Losowy
stbank staatsraad, Turkse divan, - tapczan (id:17511)
hang - tapeta (id:17512)
rras - taras (id:17513)
ijving - tarcie (id:17514)
jzerplaat - (telefonu tarcza (id:17515)
rktplaats bazaar, markt, marktplein, - targ (id:17516)
rktplaats bazaar, markt, marktplein, - targi (id:17517)
hokken - targnięcie (id:17518)
rchanderen pingelen, afdingen, - się targować (id:17519)
rchanderen afdingen, pingelen, - się targować (id:17520)
spen - tarka (id:17521)
dammen belemmeren, afsluiten, - tarsować (id:17522)
enredigheid verhouding, proportie, - taryfa (id:17523)
oster dienstregeling, - taryfa (id:17524)
det kadetje, bolletje, broodje, - tarzać (id:17525)
nt band, - tasiemka (id:17526)
rmengen mixen, temperen, mengen, - tasować (id:17527)
rmengen mixen, temperen, mengen, - (kart) tasowani (id:17528)
nde troep, schare, - taśma (id:17529)
nt band, - taśma (id:17530)
geven band een met - taśma (id:17531)
Menu
Najnowsze (50)Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna
Kategorie
Losowy:
pakiet - emmer
pakiet - inpakken, verpakken, pakken
pakiet - pakje
pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) - bundel, wis, bos
pakiet żądania WE/WY - barsten, splijten, scheuren
Znalezione tłumaczenia na literę P:
pacha - oksel
pachą - oksel
pachnący - stinkend
pachnąć - stinken, vies ruiken
pachniano - aromatisch, geurig
pachniano - stinkend
pachołek - kegel
pachwina - lies
paciorek - kraal
pacjent - patiënt, zieke
pacjent stały (w szpitalu) - patiënt, zieke
packa murarska - vlotten, dobberen, drijven
packa na muchy - bakvis
pacyfista - pacifist
pacyfiście - pacifist
paczce - bundel, wis, bos
paczce - pakje
paczce - pakje
paczka - pakje
paczka - pakje
paczka - inpakken, verpakken, pakken
paczka - inpakken, pakken, verpakken
paczka błędów - pakje
pad upaść - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
pada grad - hagel
padaczka - toevallen, epilepsie, vallende ziekte
padać - regenen
padać - vallen, neervallen, afvallen, storten
padlina - aas
padliną - aas
pagórek - hoogte
pagórek - aanaarden
pająk - spinnekop, spin
pajęczyna - web, spinrag, spinneweb, rag
paka - affaire, zaak, aangelegenheid, ding
pakiet - emmer
pakiet - inpakken, verpakken, pakken
pakiet - pakje
pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) - bundel, wis, bos
pakiet żądania WE/WY - barsten, splijten, scheuren
Pakistan - Pakistan
pakować - inpakken, pakken, verpakken
pakować - opbergen, bergen, insluiten
pakował - opbergen, bergen, insluiten
pakunek - inpakken, verpakken, pakken
pakunek - pakje
pal - stijl, paal, post, deurpost
pal - boel, drom, menigte, hoop, massa
palaczach - rookcoupé
palant - baseball
palant - vleermuis
palca - vinger
palec - vinger
palec (u ręki) - vinger
palec u nogi - teen
palec u ręki - vinger
palenie zwłok - lijkverbranding, crematie, verassing
paleniska - piepen, knarsen
palenisko - kachel, oven
palenisko - open haard, haard, haardstede
palenisko - piepen, knarsen
palenisko - haardstede, schoorsteen, schouw
Palestyna - Palestina
palić - aanbranden
palić - geroosterd, gebraden
palić - smoken, roken
palić (papierosa itp) - stinken, vies ruiken
palić na popiół - cremeren, verassen
palisada - schutting, paalwerk, palissade
paliwa - stookmateriaal, brandstof
paliwo - stookmateriaal, brandstof
paliwo wysokoenergetyczne - stookmateriaal, brandstof
palma - bal, handpalm, palm
palto - overjas, jas
paluch - teen
pałac - paleis
pałka - kleven, vastkleven, aanhangen
pałka policyjna - staf
pamarańcza - oranje
pamarańcza - Oranje
pamflet - boekje, libretto, operatekst
pamiątce - aandenken, gedenkschrift
pamiątka - aandenken, gedenkschrift
pamiątka - aandenken, gedenkschrift
pamięci - loos, ledig, leeg, lens, hol
pamięciowy - mnemonisch
pamięć - geheugen, heugenis, herinnering
pamięć - winkel
pamięć dyskowa - geheugen, heugenis, herinnering
pamięć ekranu - flitsen, flikkeren, gloren
pamięć magnetyczna ferrytowa - ROM
pamięć podręczna scalona z układem procesora - voor, als, bij wijze van, hoe, tot
pamięć podręczna z synchronicznym - bult, bochel
pamięć rdzeniowa - ROM
pamięć stała - ROM
pamięć zewnętrzna - verstand, geest, intellect
pamięć zewnętrzna - winkel
pamięć zewnętrzna (pamięci) - geheugen, heugenis, herinnering
pamięć zmienialna - geheugen, heugenis, herinnering
pamięta - zich herinneren, onthouden, gedenken
pamiętać - zich herinneren, onthouden, gedenken
pamiętnik - dagboek, journaal
pamiętnik - courant, dagblad, krant
pamiętny - gedenkwaardig, heuglijk
pan - heer, gentleman
pan (domu) - onder de knie krijgen, meester worden
pan (przed naswiskiem) - dhr.
Pan Bóg - lord
pan domu - onder de knie krijgen, meester worden
pan młody - bruidegom, jonggehuwde
pan wielkiego rodu - edelman
pancerz - examen, keuring, onderzoek
pancerz - kuras, bepantsering, harnas, pantser
pancerz - bepantsering, kuras, harnas, pantser
panel - fotografische plaat, plaat
pani - dame
panice - paniek
panicz - onder de knie krijgen, meester worden
paniczny - paniek
paniczny strach - terreur, schrikbewind
panika - paniek
panna - Maagd
panna - missen, mislopen, misgrijpen
panna - dienstmeisje, dienares, meid
panna - meid, meisje
Panna (gwiazdozbiór) - verloofde, bruid, meisje
panować - meester zijn, de baas zijn
panować - bestuur, heerschappij, bewind
panował - bestuur, heerschappij, bewind
panowanie - bestuur, heerschappij, bewind
panowanie - pré, voordeel
panowanie nad sobą - heerschappij, bewind, bestuur
pantera - panter, luipaard
pantofel - pantoffel
pantomima - pantomime spelen
pański - het jouwe, de jouwe
pański - je, jouw
państwa - verzekeren, beweren
państwo - platteland, open veld
państwo - natie, volk
państwo - verzekeren, beweren
państwo - jou, aan jou, aan je, je
państwowy - openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek
pańtwa - je, jouw
papce - moes, pap, brij
papier - bescheid, document, papier, akte
papier o dużej gramaturze - dik, gebonden, dicht
papier o małej gramaturze - sprietig, schraal, mager
papier ścierny - closetpapier, WC-papier, toiletpapier
papier wysokiej jakości - bescheid, document, papier, akte
papier wysokiej rozdzielczości - bescheid, document, papier, akte
papieros - saffiaantje, sigaret
papież - paus
paplać - klakken, klappen, kletteren, klikken
paproć - varen
papryka - paprika
papudze - papegaai
papuga - papegaai
papugować - papegaai
par - turen, aanstaren, staren
para - echtpaar, echtelieden
para - stel, duo, tweetal, koppel, paar
para (dwa - stoom, wasem, damp
para komplementarnych tranzystorów - stel, duo, tweetal, koppel, paar
para uporządkowana - echtpaar, echtelieden
parada - pralen, paraderen, pronken, prijken
paradą - pralen, paraderen, pronken, prijken
paradoks - paradox
paradoksalny - paradoxaal
paradoksyjny - paradoxaal
paradować - pralen, paraderen, pronken, prijken
parafia - parochie
parafialny - parochie-
parafianin - parochiaan
parafią - roedel, kudde
parafią - parochie
parafina - paraffine
parafować - initiaal, voorletter
paragon - voor voldaan tekenen, kwiteren
paragraf - artikel, paragraaf
paraliż - verlamming
paraliżować - lamleggen, verlammen
paraliżował - verminkt, gebrekkig
parametr - parameter
paranoiczny - paranoide
paranoja - paranoia
parapet - drempel, dorpel
parasol - paraplu
parasol (od słońca) - paraplu
parawan - scherm, schut
parą - stel, duo, tweetal, koppel, paar
parą - turen, aanstaren, staren
parą - stoom, wasem, damp
parą - wasem, damp, stoom
parcela - intrige, machinatie, konkelarij
parcela - pakje
park - parkeren
parking - parkeren
parkować - parkeren
parlamencie - parlement, volksvertegenwoordiging
parlament - parlement, volksvertegenwoordiging
parlamentarny - parlementair
parnik - stoomboot
parny - vochtig
parodią - travestie
parować - doen verdampen, uitdampen, indampen
parować - stoom, wasem, damp
parowca - stoomboot
parowiec - stoomboot
parowóz - motorisch
parowy - stoom, wasem, damp
parsować - masseren
parter - benedenverdieping, parterre
parterowy dom - bungalow
partia - leden, aanhang
partia (produktu) - kavel, perceel
partycja podział strefa - schifting, afscheiding, clausuur
partycypować - deelnemen, meemaken, meedoen
partykularny - afzonderlijk, afgezonderd
partykuła - item, deeltje, jaartelling, deel
partyturą - orkestreren
paryski - van Parijs
parytet - pariteit
Paryż - Paris
paryżanin - van Parijs
parzystość - pariteit
parzysty - gelijk, vlak, effen
parzysty równy regularny - gelijk, vlak, effen
pas - middel, leest, taille
pas - gallon
pas - riem, gordel, ceintuur
pas - riem, ceintuur, gordel
pas (w kartach) - gallon
pas bezpieczeństwa - gallon
pas parciany - riem, ceintuur, gordel
pas startowy - strip, windsel, strook, reep
pasaż - overloop, gang, baan, rijstrook
pasażer - inzittende, passagier
pasażer na gapę - inzittende, passagier
pasek - klimaatzone, zone, aardgordel
pasek - strip, windsel, strook, reep
pasek - slippen, uitglijden
pasek - riem, gordel, ceintuur
pasek - riem, ceintuur, gordel
pasek - belemmeren, afsluiten, afdammen
pasek (papieru) - scheerriem
pasek reklamowy (na stronie WWW) - vaan, dundoek, vlag
pasek zębaty - riem
pasieka - bijenstal, bijenschans
pasja - gloed, vuur
pasjans - geduld, lijdzaamheid
pasjans (w kartach) - geduld, lijdzaamheid
pasją - gloed, vuur
pasjonujący - fascinerend, boeiend, betoverend
paskudny - belabberd, ellendig, miserabel
paskudny - afschuwelijk
pasmo - schare, troep, bende
pasmo - klimaatzone, zone, aardgordel
pasmo (gór) - graad, stand, status, rang
pasmo (radiowe) - schare, troep, bende
pasmo wizyjne - strip, windsel, strook, reep
pasować - afstemmen, aanpassen, adapteren
pasożycie - bloedzuiger
pasożycie - parasiet, klaploper
pasożyt - parasiet, klaploper
pasta - schoencreme
pasta - schoensmeer
pasta - Pools
pasta - deeg, beslag, pasta
pastel - pastel, tekenkrijt, kleurkrijt
pasterz - pastoor
pasterz - herder
pastor - minister, bewindsman
pastor - pastoor
pastuch - herder
pasujący - afstemmen, aanpassen, adapteren
paszcza - kakement, kaak
paszkwil - laaien, vlammen
paszporcie - pas, paspoort
paszport - pas, paspoort
pasztet - pastei
paść - waas, nesthaar, dons
paść (się) - grazen, weiden
paśmie - schreef, haal, schrap, streek, streep
patelnia - koekepan, pat, pan
patelnia - Pan
patencie - patent, octrooi
patent - patent, octrooi
patentować - patent, octrooi
patentowy - patent, octrooi
patriarcha - aartsvader, patriarch
patriocie - vaderlander, patriot
patriota - vaderlander, patriot
patriotyczny - vaderlandslievend
patriotyzm - vaderlandsliefde, patriottisme
patrol - patrouilleren
patrz - ontmoeten, aantreffen
patrzeć - het uiterlijk hebben van, er uitzien
patrzeć na kogoś z ukosa - scheelzien, scheelkijken, loensen
patrzeć zezem - het uiterlijk hebben van, er uitzien
patyk - kleven, vastkleven, aanhangen
pauza - pauzeren
pauza - aanhalen, strelen, liefkozen, aaien
pauzą - afbreken
pauzą - rest, overblijfsel, rommel, afval
paw - pauw
pawian - baviaan
pawilon - koepel, paviljoen, tuinhuis
paznokcia - spijkeren, nagelen
paznokieć - spijkeren, nagelen
pazur - klauw
pazur ernik - spijkeren, nagelen
paź - boer, page, edelknaap
październik - wijnmaand, oktober
pażdziernik - wijnmaand, oktober
pączek - uitbotten, spruiten, botten
pączkować - uitbotten, spruiten, botten
pąk - uitbotten, spruiten, botten
pchać - priemen, prikken, steken, pikken
pchać - aanduwen
pchać - stuwen
pchać się - hoop, boel, drom, massa, menigte
pchła - vlo
pchłą - vlo
pchnąć - priemen, prikken, steken, pikken
pchnąć nożem - priemen, prikken, steken, pikken
pchnąć nożem/sztyletem - schuiven
pchnięcie - schokken
pchnięcie - priemen, prikken, steken, pikken
pchnięcie nożem/sztyletem - schuiven
pech - ongeluk
pedał - peddelen, trappen
pedał gazu - accelerateur, gaspedaal, versneller
pederasta - feeëriek
pejzaż - landschap
Pekin - Peking
pelargonia - ooievaarsbek
peleryna - regenmantel
peleryna - Kaaps
peleryna - kaap
peleryną - kaap
peleryną - Kaaps
peleryną - jas, mantel
pelican - pelikaan
pelikan - pelikaan
pełen triumfu - jubel-
pełen wdzięku - gracieus, bevallig, sierlijk
