, kuchnia i salon. Jak to możliwe? Wystarczy trochę pomysłowości, kilka sklejek, kilogramy silikonu i platforma Fiata Ducato. Tak przygotowanym M1 na kołach postanowiliśmy podbić Peloponez - największy i najciekawszy grecki półwysep
Fiat 500 vs. Ford Ka - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/6757/z6757533M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Z fabryki w Tychach wyjeżdżają dwa cacka, jedno ładniejsze od drugiego. Są bliźniakami, ale łączy je tylko uroda
Władcy miasta
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/6787/z6787528M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Są mali, ale zadziorni. Niepozorni, ale szybcy i zwinni. Mało kto im podskoczy, gdy biorą we władanie ulice i bulwary
Toyota iQ - miejska inteligencja
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/1/6729/z6729971M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Jest niemal tak mała, jak Smart, ale mieści aż cztery osoby
Chevrolet Cruze - pierwsza jazda
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6753/z6753379M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Koreańska produkcja, amerykańska jakość, europejski styl - taki jest Chevrolet Cruze. Po trosze wszystkiego, czyli globalny samochód Chevroleta. Czy zawojuje świat?
Opel Insignia EcoFlex - pierwsza jazda
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/2/6738/z6738432M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Insignia to komfortowy rodzinny sedan. Na tyle nowoczesny i dobrze zbudowany, że w ciągu kilku pierwszych miesięcy kupiło go 120 tys. klientów. Czy na ekologiczną i droższą zaledwie o 2200 zł odmianę auta znajdzie się też tylu chętnych?