pełen współczucia/zrozumienia - sympathiek, innemend, zielsverwant
pełen życia - snedig, geestig, gevat, ad rem
pełnia - totaal, volkomen, compleet, vol
pełno - geheel, ten volle, heel, volkomen
pełnoletniość - meerderheid, meerderjarigheid
pełnomocnik - in de plaats stellen van, inboeten
pełny - totaal, volkomen, compleet, vol
pełny - boordevol, afgeladen, mudvol
pełny wymiar czasu - totaal, volkomen, compleet, vol
pełza - kruipen
pełzać - kruipen
penicylina - penicilline
penicyliną - penicilline
penis - penis
penis - lul, pik, leuter, snikkel, jongeheer
perfectum - volkomen, perfect, in optima forma
perfekcja pikselowa - perfectie, volkomenheid, volmaaktheid
perfekcją - perfectie, volkomenheid, volmaaktheid
perfidią - verraad
perfidny - trouweloos, verraderlijk, dubbelhartig
perforator - stompen
perforator - Jan Klaassen
perfum - parfumeren
perfumy - parfumeren
pergamin - perkament
periodyczny - krant
periodyk - krant
perła - parel
perłą - parel
perłowy - parel
peron - tribune, leiding, podium
Pers - Perzisch
Persja - Perzië
perski - Perzisch
personalny - persoonlijk
personel - personeel
personel - staf
personel informatyczny - staf
perspektywa - uitzicht
perspektywa - prospect, perspectief, doorkijk
perspektywa podgląd - prospect, perspectief, doorkijk
perspektywą - prospect, perspectief, doorkijk
perspektywą - uitzicht
perswadować - twisten, disputeren, krakelen
perswazja - overreding
perswazją - overreding
pertraktować - handelen, handeldrijven, zaken doen
pertraktował - handelen, handeldrijven, zaken doen
Peru - Peru
peruce - pruik
peruka - pruik
peryferią - cirkelomtrek, buitenkant
peryferie - omtrek, cirkelomtrek, buitenkant
peryferie - cirkelomtrek, buitenkant
peryferyczny - buiten-, rand-
peryferyjny - buiten-, rand-
peryferyjny procesor macierzowy - buiten-, rand-
perymetr - omtrek
peryskop - periscoop
peseta - nijptang
pestce - pit, kern
pesteczka - zaadkorrel, korrel, pit
pestka - klei-, aarden, van klei
pesymism - pessimisme, zwaartillendheid
pesymista - pessimist
pesymistyczny - zwaarhoofdig, pessimistisch
pesymiście - pessimist
pesymizm - pessimisme, zwaartillendheid
peszyć - bezwaar, strubbeling, moeilijkheid
petencie - adressant
petent - verzoeker, aanvrager
petycja - petitionnement, petitie
petycją - petitionnement, petitie
pewien - gewis, stellig, zeker, vast
pewien - een beetje, enigszins, een weinig
pewnie - wel, immers, zeker, toch
pewnie - waarschijnlijk
pewnie - pal, stevig
pewnie - wel degelijk, vast, bepaald, zeker
pewny - gewis, stellig, zeker, vast
pewny - zelfbewust, zelfverzekerd
pewny - vertrouwd, betrouwbaar
pewny - gewis, zeker, vast, stellig
pewny siebie - gewis, zeker, vast, stellig
pewny siebie - zelfverzekerd, zelfbewust
pęcherz - blaas
pęcherz - blaar
pęcherz (od oparzenia itp) - blaar
pęcherzyk powietrza - borrelen
pęczek - bos, wis, bundel
pęd - voortmaken, spoed maken, haast maken
pęd - onstuimigheid, vuur, heftigheid
pędrak - opduikelen, opgraven, delven, rooien
pędzel - borstelen, schuieren
pędzel do golenia - scheerkwast, zeepkwast
pędzel do malowania - penseel
pęk - mutserd, brandstapel, mutsaard
pękać - barst
pęknął - gebarsten
pęknięcie - barst
pępek - navel
pętać - ketenen, boeien
pętla - maas, breisteek, steek, strik
pętla - declaratie, aangifte, uitspraak
pętla synchronizacji fazowej - maas, breisteek, steek, strik
pętla zamknięta - maas, breisteek, steek, strik
pętlą - maas, breisteek, steek, strik
piach - zand
piać - bonte kraai, kraai
piał - bonte kraai, kraai
piał - bemanning
piana - tintelen, schuimen, bruisen
piana - doorroeren, omroeren, roeren
piana - sop, zeepsop
piana (mydlana itp) - sop, zeepsop
piana mydlana - tintelen, schuimen, bruisen
pianą - doorroeren, omroeren, roeren
pianą - tintelen, schuimen, bruisen
pianina - klavier, piano
pianino - klavier, piano
pianista - pianist
pianiście - pianist
piasek - zand
piasek - grind, gravel, gruis, steengruis
piasta - aanvoerder, chef, gebieder, baas
piasta - bus, naaf
piasta - naaf
piaszczysty - zand
piaszczysty - rul, mul
piaście - bus, naaf
piaście - aanvoerder, chef, gebieder, baas
piąć się - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
piąć się - klimmen, klauteren
piąta część - vijfde
piątek - vrijdag
piąty - vijfde
pice - snoek
pić - pimpelen, drinken, zuipen
piec - kachel, oven
piec - braden, roosteren, branden
piec - kachel, oven
piec - kachel, oven
piec - aanbranden
piec (do pieczenia chleba itp) - kachel, oven
piec (mięso) - oven, kachel
piec elektronowy - braden, roosteren, branden
piec kaflowy - rooster, hek, afrastering, traliehek
piec mięso - kachel, oven
piec na ruszcie - bakken
piechocie - voetvolk, infanterie
piechota - voetvolk, infanterie
pieco do wypalania - oven, kachel
piecyk - ontzetten, royeren, ontslaan
piecza - zich bekommeren, bezorgd zijn, zorgen
pieczara - spelonk, krocht, hol, grot, holte
pieczątce - muntstempel
pieczątka - muntstempel
pieczęć - zeehond, zeerob, rob
pieczęć - muntstempel
pieczętować - muntstempel
pieczony - kachel, oven
pieczony - rooster, hek, afrastering, traliehek
piećdziesiąt - vijftig
piedestał - pedestal, piëdestal, voetstuk
pieg - sproet
piekarni - bakkerij
piekarnia - bakkerij
piekarnik - kachel, oven
piekarnik gazowy - oven, kachel
piekarnik gazowy - braden, roosteren, branden
piekarz - bakker
piekielny - duivelachtig, duivels, drommels
piekielny - duivels, hels
piekło - hel
pielęgniarce - verzorgen, zorgen voor, verplegen
pielęgniarka - verzorgen, zorgen voor, verplegen
pielęgnować - verplegen, zorgen voor, verzorgen
pielgrzym - pelgrim, bedevaartganger
pielgrzymce - pelgrimage, bedevaart, pelgrimstocht
pielgrzymka - pelgrimage, bedevaart, pelgrimstocht
pieniądz - poen, geld
pieniądze - poen, geld
pieniądze na życie - poen, geld
pienić się - tintelen, schuimen, bruisen
pienić się - sop, zeepsop
pienić się - multipliceren, vermenigvuldigen
pień - boomstam, stam
pień - opslaan
pień - boomstam, stam
pień - blokkeren, vastzetten
pieprz - peperen
pieprzyk - mol
pieprzyk (np. na twarzy) - mol
pierdnąć - een wind laten
piersi - boezem, borst
pierś - boezem, borst
pierś - boezem, borst
pierś - borst, boezem
pierścieniowy - circulaire, rondschrijven
pierścień - wal, beugel, ring
pierścionek - wal, beugel, ring
pierwiastek - element, bestanddeel, beginsel
pierwiastek - ingrijpend, grondig, radicaal
pierwiastek (chem.) - element, bestanddeel, beginsel
pierwiosnek - primula, sleutelbloem
pierwotny - inboorling
pierwotny - oorspronkelijk, origineel
pierwotny producent sprzętu komputerowego - natuurlijk
pierwotny producent sprzętu komputerowego - inboorling
pierwotny program ładujący - primair
pierwotny system operacyjny - primair
pierwowzór - prototype
pierwsza pomoc - eerste
pierwszoplanowy - voorgrond
pierwszorzędny - prijs, premie
pierwszorzędny - opperste, prevalent, superieur
pierwszorzędowy - primair
pierwszy - vroegtijdig, pril, vroeg
pierwszy - eerste
pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu - voorgrond
pierwszy na wyjściu - voorgrond
pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony - eerste
pies - hond
pies myśliwski - hond
pieszczoch - troetelen, koesteren, vertroetelen
pieszczocie - aanhalen, liefkozen, strelen, aaien
pieszczota - aanhalen, liefkozen, strelen, aaien
pieszczotliwy - gunning, aanbesteding
pieszy - voetganger
pieszy turysta - voetganger
pieścić - aanhalen, liefkozen, strelen, aaien
pieścić - knuffelen
pieścić - strelen, aaien, liefkozen, aanhalen
pieścić się - nek, hals
pieśń - gezang, zang, lied
pieśń pogrzebowa - gezang, zang, lied
pietruszce - peterselie
pietruszka - peterselie
pięć - vijf
pięćdziesiąt - vijftig
pięćdziesiąt mil na godzinę - vijftig
pięknie - net, mooi
piękno - fraaiheid, schoonheid, knapheid
piękność - fraaiheid, schoonheid, knapheid
piękność (kobieta) - fraaiheid, schoonheid, knapheid
piękny - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
piękny - schoon, fraai, knap, fijn, mooi
pięściarstwo - boksen, bokssport
pięściarz - bokser
pięść - vuist, knuist
pięta - hiel
piętnaście - vijftien
piętno - effect, indruk
piętro - verdieping, etage
piętro - verdieping, etage
piętro - etage, verdieping
pigułce - pil
pigułka - pil
pijany - dronken, zat, beschonken
pijany jak bela - blind
pijaństwa - roes
pijaństwo - roes
pijawka - bloedzuiger
pik - woelen, spitten, graven
pik (w kartach) - piek, top, neus, tip, punt, spits
pika - snoek
pikle - pekelen, inleggen, zouten, inmaken
piknik - picknicken
pikować - stikken
piksel - pixel
pilnie - met spoed, urgent
pilnik - bestand, dossier
pilnować - horloge, polshorloge
pilnować swoich spraw (swojego nosa) - horloge, polshorloge
pilny - dringend, brandend, spoedeisend
pilny - brandend, spoedeisend, dringend
pilny - naarstig, vlijtig, nijver, ijverig
pilny - ogenblikkelijk, prompt
pilny - ijverig, nijver, naarstig, vlijtig
pilny - aandachtig, attent, oplettend
pilot - binnenbrengen, loodsen
pilotaż - binnenbrengen, loodsen
pilotować - binnenbrengen, loodsen
pilotować - navigeren
pilśniowy - vilt
pił - pimpelen, drinken, zuipen
piła - zagen
Piła - uitzaaien
piłce - bal, danspartij
piłka - voetbal
piłka - bal, danspartij
piłka nożna - voetbal
piłka nożna - voetbal
piłka nożna (gra) - bal, danspartij
piłować - zagen
PIN - kegel
pionek - pion
pionek - cijfer, nummer
pionek (np. szachowy) - pion
pionier - genist, geniesoldaat, baanbreker
pionowy - rechtopstaand, verticaal
pionowy tranzystor polowy - rechtopstaand, verticaal
piorun - bliksem, schicht, flits, hemelvuur
piosenka - gezang, zang, lied
piosenka - lied, chanson
piosenkarz - zangeres
pióro - pluim, veer, pen, veder
pióro - hok
pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego - griffel, etsnaald, schrijfstift
pióro ultradźwiękowe - pluim, veer, pen, veder
piracie - zeeschuimer, zeerover, piraat
piramida - piramide
piramida powiększania - piramide
piramidą - piramide
pirat - zeeschuimer, zeerover, piraat
pirat komputerowy - zeeschuimer, zeerover, piraat
Pireneje - Pyreneeën
pisać - neerschrijven, schrijven, uitschrijven
pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi - drukletter
pisać na maszynie - drukletter
pisać ołówkiem - potlood
pisak x-y - hok
pisarz - auteur, schrijver, stilist
pisemny - schriftelijk
pisk - sjilpen, piepen, tjilpen, kwetteren
pisklę - kuiken
pisklę (zwłaszcza kury) - kuiken
pismak - houwen, kappen, hakken
pismo - zendbrief, epistel, brief
pismo pisanie - geschrift, schriftuur
pistolecie - pistool
pistolet - pistool
piśmiennictwo - litteratuur, literatuur, letterkunde
pity - dronken, zat, beschonken
piwa - bier
piwiarnia - drenkplaats, bar, café
piwnica - kelder
piwnicą - kelder
piwo - bier
piwo (angielskie) - bier
piwo angielskie - bier
pizza - pizza
piżama - pyjama
piżmaczek - muskus
piżmo - muskus
piżmoszczur - muskusrat
plac - plein
plac - speelterrein, speelplaats
plac - plaats, oord, lokaal, plek
plac - kavel, perceel
plac - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
plac - circus
plac (okrągły) - circus
plac targowy - marktplaats, markt, marktplein
plac zabaw - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
placek - pastei
placówka - aanplakken
plaga - pest
plaga purpurowa - pest
plagiat - spieken, afkijken
plakać - schreeuw, roep, kreet
plakat - aanplakbiljet, plakkaat, affiche
plakat przedstawiający gwiazdę filmową - aanplakken
plama krwi - bezoedelen, smetten, bekladden
plama na słońcu - klak, plek, smet, klad, mop, moet
plamą - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
plamą - bezoedelen, smetten, bekladden
plamce - sproet
plamić - bezoedelen, smetten, bekladden
plamić - klak, plek, smet, klad, mop, moet
plan - strekking, bedoeling, plan, doel
plan - programmeren
plan - projecteren
plan - ontwerp, plan, concept, blauwdruk
plan testowania - strekking, bedoeling, plan, doel
planeta - planeet, zwerfster
planetarny - planetair
planować - arrangeren, aanrichten, ordenen
planować - strekking, bedoeling, plan, doel
planować - dienstregeling, rooster
planować - aanwijzen, aangeven, aanduiden
plantacja - kwekerij, plantage
plantacją - kwekerij, plantage
plaster - kalken, aanstrijken
plasterek - moot, plak, snede, schijf, filet
plastik - plastic, van plastic
plastyczny - plastic, van plastic
plastyk - plastic, van plastic
plastyka - kunst
platforma - tribune, leiding, podium
platforma (sprzętowa - tribune, leiding, podium
platforma kolejowa - vrachtwagen, truck, vrachtauto
platforma sprzętowa - tribune, leiding, podium
plazma - plasma
plaża - strand
plaża - aan de grond lopen, stranden
plątać - verwikkeling, warboel, warnet
plątać - verstrikken, betrekken, verwarren
plątanina - verwikkeling, warboel, warnet
plecak - knapzak, ransel
plecak - knapzak, ransel
plecak - knapzak, rugzak
pleciuga - gaai, Vlaamse gaai
plecy - rugstuk, achterzijde, ommezijde
plecy - bewapenen, wapenen
plemienny - stam-
plemię - stam, volksstam, geslacht
plenarny - boordevol, afgeladen, mudvol
pleść - weven
pleść - vlechten
pleśnieć - modelleren, boetseren
pleśń - modelleren, boetseren
plewić - wieden, schoffelen
plewy - schil, dop, schors, schaal
plik - bos, bundel, wis
plik - bestand, dossier
plik zwrócony - bestand, dossier
plikach - archief
plombować (ząb) - box
plombować ząb - logeren
plon - het veld ruimen, afstaan
plotce - kletsen, kwaadspreken
plotka - kletsen, kwaadspreken
plotka - gerucht, faam, mare, befaamdheid
plotkować - kletsen, kwaadspreken
plotkować - gerucht, faam, mare, befaamdheid
pluć - spuwen, spugen, rochelen
plugawy - vuil, morsig, smerig, onrein, vies
plunąć - spuwen, spugen, rochelen
plus - plus
pluskać - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
pluskać się - waden, flodderen, plassen
pluskanie - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
pluskwa - wandluis
pluskwa - Boeg
pluskwa - wandluis
Pluton - Pluto
płachta - blad, vel
płacić - storten, uitbetalen, betalen, dokken
płaczliwy - bedroefd
płakać - schreeuw, roep, kreet
płakać - tranen, huilen, traanogen
płakać nad czymś - schreeuw, roep, kreet
płaska obudowa jednorzędowa - resorberen, opslorpen, slurpen
płaski - appartement, flat
płaskowyż - blad, plat, plateau, bordes
płastudze - spartelen, zich aftobben, worstelen
płastuga - schol
płaszcz - overjas, jas
płaszcz - mantel, jas
płaszcz - jas, overjas
płaszcz - jas, mantel
płaszcz anodowy - regenmantel
płaszcz nieprzemakalny - regenmantel
płaszcz przeciwdeszczowy - mantel, jas
płaszcz przeciwdeszczowy - jasje, colbert, buis
płaszczyzna obcinająca bliska - hierheen, hier
płat płaszczyzna - vliegtuig, vliegmachine
płatek - bloemblad, kroonblad
płatek (kwiatu) - bloemblad, kroonblad
płatek kwiatu - sneeuwvlok
płatnik - hofmeester
płatność - afbetaling
pławik - kurk
pławik - vlotten, dobberen, drijven
płciowy - sexe, sekse, geslacht, kunne
płeć - sexe, sekse, geslacht, kunne
płetwą - vin
płocie - hek, afsluiting, heining, barriere
płodny - vruchtbaar
płody rolne - opbrengen, opleveren, afwerpen
płomień - laaien, vlammen
płonący - gloeiend, verzendend, vurig, verterend
płot - hek, afsluiting, heining, barriere
płot - verbleekt
płotno - linnen
płowy - linnen
płoza - uitglijden, slippen
płótno - linnen
płuca - long
płuco - long
Płuczka - slag, valstrik, val
pług - omploegen, ploegen, beploegen
pług śnieżny - omploegen, ploegen, beploegen
płukać gardło - gorgelen, afspoelen, spoelen
płukania - gorgelen, afspoelen, spoelen
płycie - fotografische plaat, plaat
płycizna - oppervlakkig, ondiep
płyn - uitwassen, wassen, de was doen
płyn kosmetyczny - vloeistof
płynąć - stromen, vloeien, lopen, vlieten
płynąć - jacht
płynąć jachtem - kust, boord, oever, wal, kant
płynąć wzdłuż brzegu - stromen, vloeien, lopen, vlieten
płynny - vloeistof
płynny - stromend, vloeiend
płynny lek - stromend, vloeiend
płyta - dundoek, vaan, vlag
płyta - fotografische plaat, plaat
płyta metalowa - grondstof, materieel, materiaal
płyta wizyjna pojemnościowa RCA - aanklampen, zich vastklampen aan
płyta wizyjna pojemnościowa RCA - dashboard, instrumentenbord, beschot
płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) - glaswaar, vensterruit, glaswerk
płytce - oppervlakkig, ondiep
Płytka - bestand, dossier
płytka - fotografische plaat, plaat
płytka - wafeltje
płytka (ferromagnetyczna) z otworami - aanklampen, zich vastklampen aan
płytka obwodu drukowanego - wafeltje
płytka sygnałowa - fotografische plaat, plaat
płytka wyjtrawiona - plavuis, tegel, tegelsteen, tichel
płytki - oppervlakkig, ondiep
pływać - zwemmen, drijven
pływać jachtem - jacht
pływak - vlotten, dobberen, drijven
pływalnia - zich aaneensluiten, aansluiten
pniak - peukje, peuk
po - achter
po drugiej stronie - over, overheen, aan de overkant van
po otrzymaniu - ten eerste, allereerst, eerst
po południu - stuurboord
po prawej stronie - ronduit, open en bloot, rondweg
po trzecie - achter
pobić - nederlaag
pobić atutem (w kartach) - troef
pobierać - downloaden
pobierać - verkrijgen, behalen, buit maken
pobierać (dane) - verkrijgen, behalen, buit maken
pobierać dane - brengen, bezorgen, aandragen
pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) - aftappen
pobieżny - resumé, overzicht, excerpt
pobieżny - oppervlakkig, ondiep
pobliski - hiernaast, ernaast, daarnaast
pobłażać - koesteren, troetelen, vertroetelen
pobłażać - ontzien, sparen
pobłażanie - aflaat
pobocze - schouder
pobożny - godvrezend, godsdienstig, devoot
pobór (do wojska) - wissel, cambio
pobrać - decoderen
pobrać - downloaden
pobranie - brengen, bezorgen, aandragen
pobrudzić - fond, ondergrond, bodem, grond, aarde
pobudce - aansporing
pobudce - aanleiding
pobudzać - irriteren, aanstoken, ophitsen
pobudzać - stuwen
pobudzać - wekken, wakker maken, opwekken
pobudzać - bezielen, verlevendigen
pobudzać - wakker maken, wekken, opwekken
pobycie - woning, logies, onderkomen, kwartier
pobyt - logeren
pocałować - zoenen, kussen
pocałunek - zoenen, kussen
pochlebcą - mooiprater
pochlebiać - vleien
pochlebstwa - complimenteren
pochlebstwa - vleierij
pochlebstwo - vleierij
pochłaniać - in zich opnemen, assimileren
pochmurny - onduidelijk, bewolkt
pochmurny - naargeestig, troosteloos, somber
pochodnia - fakkel, toorts, flambouw
pochodzenia - achtergrond
pochodzenia - afleiding, afgeleid woord
pochodzenia - afdaling
pochodzenie - oorsprong, afkomst, herkomst
pochodzenie - komaf, afstamming, afkomst
pochodzenie - afdaling
pochodzenie - afleiding, afgeleid woord
pochodzić - naar beneden gaan, afdalen
pochodzić (
pochować - kuilen, begraven
pochód - processie, stoet, optocht, omgang
pochwa - schede
pochwa - schede, vagina
pochwalać - loven, verheerlijken, prijzen, roemen
pochwalić - beamen, billijken, goedkeuren
pochwała - loven, roemen, verheerlijken, prijzen
pochwała - bijval, acclamatie, toejuiching
pochwała - eerbetoon, eerbetuiging
pochwałą - eerbetoon, eerbetuiging
pochwałą - loven, roemen, verheerlijken, prijzen
pochylać się - liggen
pochylać się - helling, glooiing
pochylenie - indompelen, indopen, soppen
pochylnia - slippen, uitglijden
pochylnia (w stoczni) - slippen, uitglijden
pochyłość - geneigd zijn tot, geneigd zijn, neigen
pochyłość - helling, glooiing
pochyły - aflopend, glooiend, hellend, schuin
pochyły w lewo - scheef, schuin
pociąg - gevolg
pociąg pospieszny - uitdrukken
pociąg towarowy - gevolg
pociągać - toelachen, aanlokken, bekoren
pociągać za sobą - toelachen, aanlokken, bekoren
pociągający - aanlokkelijk, aantrekkelijk
pociągły - eirond, ovaal
pociągnąć - rukken
pociągnięcie - rukken
pocić się - stoom, wasem, damp
pocić się - zweten, transpireren
pocie - zweet
pocie - zweten, transpireren
pociecha - heul, vertroosting, troost
pocierać - aanstrijken, wrijven, uitwrijven
pocieszać - hoera roepen
pocieszać - prosit, op uw gezondheid, proost
pocieszać - gerief, gemak, comfort
pocieszenia - heul, vertroosting, troost
pocisk artyleryjski - kogel
pocisków - hagel
pocisków) - stroom, vloed, bergstroom
począć - in verwachting raken, zwanger raken
początek - ontstaan, begin, aanvang
początek - begin, aanvang, ontstaan
początek - aurora, morgenlicht, morgenrood
początek - oorsprong, afkomst, herkomst
początek transmisji - ontstaan, begin, aanvang
początkowy - inboorling
początkowy - initiaal, voorletter
początkowy - primair
początkowy program ładujący - initiaal, voorletter
początkujący - beginner, beginneling
poczekalni - zaal, salon
poczekalnia - wachtkamer
poczęcie - begrip
poczta - post, posterijen
poczta - aanplakken
poczta w kolejce - post, posterijen
poczta wysłana - aanplakken
pocztówka - briefkaart
pod - beneden, daarbeneden, onder
pod - beneden
pod gołym niebem - beneden
pod prąd (rzeki - gemakkelijk, doelmatig, geschikt
pod zarzutem - beneden, onder
pod znieczuleniem - beneden
pod żadnym warunkiem - beneden, daarbeneden, onder
pod- - verzenden
podanie - aanwending, toepassing
podanie - petitionnement, petitie
podarować - schenken, cadeau geven
podarować - tegenwoordig, actueel
podarty - aan flarden gescheurd
podarunek - gift, geschenk, donatie, cadeau
podatek - belasten, aanslaan
podatek od wartości dodanej - tobbe, kuip, bak
podatek od wartości dodanej - BTW
podatek od wartości dodanej - teil
podatek spadkowy - belasten, aanslaan
podatny na wypadki - een grotere kans op ongelukken accident-prone
podawać - aanhalen, citeren, noemen
podawać - aanhalingstekens
podawać (do stołu) - serveren, voorleggen
podawać do sądu - een proces aanspannen tegen
podawać zasilanie podawanie podajnik wprowadzane dane - eten, bikken, gebruiken, vreten
podaż - aanvoer, bezorging
podbić - knechten, onderwerpen
podbijać - veroveren
podbity - stof, onderwerp, subject
podbródek - kin
podburzający - opruiend
podchmielony - aangeschoten, roezig
podchodzić - aanvliegen
podciąć - maaien
podczas - terwijl, staande, gedurende
podczas - intussen, inmiddels, daarentegen
podczas (gdy) - intussen, inmiddels, daarentegen
podczas gdy - terwijl, staande, gedurende
podczas gdy - terwijl, staande, gedurende
poddać drobiazgowej analizie - doorsnijden, sectie verrichten
poddać pod rozwagę - knechten, onderwerpen
poddać się - capituleren, zich overgeven
poddanie się - capituleren, zich overgeven
poddany - stof, onderwerp, subject
poddasze - zolderkamer, dakkamertje
poddasze - Attisch
poddasze - zolderkamer
poddasze - dakkamertje
poddawać kremacji - cremeren, verassen
poddawać się - toegeven
poddawać się - capituleren, zich overgeven
podejmować - accepteren, aannemen, aanvaarden
podejmować na nowo - vernieuwen, renoveren
podejmować się - ondernemen
podejrzany - achterdochtig, wantrouwig, argwanend
podejrzany charakter - verdenken
podejrzenia - argwaan, achterdocht, wantrouwen
podejrzenie - argwaan, achterdocht, wantrouwen
podejrzewać - verdenken
podejrzliwy - achterdochtig, wantrouwig, argwanend
podejście - aanvliegen
podekscytowanie - opwinding
podekscytowany - gejaagd, opgewonden
podeszwa - enkel, bloot, louter
podglądać - sjilpen, piepen, tjilpen, kwetteren
podgładać - sjilpen, piepen, tjilpen, kwetteren
podium - podium, tribune
podium - podium, bestuur, tribune, leiding
podkład (np. kolejowy) - slaperig
podkładce - opslaan
podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać - blok
podkopać - ondergraven, ondermijnen
podkowa - hoefijzer
podkreślać - accentueren, beklemtonen
podkreślać - beweren, verzekeren
podkreślać - met nadruk zeggen, benadrukken
podkreślać - onderstrepen
podkreślenie - onderstrepen
podkreślenie - nadruk, klem
podkreślić - onderstrepen
podkreślony - nadrukkelijk
podległy - slaaf
podległy - achterstellen
podlewać - water
podlizywać się - kruipen
podlotek - kuiken
podłączyć - verbinden, aan elkaar vastmaken
podłodze - verdieping, etage
podłoga - verdieping, etage
podły - verachtelijk, nietswaardig
podły - gemiddeld
podły ić - gronden, baseren
podmiocie - stof, onderwerp, subject
podmuch - pof, poef
podniecać - aanzetten, scherpen, slijpen
podniecać - irriteren, aanstoken, ophitsen
podniecać - aangrijpen, ontroeren, bewegen
podniecający - opwindend
podniecenia - opwinding
podniesienie - opgraven, rooien
podniesiony - oprichten, stichten, inrichten
podniesiony - zetting, montage
podnieść coś/wywindować (ceny) - derde macht, dobbelsteen, blok
podnieść kogoś na duchu - hijsen, ophijsen
podnieść kotwicę - opfokken, telen, fokken, opkweken
podnieta - de sporen geven, prikkelen
podniosły - hoog, verheven
podnosić - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
podnosić - vermeerderen
podnosić - verergeren, aandikken
podnosić - opgraven, rooien
podnosić - opfokken, telen, fokken, opkweken
podnosić (ceny) - opblazen
podnosić się - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
podnoszący na duchu - bezielend
podnośnik - vijzel, dommekracht, krik
podnóża - bodem, achtergrond, ondergrond, grond
podobać się - alsjeblieft, wees zo goed, alstublieft
podobać się - appelleren, een beroep doen op
podobieństwa - gelijkenis, overeenkomst
podobieństwa - gelijkenis, overeenkomst
podobieństwo - affiniteit, verwantschap
podobieństwo - gelijkenis, overeenkomst
podobieństwo - gelijkenis, overeenkomst
podobny - gelijksoortig, soortgelijk
podobny - hoe, bij wijze van, voor, als, tot
podoficer - onderofficier
podpalacz - brandstichtend
podpierać - drager, stut, leuning, steun
podpis - handtekening, ondertekening
podpis ze wskazaniem potwierdzającego - abonnement
podpisać - voorbode, voorteken, teken
podpisać (dokument) - geabonneerd zijn op
podpisać dokument - geabonneerd zijn op
podporządkowywać się - passen, in overeenstemming zijn
podporządkowywać się - adequaat, passend, overeenstemmend
podpowiedź - nauwgezet, nauwkeurig, accuraat
podpórce - adept, beoefenaar, aanhanger
podpórek - leden, aanhang
podrażnienie - opwinding
podręcznik - maat, kameraad, kornuit, makker
podręcznik - gidsboek, vademecum, gids, reisgids
podręcznik - leerboek, schoolboek
podręcznik w formie drukowanej - gidsboek, vademecum, gids, reisgids
podrobiony - vervalsing
podróż - toer, tocht, reis, trip
podróż - tournee, rondreis
podróż - gaan, rijden, varen, karren
podróż - reis, tocht, toer, trip
podróż morska - gaan, rijden, varen, karren
podróż morska - gelijk, vlak, effen
podróż) - tocht, toer, reis, trip
podróżnik - reiziger
podróżny - inzittende, passagier
podróżować - gaan, rijden, varen, karren
podróżować - toer, tocht, reis, trip
podróżować - gesteld zijn, het maken
podróżować autostopem - navigeren
podrzeć - huur
podrzędny - bijbehorend, bijkomend, bijkomstig
podrzędny - achterstellen
podrzędny podległy - achterstellen
podskakiwać - hinkelen
podskok - hinkelen
podskok - springen
podsłuchiwać - afluisteren
podstarzały - hoogbejaard, bedaagd
podstawa - gronden, baseren
podstawa - spoor, wagenspoor, karrespoor
podstawa czasu - grondstof, materieel, materiaal
podstawa uchylno-obrotowa - wervelkolom, spin, ruggegraat
podstawa uchylnoobrotowa - stichting
podstawą - kader, omlijsting, lijst, raam
podstawić - in de plaats stellen van, inboeten
podstawienie - aflossing, vervanging
podstawka monitora - blok
podstawowa zasada - fundamenteel
podstawowy - basis-
podstawowy - fundamenteel
podstawowy system wejścia-wyjścia - basis-
podstawowy system wejścia-wyjścia - grof, cru, onbewerkt, onbehouwen, bot
podstawowy system wejścia-wyjścia - elementair
podstęp - kunstgreep, kneep, streek, foefje
podstęp - misleiden, bedriegen
podstępny - arglistig
podsumowanie dokumentu - resumé, overzicht, excerpt
podsumowywać - somma, som, bedrag, totaal, summa
podsuwanie - aanstoten, een duw geven, toestoten
podszewka - voering
podszywanie się - maskering
podtekscie - bijtoon, boventoon
podtrzymać - stutten, steunen, schragen
podupadać - verval
poduszce - blok
poduszce - hoofdkussen
poduszeczka - dashboard, instrumentenbord, beschot
poduszka - hoofdkussen
poduszka powietrzna - luchtkussen
podwajać - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
podwiązek - bretels
podwieczorek - thee
podwładny - aankomend, beginnend
podwładny - achterstellen
podwodny - onderwater-
podwoić - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
podwójny - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
podwójny - duplex, tweevoudig, dubbel, tweeledig
podwójny rozruch (tj. możliwość rozruchudwóch różnych systemów operacyjnych różnych partycji dysku) - duplex, tweevoudig, dubbel, tweeledig
podwórze - yard, ra
podwyżce - opfokken, telen, fokken, opkweken
podwyższać - verergeren, aandikken
podwyższyć wartość - appreciëren, waarderen
podział - legerafdeling, divisie
podział - schifting, afscheiding, clausuur
podział kompletny - schifting, afscheiding, clausuur
podział wyczerpujący - schifting, afscheiding, clausuur
podziałka - aanslag
podziel - afzonderen, afscheiden, scheiden
podzielać - deelnemen, meemaken, meedoen
podzielać zdanie - het eens zijn, overeenstemmen
podzielić na cztery części - buurt, wijk, stadswijk
podziemie - gewelf, bol
podziemie - metro
podziemny - metro
podziękować - danken, bedanken, dank betuigen
podziękowanie - erkenning
podziękowanie - danken, bedanken, dank betuigen
podziwiać - mirakel, wonder
podziwiać - bewonderend
podziwiać - bewonderen
podziwiać ię - bewonderen
poemacie - gedicht, dichtwerk, vers
poemat - tekst
poemat - gedicht, dichtwerk, vers
poemat liryczny - gedicht, dichtwerk, vers
poeta - dichter
poetycki - dichterlijk, poëtisch
poetyczny - dichterlijk, poëtisch
poezja - dichtkunst, poëzie
poezją - dichtkunst, poëzie
poganin - heidens
pogarda - minachting, schamperheid, verachting
pogawędce - keuvelen, babbelen, praten
pogawędka - keuvelen, babbelen, praten
pogawędka w czasie rzeczywistym - keuvelen, babbelen, praten
pogląd - begrip
pogląd - oordeel, judicium, gericht, vonnis
pogląd - houding
poglądowy - zichtbaar
pogłosce - befaamdheid, gerucht, mare, faam
pogmatwać - van zijn stuk brengen, dooreenhalen
pogmatwany - verwarrend
pogoda - weer, weersomstandigheden, weder
pogodny - briljant, glanzend, lumineus
pogodzić się - accepteren, aanvaarden
pogoń - nastreven, najagen
pogrążyć - duiken
pogróżce - bedreiging, dreigement, dreiging
pogróżka - behandelen, cureren
pogrubiony - gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal
pogrzebacz - uitkammen, harken, aanharken, opharken
pogrzebacz - poker
pogrzebowy - necrologie
poinformować - berichten, informeren, inlichten
pojawiać się - gebeuren, aan de hand zijn
pojawiać się - opdagen, opdraven
pojawiać się - opdraven, opdagen
pojawiać się - ontstaan
pojawić się - ontstaan
pojawić się wydawać się - opdraven, opdagen
pojazd - vehikel, voertuig, wagen
pojazd szynowy - vehikel, voertuig, wagen
pojedynczy - ongehuwd, ongetrouwd
pojedynczy skok napięcia - ongehuwd, ongetrouwd
pojemnik na kasety - pot, foedraal, etui, bak, doos, koker
pojemnik na kasety - pot, foedraal, bak, doos, etui, koker
pojemnik na śmieci - pot, foedraal, etui, bak, doos, koker
Pojemność - geluidssterkte, inhoud, volume
pojemność pamięci - schare, troep, bende
pojęcie - begrip
pojęcie - opvatting, begrip
pojętność wiadomość - bevattingsvermogen, intelligentie
pojmać - beetnemen, pakken, beetkrijgen
pojmować - in verwachting raken, zwanger raken
pokarm - eten, etenswaar, spijs, gerecht
pokarm - voeding, kost, voeder, voedingsmiddel
pokaz - pralen, paraderen, prijken, pronken
pokaz - demonstratie, vertoning, bewijs
pokaz slajdów - expositie, tentoonstelling
pokazywać - laten blijken, manifesteren
pokaźny - geruim, aanmerkelijk, aanzienlijk
pokaźny - fijn, schoon, net, fraai, knap, mooi
poker - poker
poklepać (np. po plecach) - toejuichen, bij acclamatie benoemen
pokład - verdek, scheepsdek, dek
pokład spacerowy - verdek, scheepsdek, dek
pokładać nadzieję - vertrouwen, fiducie hebben in
pokłon - revérence, buiging, strijkage, nijging
pokojowy - Stille Oceaan, Grote Oceaan
pokojowy - vredig, vreedzaam
pokojówce - dienstmeisje, dienares, meid
pokojówka - dienstmeisje, dienares, meid
pokojówka - dienstmeisje, dienares, meid
pokolenie - generatie, geslacht
pokonać - nederlaag
pokonać przeciwnika - likken
pokorą - ootmoed, deemoed, nederigheid
pokorny - nederig, onderdanig, deemoedig
pokost - verlakken, lakken
pokost - verlakken, lakken
pokój - appartement, flat
pokój - vrede
pokój - bestek, wereldruim, speling, ruimte
pokój dziecinny - woonkamer, zitkamer, huiskamer
pokój gościnny - bestek, wereldruim, speling, ruimte
pokój rozmów - vrede
pokój zabaw dziecinnych - bestek, wereldruim, speling, ruimte
pokrewieństwa - affiniteit, verwantschap
pokrewieństwo - affiniteit, verwantschap
pokrewieństwo - familiebetrekking, verwantschap
pokrętła - wijzerplaat
pokryć - sproet
pokryć - afbeulen, afjakkeren, afmatten
pokryć koszty - pluim, veer, pen, veder
pokryć piórami - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
pokrywa - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
pokrywa tylna - bedekking, kaft, omslag, deksel
pokrywać - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
pokrywać emalią - emailleren
pokrywą - couvert, envelop, enveloppe
pokrzywa - netel, brandnetel
pokrzywą - netel, brandnetel
pokupny - snikheet, smoorheet, gloeiend, heet
pokusa - aanvechting, temptatie, verleiding
pokusą - aanvechting, temptatie, verleiding
pokwitować - voor voldaan tekenen, kwiteren
pokwitowanie - voor voldaan tekenen, kwiteren
pokwitowanie - recept
Polak - kuil
Polak - Pool
polarny - polair
polce - polka
pole - akker
pole danych w sieci Ethernet - vel, blad
pole magnetyczne poprzeczne - mijnenveld
pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) - hijsblok, blok, katrol, schijf
pole typu danych w pakiecie Ethernetu - akker
pole typu EH - akker
pole typu TEM - bouwland
pole znaku - aanmelding
pole źródłowe - akker
polecać - aanbevelen, aanprijzen, recommanderen
polecenie - aanvoeren, commanderen, bevelen
polecenie - bevelen, aanvoeren, commanderen
polecenie (kogoś komuś) - inleiding, introductie
polecenie kogoś komuś - inleiding, introductie
polecenie zewnętrzne - bevelen, aanvoeren, commanderen
polecić - loven, verheerlijken, prijzen, roemen
polepszyć - helling, glooiing
polerować - schoencreme
polerować - schoensmeer
polerować - Pools
Polewa - verglazen, glazuren, glanzen
polędwicą - kruis, lende
policja - politie
policjant - agent, politieagent
policją - politie
policzek - wang, koon, kaak
polisa - polis
polityczny - staatkundig, politiek
polityk - politicus, staatsman
polityka - beleid, politiek, staatkunde
polityka - polis
polityka zabezpieczenia - polis
polityka zagraniczna - polis
polować - bejagen, jagen, jacht maken op
polowania - vuren, schieten, paffen
polowanie - bejagen, jagen, jacht maken op
Polska - Polen
polski - Pools
polski - schoensmeer
polski - schoencreme
poła - klotsen, plassen, kabbelen, klapperen
poła (np. marynarki) - klotsen, plassen, kabbelen, klapperen
połaczenie - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połaczenie - zich aansluiten, lid worden, toetreden
połaczenie - bond, genootschap, associatie
połaskotać - kriebelen, kietelen
połącz - verbinden, aan elkaar vastmaken
połączenia - conjunctie
połączenia - samenhang, verbinding
połączenie - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie drukowane - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie stałe - conjunctie
połączenie wewnętrzne - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie wielopunktowe - verbinding, combinatie
połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza - aansluiting
połączenie z Internetem - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie z pełnym dupleksem - samenhang, verbinding
połączenie zespołowe - aansluiting
połączyć - aggregatie, aggregaat
połączyć - verbinden, aan elkaar vastmaken
połowa - gemiddeld, doorsnee, middelbaar
połowa - half
położenia - houding, stand, positie
położenia - situatie, stand van zaken
położenie - plaats, oord, lokaliteit, ruimte
położenie - houding, stand, positie
położenie - situatie, stand van zaken
położenie kolumny - plaats, oord, lokaliteit, ruimte
położenie pieczątki - aanzien, air, schijn, aanblik
położenie umiejscowić - item, deel, jaartelling, deeltje
położna - vroedvrouw, verloskundige
połówce - half
południa - zuidelijk
południa - noen, middag
południa - noen, middag
południe - zuidelijk
południe (geograficzne) - zuidelijk
południe (pora dnia) - noen, middag
południe (pora dnia) - noen, middag
południe geograficzne - zuidelijk
południe pora dnia - noen, middag
południowy - zuidelijk
południowy - zuidelijk
połykać - slikken, doorslikken, inslikken
połysk - schijnen, glanzen, blinken, schitteren
połysk - schoencreme
połysk - schoensmeer
połysk - Pools
połysk - glosse, kanttekening
pomagać - assisteren, bijstaan, helpen
pomagać - nader
pomagać - helpen, assisteren, bijstaan
pomagać - aids
pomagać - assistent, famulus, helper, hulp
pomagać pomoc - helpen, assisteren, bijstaan
pomarańcz - Oranje
pomarańcz - oranje
pomarańcza - Oranje
pomarańcza - oranje
pomarańczą - oranje
pomarańczą - Oranje
pomiar - afmeting, dimensie
pomidor - tomaat
pomieszać - aangrijpen, ontroeren, bewegen
pomieszanie - mengen, temperen, mixen, vermengen
pomieszczenie sterylne - aanpassing
pomiędzy - tussen, onder
pomiędzy - tussen
pomiędzy - in het midden van, medio, midden
pomijać - achterwege laten, weglaten
pomijać - weggelaten
pomimo - niettegenstaande, in weerwil van
pomimo tego - niettemin, desondanks
pomimo że - ofschoon, al, hoewel, alhoewel, wel
pominąć milczeniem - achterwege laten, weglaten
pomniejszać zmniejszenie się - afdraaien, verlagen
pomnik - gedenkteken, monument
pomnożyć - multipliceren, vermenigvuldigen
pomnóż - in overvloed aanwezig zijn
pomnóż - multipliceren, vermenigvuldigen
pomoc - zinspelen
pomoc - assisteren, bijstaan, helpen
pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika - assistent, famulus, helper, hulp
pomocniczy - assistent, adjunct, helper
pomocniczy - aanvullend
pomocnik - boer
pomocnik - paren
pomocnik - assistent, hulp, famulus, helper
pomocnik - steward
pomocnik - assistent, adjunct, helper
pomocnik błazna - assistent, adjunct, helper
pomocny - behulpzaam, hulpvaardig
pomost - poort
pomost roboczy - tribune, leiding, podium
pomóc - assistent, famulus, helper, hulp
pompa - oppompen, pompen
pompą - vertoon, luister, pracht, praal
pompą - oppompen, pompen
pompować - oppompen, pompen
pomścić - wreken, wraak nemen
pomścić avenue - wreken, wraak nemen
pomścić ość - wreken, wraak nemen
pomylić - vergissing, fout, dwaling, abuis
pomylić - foutief, verkeerd, fout, onjuist
pomylić się - vergissing, fout, dwaling, abuis
pomylony ść - geurig, aromatisch
pomyłka - vergissing, fout, dwaling, abuis
pomysł - idee, benul, begrip, denkbeeld
pomysł - hulpmiddelen, inrichting, apparaat
pomysł itp - beschouwen, overwegen, nagaan
pomysłowość - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
pomysłowy - geniaal
pomyśleć - geloven, van mening zijn, achten
pomyślnie - met goed gevolg
pomyślny - gelukkig
ponad - benoorden, ten noorden van
ponad tuzin - verderop
ponad wszystko - klaar, afgewerkt, afgelopen, beëindigd
ponadto - overigens, trouwens
ponadto - overigens, trouwens, verder
ponawiać - vernieuwen, renoveren
poncz - stompen
poncz - Jan Klaassen
ponętny - lekker, aanlokkelijk
poniechać - een miskraam krijgen, mislukken
poniedziałek - maandag
poniekąd - deels, ten dele
ponieważ - daar, doordat, omdat, aangezien
poniżać (się) - buigen, overhellen, hellen, aflopen
poniżać się - kleinmaken, vernederen, verootmoedigen
poniżać się - buigen, overhellen, hellen, aflopen
poniżej - beneden, onder
poniżej - beneden
poniżej granicy dolnej - beneden, daarbeneden, onder
poniżenia - verootmoediging, vernedering
poniżenie - verootmoediging, vernedering
ponowić - herhalen, nazeggen
ponownie - opnieuw, van voren af aan, nogmaals
ponownie wyznaczać trasę - afwisselend
ponury - aalwaardig, gemelijk, aalwarig
ponury - obscuur, onbekend, donker
ponury - rouw-
ponury - grimmig
ponury - afschuwelijk
ponury - naar, akelig, onaangenaam
ponury - zwart
pończocha - kous
pończochą - kous
pończochy nylonowe - nylon-
poparcia - endossement, giro
poparzenia - in kokend water doen
popatrzeć - een blik werpen, een blik werpen op
popchnąć - duwen, stoten, dringen, douwen
popełnić wykroczenie - beledigen, affronteren, krenken
popielaty - asgrauw
popielniczka - asla, asbak
popierać - pleitbezorger, advocaat, verdediger
popierać - stutten, steunen, schragen
popierać kogoś/coś - rugstuk, achterzijde, ommezijde
popijać - resorberen, opslorpen, slurpen
popijać (małymi łykami) - resorberen, opslorpen, slurpen
popiół - as
poplamić - ruimte, lokaliteit, oord, plaats
popołudnie - namiddag, middag
poprawa - reformeren, hervormen
poprawa koniunktury - afstelling, instelling
poprawiać - juist, correct, goed
poprawiać - verbeteren, veredelen
poprawiać - nakijken, herzien, inspecteren
poprawić się/wyzdrowieć - juist, correct, goed
poprawka - afstelling, instelling
poprawka wymagana równocześnie - nauwkeurig bepalen, determineren
poprawny - gangbaar, geldig, geldend, vigerend
poprawny - fatsoenlijk, betamelijk, behoorlijk
poprawny - gracieus, bevallig, sierlijk
poprawny - juist, correct, goed
poprosić - vragen
poprosić kogoś o spotkanie - vragen
poprzeczny - dwars
poprzedni - voorgaand, verleden, voorafgaand
poprzedni - verleden, voorgaand
poprzedni - voorafgaand, verleden, voorgaand
poprzednio - al, reeds, alvast, alreeds
poprzednio - daarvoor, eerder, vooraan, indertijd
poprzedzać - voorafgaan, voorzijn
poprzestać - logeren
poprzez - over, overheen, aan de overkant van
poprzez - door, per, met
popsuć - bederven, havenen, beschadigen
popsuty - verspild
populacja - bevolking
populacją - bevolking
popularny - algemeen, gemeenschappelijk
popularny - populair, getapt, veelgeliefd
popychać - aanduwen
popychać - schuiven
popyt - opeisen, vereisen, rekenen, eisen
popyt - voortmaken, spoed maken, haast maken
porada - adviseren, aankondigen, bekendmaken
poradą - raad, raadgeving, advies
poradnictwo - administratiekantoor
poradnik - maat, kameraad, kornuit, makker
poradnik - besturen, richten, dirigeren, mennen
poradzić - besturen, administreren, beheren
poradzić sobie - adviseren, bekendmaken, aankondigen
poranek - ochtend, morgen
porażce - nederlaag
porcelana - China
porcelaną - China
porcie - haven
porcie - haven
porcja danych - emmer
poręcz - bewapenen, wapenen
poręcz - spoorstaaf, rail
poręczny - gemakkelijk, doelmatig, geschikt
poręczyć - garanderen, borg staan voor
pornografia - pornografisch materiaal, pornografie
pornograficzny - pornografisch
poronić - een miskraam krijgen, mislukken
poronienie - abortus provocatus, abortus
porozumieć się - het eens zijn, overeenstemmen
porozumienia - accoord, overeenstemming
porozumienia - overeenstemming, samenklank
porozumienie - accoord, overeenstemming
porozumienie - communiqué
porozumienie dwuetapowe - verband, omgang, betrekking
porozumienie trzyetapowe - overeenstemming, samenklank
porozumienie trzyetapowe - akkoord, maatregel
porozumiewać się - berichten, meedelen, mededelen
porozumiewanie się - communiqué
poród - aflevering, levering, inlevering
porównać - vergelijken
porównaj - vergelijken
porównania - vergelijking
porównanie - vergelijken
porównanie - vergelijking
porównywać - vergelijken
port - haven
port - haven
port lokalny - luchthaven
port równoległy we-wy - interface
port źródłowy nadawcy - haven
portal - ingang, toegang, entree
portfel - portefeuille
portfel na banknoty - portefeuille
portier - conciërge, portier
portmonetka - beurs, portemonnaie, geldbuidel
portrecie - evenbeeld, beeltenis, portret
portret - evenbeeld, beeltenis, portret
Portugalczyk - Portugees
Portugalia - Portugal
portugalski - Portugees
portyk - zuilengang, portiek
portyk - zuilengalerij, zuilengang
porucznik - luitenant
poruszać - aandoenlijk, roerend, ontroerend
poruszać - ontroeren, aangrijpen, bewegen
poruszać - gejaagd, opgewonden
poruszać - agiteren, opruien, ophitsen, opstoken
poruszenia - aangrijpen, ontroeren, bewegen
poruszenie - beroering, agitatie, beweging
poruszony - gejaagd, opgewonden
porwać - transporteren, overbrengen, voeren
porwać - ontvoeren
porwać widownię - ontvoeren
porwanie - ontvoering
porwanie samolotu lub innego środka lokomocji - ontvoering
porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) - ontvoering
porywacz - afvoerder, abductor
porywać - ontvoeren
porządek - agenda, dagorde
porządek - akkoord, maatregel
porządek - aanvoeren, commanderen, bevelen
porządek bajtów - akkoord, maatregel
porządek dzienny - agenda, dagorde
porządek zestawiania - aanvoeren, commanderen, bevelen
porządkować - afzetten, beslaan, garneren
porządkować - afhandelen, afdoen
porzeczce - aalbes, bes
porzeczka - aalbes, bes
porzednik - voorafgaand, verleden, voorgaand
porzucenie - concessie, cessie, afstand, toegeving
porzucenie zaniechanie - concessie, cessie, afstand, toegeving
porzucić - prijsgeven, afleggen, opgeven
porzucić wszelką nadzieję - prijsgeven, afleggen, opgeven
porzucony - gemeen, immoreel, onzedelijk
posada - situatie, stand van zaken
posag - bruidsschat, huwelijksgift
posądzać - verdenken
posąg - beeld, standbeeld
poselstwo - legatie
poseł - bode, afgezant, gezant
posępny - afschuwelijk
posępny - gemelijk, aalwarig, aalwaardig
posiać - uitzaaien, uitstrooien
posiadacz - schede, foedraal, houder
posiadać - rijk zijn, bezitten, erop nahouden
posiadać - bezitten, erop nahouden, rijk zijn
posiadać własny - rijk zijn, bezitten, erop nahouden
posiadania - eigendom, eigendomsrecht
posiadania - bezitting, eigendom, bezit
posiadania - boeltje, bezittingen
posiadanie - eigendom, eigendomsrecht
posiadanie (akcji) - bezitting, eigendom, bezit
posiadłość - landgoed, boerderij, bezitting
posiadłość ziemska - goed, boerderij, landgoed, bezitting
posiedzenia - sessie, zitting, zittingsperiode
posiłek - bloem, meel
posiłek - twaalfuurtje, lunch
posiłek południowy - bloem, meel
posiniaczyć - blauwe plek
poskramiać - knechten, onderwerpen
posłaniec - afgezant, bode, gezant
posłańca - afgezant, bode, gezant
posłuchać - aanhoren, beluisteren, luisteren
posługiwać sie - afgewerkt, gebruikt
posługiwać się - aanwending, toepassing
posłuszny - willig, gehoorzaam
posłuszny - handelbaar, inschikkelijk
posmak - aroma, geur
posmarować - invetten
posmarować - aanwenden, doorvoeren
posmarować - afstemmen, aanpassen, adapteren
pospolity - algemeen, gemeenschappelijk
pospolity - plat, triviaal, vulgair, onbenullig
post - vasten
postać - personage, persoon
postanowić - besluiten, beslissen, uitmaken
postanowienie - besluit, uitspraak, beslissing
postarać się - streven, zich inspannen, pogen
postawa - houding
postawa - aard, karakter, geaardheid
postawa - rose, roze, roos
posterunek - aanplakken
posterunek - post, posterijen
postęp - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
postęp - verbetering, vooruitgang, beterschap
postęp arytmetyczny - ontwikkeling, evolutie
postępować - zich gedragen
postępowanie - actie, handeling, optreden, gedoe
postój - logeren
postój - afslaan, halthouden, blijven staan
postrzępienie (efekt graficzny) - treksluiting, rits, ritssluiting
postrzępiony - nevelig, heiig, dampig, mistig
postulacie - eisen, rekenen, vereisen, opeisen
postulować - eisen, rekenen, vereisen, opeisen
posunięcia - ontroeren, aangrijpen, bewegen
posunięcie - ontroeren, aangrijpen, bewegen
posuwać (się) naprzód - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
posuwać się naprzód - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
posyłać - doen toekomen, sturen, opsturen
posypywać - bepoederen, poederen
poszczególny - afzonderlijk, afgezonderd
poszczególny - respectief
poszukiwacz - mijnbouwkundig onderzoeker
poszukiwać - speurtocht, speurwerk, zoektocht
poszukiwać - uitzien naar, uitkijken naar, snorren
poszukiwać pozycjonować - speurwerk, speurtocht
poszukiwania - zoektocht, speurtocht, speurwerk
poszukiwania - speurwerk, speurtocht
poszukiwanie - speurtocht, speurwerk, zoektocht
poszukiwanie - zoektocht, speurtocht, speurwerk
poszukiwanie - speurtocht, speurwerk
poszycie - dierevel, vel, huid, pels, vacht
pościel - linnen
pościg - vervolging, achtervolging
pośladek - bil
pośladkach - bips, kont, zitvlak
pośladki - zwerver, vagebond
poślizg - uitglijden, slippen
pośliznąć się - slippen, uitglijden
pośliźnięcie się - slippen, uitglijden
poślubiać - gehuwd, getrouwd
poślubiać - in de echt verbinden, trouwen
poślubić - in de echt verbinden, trouwen
pośmiertny - necrologie
pośpiech - haast, haastigheid, ijl
pośpiech - spoed maken, haast maken, voortmaken
pośpiech - voortmaken, spoed maken, haast maken
pośpiesznie - haastig, inderhaast, gehaast
pośpiesznie - haastig, inderhaast, gehaast
pośrednictwo - agentschap
pośredniczenie - agentschap
pośrednik - vertegenwoordiger, dealer, agent
pośrednik - makelaar
pośrednik - in de plaats stellen van, inboeten
pośrodku - tussen, onder
pośród - tussen
pośród - in het midden van, medio, midden
poświadczenie - getuige
poświadczyć - getuigen, certificeren
poświadczyć - certificeren, getuigen
poświęcać - opofferen, offeren, aanbieden
poświęcać - aanhankelijk, gehecht
poświęcać - spanderen, opdragen, spenderen
poświęcający się - aanhankelijk, gehecht
poświęcony - gewijd, heilig, sacraal, geheiligd
poświęcony - geheiligd, gewijd, heilig, sacraal
pot - zweet
pot - zweten, transpireren
potajemnie - tersluiks, sluiks, steelsgewijs
potajemny - confidentie
potańcówka - bal, danspartij
potargać - opzetten, rechtop zetten
potas - kalium
potem - naderhand, dan, achteraf, daarna
potęga - heerschappij, macht, mogendheid
potępiać - afkeuren
potępiać - verdomme, verdomd, godverdomme
potępić - afkeuren
potępienia - wraking, verwerping, afkeuring
potępienia - wraking, afkeuring
potępienie - wraking, afkeuring
potężny - machtig
potknąć się - struikelen
potknięcie - struikelen
potok - vloed, bergstroom, stroom
potok - loop, stroom, stroming
potok - stromen, vloeien, lopen, vlieten
potok - beekje, beek
potok potokowy - pijp, tabakspijp
potok rzutowania - loop, stroom, stroming
potokowym przesyłaniem pakietów - bult, bochel
potomek - loot, jong, kind, afstammeling
potomek - nakomelingschap, kroost, zaad
potomek proces potomny potomny - nakomelingschap, kroost, zaad
potomność - nageslacht
potomstwo - loot, jong, kind, afstammeling
potomstwo - beginnend, aankomend
potop - zondvloed
potrafiący obsługiwać coś (maszyna - welbewust, bewust
potrafić - besturen, administreren, beheren
potrawa - schotel, schaal
potrawce - pan, braadpan, steelpan
potrawka - ragout
potrójny - drievoudig, driedubbel
potrząsać - schokken
potrzeba - noodzaak, noodzakelijkheid
potrzeba - nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten
potrzeba (życiowa) - nodig, benodigd
potrzebą - nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten
potrzebny - nodig, benodigd
potrzebować - nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten
potrzebujący - behoeftig, berooid, nooddruftig
potrzebujący odbioru - behoeftig, berooid, nooddruftig
potrzebujesz - wens, lust, verlangen, begeerte, zin
poturbować - aanvallen, aantasten
potwierdzać - controleren, checken, aflezen
potwierdzać uznać n potwierdzenie - agnosceren, als waarheid aannemen
potwierdzenia - erkenning
potwierdzenie (odbioru) - erkenning
potwierdzenie (odbioru) podziękowanie - erkenning
potwierdzenie odbioru - erkenning
potwierdzenie pozytywne - erkenning
potwierdzić - agnosceren, als waarheid aannemen
potwierdzić - erkennen, bekrachtigen, bevestigen
potwierdzić notarialnie - bevestigen, aannemen
potworność - monsterachtigheid
potworny - monsterachtig, gedrochtelijk
potwór - rotbeest, mormel
potykać się - struikelen
potylica - achterhoofd
pouczać - stichten
pouczenie - aanwijzing, consigne, instructie
poufny - binnenste, inwendige
poufny - vertrouwelijk, geheim
powab - aantrekkelijkheid
powab - lokken
powaga - autoriteit, gezag
powaga - stemmig, ernstig, bona fide, serieus
powaga - zwaartekracht
poważanie - achten, achting hebben voor
poważany - achtenswaardig, achtbaar
poważny - geruim, aanmerkelijk, aanzienlijk
poważny - stemmig, ernstig, bona fide, serieus
poważny - rouw-
poważny - belangrijk, ernstig, voornaam, erg
power-on self test - aanplakken
poweron self test - aanplakken
powiadamiać - adviseren, aankondigen, bekendmaken
powiadomienie - verkondiging, aankondiging
powiadomiony - welbewust, bewust
powiat - graafschap
powiązania - familiebetrekking, verwantschap
powiązanie - monteren, zetten
powiece - ooglid
powiedzieć - zeggen, opgeven
powieka - ooglid
powieka - bedekking, kaft, omslag, deksel
powielać - verveelvoudigen, multipliceren
powierzać - belasten met, opdragen, opdracht geven
powierzchnia - oppervlakte, areaal, gebied
powierzchnia - het hoofd bieden
powierzchnia - oppervlakte, oppervlak
powierzchnia czołowa - het hoofd bieden
powierzchnia kuli - kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied
powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków - spoor, wagenspoor, karrespoor
powierzchnia wyświetlania - oppervlakte, areaal, gebied
powierzchnia zapisu - oppervlakte, areaal, gebied
powierzchniowy tranzystor polowy - oppervlakkig, ondiep
powierzchowność - verschijning, verschijnen
powierzchowność - aanblik, aanschijn, buitenkant
powierzchowny - oppervlakkig, ondiep
powierzchowny - naar buiten, eruit, buitenwaarts
powierzchowny - gemakkelijk, vlot, makkelijk, licht
powierzyć (
powiesić - hangen
powiesić na zawiasach - scharnier
powiesić się - hangen
powieściopisarz - romanschrijver
powieść - klaarspelen, doorkomen, slagen
powieść - nieuw, opkomend
powieść się - nieuw, opkomend
powietrze - lucht
powiększać - verergeren, aandikken
powiększać - omvang, bestek, grootte
powiększać - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powiększać - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powiększać (się) - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powiększenia - uitbouwing, vergroting
powiększenie - opdrijven, verheffen, ophogen
powiększenie - wasdom, ontwikkeling, groei
powiększenie - uitbouwing, vergroting
powiększyć - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powinność - verplichting, plicht
powinowactwo - affiniteit, verwantschap
powinowactwo elektronowe ujemne - affiniteit, verwantschap
powinszować - gelukwensen, feliciteren
powitać - feestelijk inhalen
powitać - hallo
powitać - groeten, begroeten
powitanie - feestelijk inhalen
powlec - overlappen
powłoka - schild, rugschild, schaal
powłoka wsadowa - schild, rugschild, schaal
powodować - afstammen, het gevolg zijn van
powodować - aanstoken, ophitsen, irriteren
powodować - doen, maken, laten doen, laten
powodzenia - geluk, welstand, bloei, voorspoed
powodzenie - welstand, voorspoed, geluk, bloei
powodzenie - geluk, welstand, bloei, voorspoed
powodzenie (operacji) - welstand, voorspoed, geluk, bloei
powoli - op zijn gemak, zachtjes, langzaam
powolny - langzaam
powolny - ontzien, sparen
powolny start - langzaam
powołanie - beroep
powoływać się - beweren, verzekeren
powoływać się - aanroepen
powód - reden, oorzaak
powód - aanstoken, ophitsen, irriteren
powód - doen, maken, laten doen, laten
powód (sądowy) - reden, oorzaak
powódź - zondvloed
powóz - opvoeden, onderwijzen
powrotny - hergeven, reproduceren, teruggeven
powrót - hergeven, reproduceren, teruggeven
powrót do nowego wiersza - hergeven, reproduceren, teruggeven
powróz - snaar, koorde, stemband
powstać - ontstaan
powstanie - muiten, rebelleren, in opstand komen
powstrzymać - tegenspartelen, tegenstreven
powstrzymać/zataić - verhinderen, verhoeden, beletten
powstrzymywać - bevatten, inhouden, behelzen
powstrzymywać - verhinderen, verhoeden, beletten
powstrzymywać się - zich onthouden, zich abstineren
powstrzymywać się
powszechny - algemeen, universeel
powszechny - generaal
powściągliwość - bespreken, reserveren, intekenen
powściągliwość - breidel, teugel, toom
powściągnąć - bedwingen, beteugelen, betomen
powtarzać - herhalen, nazeggen
powtórce - herhalen, nazeggen
powtórka - herhaling, repetitie
powtórka (np. lekcji) - herhaling, repetitie
powtórzenia - herhaling, repetitie
powyżej - benoorden, ten noorden van
powyżej - op, omhoog, naar boven, opwaarts
powyższy - benoorden, ten noorden van
poza - zich aanstellen, zich voordoen
poza - daarbuiten, buiten, uiterlijk
poza - bovendien, verder, voorts, daarenboven
poza - verderop
poza - overigens, trouwens
poza - aanstellerij, onnatuurlijkheid
poza domem (na powietrzu) - zich aanstellen, zich voordoen
poza kolejką - benoorden, ten noorden van
poza zakresem - uitzonderen
pozbawić siły - snijden, ontmannen, castreren
pozbywać się - afhelpen
pozbywanie się - beschikking
pozdrawiać - groeten, begroeten
pozdrawiać - groeten, begroeten
pozdrawianie - saluut, groet
pozdrowienia - complimenteren
pozdrowienia - eerbiedigen, respecteren
pozdrowienie - saluut, groet
pozdrowienie - groeten, begroeten
pozew sądowy - gerechtszaak, geding, proces
poziom - aanleggen, aan de schouder brengen
poziom - gouvernement, regering, overheid
poziom intensywności - lopen, stappen, treden, schrijden
poziom żądania - aanleggen, aan de schouder brengen
poziomnica - aanleggen, aan de schouder brengen
poziomy - horizontaal, waterpas, platliggend
poziomy uprzejmości - aanleggen, aan de schouder brengen
pozłacać - vergulden
poznać - agnosceren, als waarheid aannemen
poznać (kogoś) - samenkomen, bijeenkomen, vergaderen
poznawać - kennen, bekend zijn met
pozornie - klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar
pozorny - aanwijsbaar, vertoonbaar
pozorny - virtueel
pozostać - rest, overblijfsel, rommel, afval
pozostać - achterblijven, nablijven
pozostać w łóżku - achterblijven, nablijven
pozostałość - rest, overige
pozostawać - achterblijven, nablijven
pozostawać w sprzeczności - in tegenspraak zijn met, tegenspreken
pozostawiać - op reis gaan, afreizen
pozować - zich aanstellen, zich voordoen
pozować - verderop
pozować - zich aanstellen, zich voordoen
pozowanie - aanstellerij, onnatuurlijkheid
pozór - aanmatiging, onbescheidenheid
pozwalać - toelaten, gedogen, toestaan
pozwany - aangeklaagde, beklaagde, beschuldigde
pozwolenia - toestemming, goedvinden, fiat
pozwolenie - toelaten, gedogen, toestaan
pozwolić - laten, laten begaan, laten schieten
pozwolić sobie - laten, laten begaan, laten schieten
pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś - laten, laten begaan, laten schieten
pozycja - graad, stand, status, rang
pozycja - plaats, oord, lokaal, plek
pozycja - item, deel, jaartelling, deeltje
pozycja cyfry - item, deel, jaartelling, deeltje
pozycja wyjściowa - houding, stand, positie
pozycja znaku - aanmelding
pozycja znaku - houding, stand, positie
pozycją - stationsgebouw, station
pozycją - item, deel, jaartelling, deeltje
pozytywny - positief, constructief
pożar - vuurzee, brand
pożar - ontzetten, royeren, ontslaan
pożarów itp - deskundig
pożądać - passie, roes, lust, hartstocht
pożegnać się - adieu, vaarwel
pożegnać się - vaarwel, adieu
pożegnania - vaarwel, adieu
pożegnania - vaarwel, adieu
pożegnanie - adieu, vaarwel
pożegnanie - vaarwel, adieu
pożegnanie - vaarwel, adieu
pożoga - vuurzee, brand
pożyczać (od kogoś) - lenen
pożyczać coś komuś - lenen, voorschieten, uitlenen
pożyczce - lenen
pożyczka - lenen
pożyczka - lenen
pożyczka hipotetyczna - lenen
pożyczyć - lenen
pożyteczny - bevorderlijk, dienstig, nuttig
pożywienie - eten, etenswaar, spijs, gerecht
pójść - lopen, van stapel lopen, gaan
półbajt - knagen, knabbelen
półce - schap, plank
półka - schap, plank
półkula - hemisfeer, halfrond
półmisek - schotel, schaal
północ - middernacht
północ - noorden
północ - noorden
północ (geograficzna) - noorden
północ (geograficzna) - noorden
północ (pora doby) - middernacht
północ pora doby - middernacht
północny - noorden
północny - noorden
północny - noords, noordelijk
północny wschód - noords, noordelijk
półprosta - actieradius, spaakbeen, radius
półwysep - schiereiland
później - naderhand, dan, achteraf, daarna
później - later
późniejszy - later
późno - vergevorderd, laat
późny - vergevorderd, laat
Późny, końcowy - terminal
póżniej - later
prac - werken, oeuvre
praca - emplooi, karwei, werk, arbeid
praca - functioneren, het doen
praca dorywcza - proefschrift, stelling, dissertatie
praca papierowa - handwerk
praca z podziałem czasowym - ter wereld brengen, bevallen
praca zawieszona - eredienst, dienst, godsdienstoefening
praca zespołowa - toepassing, aanwending
pracą - functioneren, het doen
pracą - emplooi, karwei, werk, arbeid
prace badawcze - speurwerk, speurtocht
pracodawca - werkgever
pracować - functioneren, het doen
pracować ponad siły - functioneren, het doen
pracować w ogrodzie - functioneren, het doen
pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji - functioneren, het doen
pracowitość - vlijt, naarstigheid, ijver
pracowity - ijverig, nijver, naarstig, vlijtig
pracowity - naarstig, ijverig, vlijtig, nijver
pracowity - naarstig, vlijtig, nijver, ijverig
pracownia - kast
pracownia - laboratorium
pracownik - werker
pracownik - werkkracht, arbeider, werker, werkman
pracownik - employé, werknemer, personeelslid
pracownik naukowo-badawczy - werker
pracownik naukowobadawczy - ingenieur
praczka - wasvrouw
prać swoje brudy publicznie - uitwassen, wassen, de was doen
praefixus - voorvoegsel
praepositio - voorzetsel
Praga - Praag
pragnący - bang, bezorgd, beducht, ongerust
pragnąć - trek hebben in, verkiezen, begeren
pragnąć - dorst
pragnąć z całego serca - trek hebben in, verkiezen, begeren
pragnienia - verlangend, smachtend
pragnienia - dorst
pragnienia - aanwakkeren, aanvuren, aansporen
pragnienie - trek hebben in, verkiezen, begeren
praktyczny - inschikkelijk, handelbaar
praktyczny - praktisch
praktyka - belevenis, ervaring, ondervinding
praktyka (zawodowa) - aanwenden, doorvoeren
praktykować - aanwenden, doorvoeren
praktykować - drillen, oefenen
pralni - wasserij
pralnia - wasserij
pralnia automatyczna - wasserij
pranie - wasserij
prasa - pers
prasa (ściskająca i drukowana) - zuiger
prasą - pers
prasować - ijzeren
prasowy - pers
pratykuła - item, deeltje, jaartelling, deel
prawa burta - stuurboord
prawa dostępu - manier, wijze, trant
prawda - juist, gelijk hebbend, gegrond
prawda - waarheid, waarachtigheid
prawda logiczna - waarheid, waarachtigheid
prawdą - waarheid, waarachtigheid
prawdopodobnie - waarschijnlijk
prawdopodobnie - waarschijnlijk
prawdopodobny - waarschijnlijk
prawdopodobny - waarschijnlijk
prawdziwie - werkelijk, wezenlijk
prawdziwy - juist, gelijk hebbend, gegrond
prawdziwy - daadwerkelijk, werkelijk, effectief
prawdziwy - authentiek, onvervalst
prawidłowo - juist, correct, goed
prawidłowy - erg, ernstig, belangrijk, voornaam
prawidłowy - normaal, standaard-
prawidłowy - gelijkmatig, regelmatig, geregeld
prawie - schier, bijkans, haast, bijna
prawie - schier, bijkans, haast, bijna
prawie - circulerend, in omloop
prawie nic - schier, bijkans, haast, bijna
prawniczy - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawnik - jurist
prawnik - verdediger, pleitbezorger, advocaat
prawny - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawo - titelen, tituleren, betitelen
prawo - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawo - recht
prawo - vrijdom, vrijheid, vlotheid
prawo - copyright, kopijrecht
prawo autorskie - balloteren, kiezen, stemmen
prawo autorskie - copyright, kopijrecht
prawo o podpisach cyfrowych - eigendom, eigendomsrecht
prawo wyborcze - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawo zwyczajowe - recht
prawomocny - strip, reep, band, strook, windsel
prawosławny - orthodox, rechtzinnig
prawosłowny - orthodox, rechtzinnig
prawostronny - rechter-, vandehands
prawość - gerechtigheid, billijkheid
prawowity - echten, legitimeren
prawoznawstwo - recht
prawoznawstwo dza - recht
prawy - billijk, rechtvaardig, fair
prawy - eerlijk, eerzaam, degelijk
prąd - actueel
prąd - elektriciteit
prąd - sap
prąd - loop, stroom, stroming
prąd (także elektryczny) - actueel
prąd elektryczny przepływ bieżący - actueel
prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu - gallon
precyzja wielokrotna - stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid
precyzją - stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid
precyzować - precies, scherp, juist, minutieus
precyzyjny - nauwkeurig, accuraat, nauwgezet
precyzyjny - stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid
precz - eerstvolgend, aanstaand, komend
precz! - vandoor, heen, verwijderd, over
preferować - prefereren, de voorkeur geven aan
prefiks - voorvoegsel
prefiks operatora - voorvoegsel
prefiks usługodawcy - voorvoegsel
premia - premie, prijs
premia - bonus
premią - bonus
premią - premie, prijs
premier - minister-president, premier
prenumerata - abonnement
prenumerator - abonnee
prenumerować - geabonneerd zijn op
preparat - voorbereidsel, voorbereiding
prerią - prairie
preselekcja - keus, alternatief, keuze
prestiż - autoriteit, prestige, gezag
prestiżowy - prestigieus
pretekst - verontschuldigen
pretekst - smoesje, smoes, draaierij, dekmantel
pretensja - aanmatiging, onbescheidenheid
pretensja - aanspraak maken op, claimen
pretensja - klapstuk, rundvlees
pretensjonalny - opzichtig, ostentatief
prezencją - bijzijn, presentie, aanwezigheid
prezent - tegenwoordig, actueel
prezent - gift, geschenk, donatie, cadeau
prezentacja przedstawienie - aanbieding, presentatie, optreden
prezentować - tegenwoordig, actueel
prezes zarządu - voorzitter, praeses, preses, president
prezydencie - voorzitter, praeses, president, preses
prezydent - voorzitter, praeses, president, preses
prezydent tam był - voorzitter, praeses, president, preses
prędko - gauw, hard, schielijk, in allerijl
prędkość - snelheid, vaart, spoed, radheid
pręga - schreef, haal, schrap, streek, streep
pręga - gallon
pręt - roede, gard, spitsroede, stokje
problem - kwestie, vraag, navraag
problem - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
problem roku 2000 - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
problem tłumaczenia adresu - rimpelen, fronsen
problem z bezpieczeństwem - haardos, haar
problem związany z siecią - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
proboszcz - pastoor
procedura - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procedura pomiarowa - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procedura wspomagania programu - routine, sleur
procedura zagęszczania - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procedurą - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procencie - rente, percent, procent
procent - rente, procent, percent
procent - belang inboezemen, interesseren
procentowość - rente, procent, percent
proces - gerechtszaak, geding, proces
proces - bewerking
proces - probeersel, proefstuk
proces rozruchu - gerechtszaak, geding, proces
proces zatwierdzania - bewerking
procesja - processie, stoet, optocht, omgang
procesować się - een proces aanspannen tegen
proch - buskruit, kruit
proch - bepoederen, poederen
proch strzelniczy - buskruit, kruit
produkcja - produktie, voortbrenging
produkcja seryjna - opbrengen, opleveren, afwerpen
produkcja wspomagana komputerem - ontwikkeling, eliminatie
produkcja wspomagana komputerowo - fabriceren, aanmaken, maken
produkcja wspomagana komputerowo - produktie, voortbrenging
produkcją - ontwikkeling, eliminatie
produkcją - produktie, voortbrenging
produkcyjny - geslachtelijk, seksueel, generatief
produkować - fabriceren, aanmaken, maken
produkować - opbrengen, opleveren, afwerpen
produkt - opbrengen, opleveren, afwerpen
produkt - produktie, gewrocht, opbrengst
produkt zakonserwowany - produktie, gewrocht, opbrengst
profanować - ontwijden, ontheiligen, profaneren
profesjonalny - professioneel, beroeps-
profesor - professor
profil - karakterschets
profil wykonania - karakterschets
profil zabezpieczeń - karakterschets
profilować - karakterschets
prognoza - voorspelling, prognose, verwachting
prognozą - beduiden, voorspellen, voorzeggen
prognozą - voorspelling, prognose, verwachting
program - laten blijken, manifesteren
program - programmeren
program - programmeren
program - akkoord, maatregel
program do tworzenia kopii zapasowych - vinger
program interpretujący - interpreter
program kontrolny - debugger
program obsługi urządzenia - conducteur, bestuurder
program organizacyjny - assistent, hulp, famulus, helper
program pierwotny - programmeren
program post-mortem - programmeren
program składowania - programmeren
program składowania (zawartości pamięci) - aanwending, toepassing
program sterujący - assistent, hulp, famulus, helper
program testujący - debugger
program typu królik - konijntje
program uruchomiajacy - debugger
program wspomagający - werktuig, middel
program zrzutu - aanwending, toepassing
program zrzutu - programmeren
program źródłowy - programmeren
programowa - tribune, leiding, podium
programowa) - tribune, leiding, podium
programu itp.) ilustracja - afbeelding, prent, plaat
projekcie - projecteren
projekt - werkje, schets, tekening
projekt - projecteren
projekt pilotażowy - projecteren
projekt szczegółowy - projecteren
projektor laserowy - projector, projectietoestel
projektować - werkje, schets, tekening
projektować - projecteren
projektowanie - werkje, schets, tekening
projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) - ontwikkeling, evolutie
proklamacja - declaratie, verklaring
proklamacją - declaratie, verklaring
proklamować - proclameren, uitvaardigen, afkondigen
proletariacie - proletariaat
proletariacki - proletariër
proletariat - proletariaat
proletariusz - proletariër
prolog - voorrede, proloog
prom - overzetboot, pontveer, pont, bak
promenada - wandeldreef, promenade, wandeldek
promienie słońca - zonneschijn
promieniować - straal, spaak
promieniować - uitstralen, stralen
promieniować (dosłownie i w przen.) - uitstralen, stralen
promieniować rozchodzić się promieniowo - uitstralen, stralen
promień - straal, spaak
promień - actieradius, spaakbeen, radius
promień słońca - zonnestraal
promień zginania - straal, spaak
promocja - bevordering, promotie
promocją - bevordering, promotie
promować - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
propaganda - verspreiding, propaganda
proponować - uitloven, bieden, aanbieden
proponować - aanwijzen, aangeven, aanduiden
proporcja - evenredigheid, proportie, verhouding
proporcja - proportie, verhouding, evenredigheid
proporcjonalny - proportioneel, evenredig
propozycja wstępna - huwelijksaanzoek, aanzoek
propozycją - bod, voorslag, aanbieding, aanbod
propozycją - huwelijksaanzoek, aanzoek
proroctwa - profetie, voorspelling, voorzegging
proroczy - funest, fataal, noodlottig
prorok - voorspeller, profeet, voorzegger
prorokować - voorzeggen, beduiden, voorspellen
prosa - gierst
prosić - vragen
prosić - bidden
prosić - vragen, aanvragen, inroepen, verzoeken
proso - gierst
prospekcie - prospectus
prosperować - gedijen, tieren, bloeien, floreren
prostacki - hardhandig, lomp, onkies, grof, ruw
prosto - direct, overeind, rechtop
prosto - rechter-, vandehands
prostopadły - normaal, standaard-
prosty - aalwaardig, aalwarig, eenvoudig
prosty - direct, live, recht, rechtstreeks
prosty - aalwarig, eenvoudig, aalwaardig
prosty - licht, vlot, makkelijk
prosty protokół zarządzania siecią - aalwarig, eenvoudig, aalwaardig
prosty protokół zarządzania siecią - aalwaardig, aalwarig, eenvoudig
prostytutka - hoer, lichtekooi, prostituée
proszek - bepoederen, poederen
proszę - behaaglijk, aantrekkelijk, bekoorlijk
proszę - voldaan, tevreden, vergenoegd
proszę - alsjeblieft, wees zo goed, alstublieft
proszkować - malen, vermalen, kwellen
prośba - aanwending, toepassing
prośba - vragen, aanvragen, inroepen, verzoeken
protekcja - bescherming
protektor - beschermheilige, beschermheer
protest - betwisten, bestrijden
protestancki - protestants
protestant - protestants
protestować - betwisten, bestrijden
proteście - betwisten, bestrijden
protokół - bekeuring, proces-verbaal, notulen
protokół IP dla łączy szeregowych - slippen, uitglijden
protokół odwrotnego tłumaczenia adresów - scheuren, rijten
protokół RARP - scheuren, rijten
protokół SGMP - aalwarig, eenvoudig, aalwaardig
protokół z potwierdzeniem pozytywnym - landkaart, kaart
protokół zmiany kierunku - bekeuring, proces-verbaal, notulen
proton - proton
prototyp - prototype
prowadnica - spoorstaaf, rail
prowadzące - nul
prowadzący - gebieder, chef, aanvoerder, baas
prowadzenie serwerów WWW - constructie, bouw, aanbouw
prowincja - gouvernement
prowincjonalny - gewestelijk, provinciaal
prowizja - rente, procent, percent
prowizoryczny - jury
prowokować - aanstoken, ophitsen, irriteren
proza - proza
prozą - proza
próba - probeersel, proefstuk
próba - herhaling, repetitie
próba - gehoor
próba - streven, trachten, pogen, moeite doen
próba (teatralna) - bedwingen, betomen, beteugelen
próba generalna - streven, trachten, pogen, moeite doen
próba generalna - dissertatie, proefschrift, stelling
próba odzyskania - probeersel, proefstuk
próba teatralna - streven, trachten, pogen, moeite doen
próba v próbować - examen, keuring, onderzoek
próbą - streven, trachten, pogen, moeite doen
próbą - moeite, poging
próbą - probeersel, proefstuk
próbą - streven, zich inspannen, pogen
próbce - proefstuk, proef, specimen, monster
próbka - proefstuk, proef, specimen, monster
próbka - proef, monster, specimen, proefstuk
próbka na sekundę - proefstuk, proef, specimen, monster
próbkować - bedwingen, betomen, beteugelen
próbować - streven, zich inspannen, pogen
próbować - smaken
próbować - incidenteel, toevallig
próbować - streven, trachten, pogen, moeite doen
próchnica - teelaarde, humus
próchnicą - verval
próchno - tonderzwam, tondel, tonder, zwam
prócz - ander
prócz tego - overigens, trouwens, verder
próg - drempel, dorpel
próg - drempel, dorpel
próg tylny - drempel, dorpel
próżni - luchtledige ruimte, vacuüm
próżnia - luchtledige ruimte, vacuüm
próżnia ultrawysoka - luchtledige ruimte, vacuüm
próżność - nietigheid, ijdelheid
próżny - vergeefs, ijdel, nutteloos
próżny - loos, ledig, leeg, lens, hol
prymitywny - onbeleefd, honds, onheus, lomp
prymitywny - primitief
prymitywny - grof, cru, onbewerkt, onbehouwen, bot
pryncypał - aanvoerder, chef, gebieder, baas
pryskać - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
pryszcz - op het kookpunt zijn, borrelen, koken
prysznic - een douche nemen, douchen
prywatny - besloten, privé-, particulier
pryzmat - prisma
prząść - spinnen
przebaczać - absolveren, absolutie geven
przebaczać - vergeven, begenadigen
przebaczenie - vergeven, begenadigen
przebicie dętki - appartement, flat
przebieg kurs - tracé, route, leergang, cursus, koers
przebiegłość - slim, listig, gewiekst, doortrapt
przebiegły - scherpzinnig, schrander, pienter
przebiegły - doortrapt, slim, gewiekst, listig
przebiegły - slim, listig, gewiekst, doortrapt
przebierać - soort, slag, aard
przebijać - barsten, splijten, scheuren
przebłysk - slaan, klappen, kloppen, opvallen
przebłysk - flitsen, flikkeren, gloren
przebój - slaan, kloppen, houwen, klappen
przebudzić - wakker maken, wekken, opwekken
przebudzony - wekken, wakker maken, opwekken
przeceniać - overschatten, overwaarderen
przecenić znaczenie - overschatten, overwaarderen
przechadzka - wandeldreef, promenade, wandeldek
przechodni - transitief, overgankelijk
przechodzień - voorbijganger
przechodzień - voetganger
przechowywać przenosić - vertraging
przechowywać w pamięci - reserveren, detineren, ophouden
przechwalać się - pochen, opscheppen, snoeven, bluffen
przechwycić - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
przechwycić - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
przechwycić - beetnemen, pakken, beetkrijgen
przechwytywać - beetnemen, pakken, beetkrijgen
przechwytywać - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
przechylać się - neigen, buigen, doen overhellen
przechylić - schragen, steunen, stutten
przechył - neigen, buigen, doen overhellen
przechył statku - uitlisten, een lijst maken
przeciążenie - congestie, bloedaandrang, aandrang
przeciążenie (np. sieci) - congestie, bloedaandrang, aandrang
przecięcie - inspringen
przeciętnie - ongeveer, een stuk of, circa
przecinek - komma
przeciskać się - door, per, met
przeciw - met, tegenaan, tegen, jegens
przeciwieństwo - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeciwległy - voor
przeciwnie do ruchu wskazówek zegara - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeciwnik - tegenstander
przeciwny - afkerig
przeciwny - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeciwny - tegenover, aan de overkant van
przeciwny czemuś - tegenstander
przeciwstawiać - dwarsbomen, tegenwerken, belemmeren
przeciwstawiać się - standhouden, bezwaar hebben tegen
przeciwstawiać się - uitdagen, tarten, trotseren, uittarten
przeciwstawić (się) - dwarsbomen, tegenwerken, belemmeren
przeciwstawienia - tegenstand, oppositie
przeciwstawienie - tegenstand, oppositie
przeciwstawny - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeczący - negatief, cliché
przeczesać - borstelen, schuieren
przeczyć - in tegenspraak zijn met, tegenspreken
przeczyć - ontkennen
przeczyszczający - laxeermiddel, laxans
przed - voor
przed - voorafgaand, verleden, voorgaand
przed południem - voor de middag, in de morgen
przed siebie - voor
przede wszystkim - benoorden, ten noorden van
przedefilować - ontwijden, profaneren, ontheiligen
przedimek nieokreślony - een
przedimek określony - aan de, het, aan het, de, naar de
przedkładać - knechten, onderwerpen
przedłożenia - aanbieding, presentatie, optreden
przedłożyć - knechten, onderwerpen
przedłużacz - achtervoegsel, suffix
przedłużać - langdurig, lang, lange tijd
przedłużenie - achtervoegsel, suffix
przedłużyć - uitleggen, doortrekken, rekken
przedłużyć (się) - uitleggen, doortrekken, rekken
przedmieścia - voorstad
przedmieście - voorstad
przedmiot - handelsartikel, artikel
przedmiot - mikpunt, onderwerp, object, ding
przedmiot oceny - handelsartikel, artikel
przedmowa - inleiding, introductie
przedmowa - voorrede, voorbericht, voorwoord
przedni plan - voorgrond
przedni plan (obrazu) - voorgrond
przednie światło (np. samochodu) - lichtbak, reflector, koplamp
przedpokój - hal
przedpokój - overgang, doorgang, passage
przedpołudnie - ochtend, morgen
przedpotopowy - antediluviaans, zeer oud
przedrostek - voorvoegsel
przedrostek negujący znaczenie wyrazów - on-, in-, im-
przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi - voorvoegsel
przedruk - nadruk, herdruk
przedrukować - nadruk, herdruk
przedrzeźniać - bespotten, spotten, honen
przedsiębiorca - koopman, handelaar, zakenman
przedsiębiorca (budowlany) - bouwondernemer, aannemer
przedsiębiorczy - ondernemend
przedsiębiorstwa - firma, handelsfirma, handelshuis
przedsiębiorstwa - bedrijf, onderneming
przedsiębiorstwo - bedrijf, onderneming
przedsiębiorstwo - Maria-Hemelvaart
przedsięwziąć - ondernemen
przedsięwziąć - zich wagen aan, aandurven
przedsięwzięcie - zaak, aangelegenheid, ding, affaire
przedsięwzięcie - bedrijf, onderneming
przedsięwzięcie - zich wagen aan, aandurven
przedstawiać - verbeelden, uitbeelden, afbeelden
przedstawiać (na scenie) - opdraven, opdagen
przedstawiać obecny - tegenwoordig, actueel
przedstawiający - gedeputeerde, afgevaardigde
przedstawiciel - vertegenwoordiger, dealer, agent
przedstawicielstwo - agentschap
przedstawić - uitvoeren, presenteren, indienen
przedstawić (kogoś) - uitvoeren, presenteren, indienen
przedstawić kogoś - uitvoeren, presenteren, indienen
przedstawienia - tentoonstelling, expositie
przedstawienia - laten blijken, manifesteren
przedtem - al, reeds, alvast, alreeds
przedtem - voor
przedwstępny - voorafgaand, preliminair
przedyskutować - bespreken, discuteren
przedział - branche, vak, tak, afdeling
przedział - legerafdeling, divisie
przedział dla niepalących - branche, vak, tak, afdeling
przedział kolejowy - interval, tussenruimte
przedział synchronizacji - interval, tussenruimte
przedziurawić - Jan Klaassen
przedziurawić - stompen
przegapić - missen, mislopen, misgrijpen
przegląd - recenseren, bespreken
przegląd wstępny - recenseren, bespreken
przeglądać - uitzicht
przeglądać - afgrazen
przegródce - afdeling, branche, vak
przegrywać - mul, rul
przegub - pols, handwortel
przegub (dłoni) - pols, handwortel
przejazd - overloop, gang, baan, rijstrook
przejażdżka - uitstapje, toer, tocht, trip, excursie
przejażdżka łodzią - toer, tocht, reis, trip
przejąć - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
przejezdny - los, mobiel, beweegbaar, roerend
przejęcia - Maria-Hemelvaart
przejęzyczenie - terugvallen
przejścia - overloop, gang, baan, rijstrook
przejścia - steeg
przejście - overgang, passage, doorgang
przejście kolorów - pensioen
przejście na emeryturę - metro
przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę - poort
przejście wielokrotne - overloop, gang, baan, rijstrook
przejściówka - bewerker
przejść - aftreden, met pensioen gaan
przejść się - trekken, rondtrekken, rondreizen
przejść się - wandeling, wandelen, tippel
przekaz - transfer, afdracht
przekaz (danych) - transporteren, overbrengen, voeren
przekazanie (np. odpowiedzialności - afvaardiging, delegatie
przekazywać - inhalen
przekazywać przebieg - opsturen, sturen, doen toekomen
przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki - opnemen, afboeken
przekąsce - twaalfuurtje, lunch
przekąska - twaalfuurtje, lunch
przekląć - ketteren, vloeken, godlasteren
przekleństwo - eed, bezwering
przekleństwo - verdomme, verdomd, godverdomme
przekleństwo - ketteren, vloeken, godlasteren
przeklinać - ketteren, vloeken, godlasteren
przeklinać - verdomme, verdomd, godverdomme
przeklinać - eed, bezwering
przekład - uitvoering, versie
przekład - translatie, translaat, overzetting
przekładni - kamrad, kamwiel, tandrad, tandwiel
przekonania - overtuiging
przekonanie - overtuiging
przekonujący - gangbaar, geldig, geldend, vigerend
przekonywać - overtuigen
przekonywać - overtuigen
przekonywać - twisten, disputeren, krakelen
przekonywanie - overreding
przekraczać - overtreffen, te boven gaan
przekraczać - inhalen
przekraczać - overtroeven, overtreffen
przekraczająco - bijzonder, buitengewoon
przekręcać - kronkelen
przekroczenie - beledigen, krenken, affronteren
przekroczenie - geweldpleging, geweld
przekroczyć - overtreffen, te boven gaan
przekroczyć stan konta - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
przekrój - branche, vak, tak
przekształcać - vervormen
przekształcać - masseren
przekształcać - bekeren
przekształcać na postać cyfrową - vervormen
przekształcać transformata - vervormen
przekształcić - vervormen
przekupić - bederven, verbasteren, omkopen
przelew - opnemen, afboeken
przelew - bloedvergieten
przelew krwi - opnemen, afboeken
przelewać - overtollig, overbodig
przelot - vlucht, vliegtocht
przelotny - een douche nemen, douchen
przełączać - omleggen, omschakelen, overschakelen
przełącznik zmianowy - roede, gard, spitsroede, stokje
przełączyć - klaar, afgewerkt, afgelopen, beëindigd
przełączyć - roede, gard, spitsroede, stokje
przełomowe wydarzenie - mijlpaal
przełożony - opperste, prevalent, superieur
przełykać - slikken, doorslikken, inslikken
przemawiać - praten, spreken
przemawiać - adresseren
przemądrzały - geraffineerd
przemienić - anders maken, veranderen
przemienny - afwisselend
przemienny - afwisselend
przemierzać - getrappel, gestamp
przemieszczenie - verschuiving
przemieszczenie - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
przemieścić - verrekken, ontwrichten, verstuiken
przemijać - inhalen
przemiły - heerlijk, kostelijk, overheerlijk
przemoc - geweldpleging, geweld
przemóc - bedelven, overstelpen, verpletteren
przemówienia - rede, redevoering, speech, oratie
przemówienie - adresseren
przemówienie - rede, redevoering, speech, oratie
przemycać - smokkelen
przemysł - vlijt, naarstigheid, ijver
przemysł cukrowniczy - farmacie, artsenijbereidkunde
przemysł stoczniowy - weefsel
przemysł włókienniczy - vlijt, naarstigheid, ijver
przemysłowca - industrieel
przemysłowy - industrie-, industrieel
przemyt - smokkelwaar, contrabande
przemytnik - smokkelaar, sluikhandelaar
przemywać - uitwassen, wassen, de was doen
przen. wigor - sap
przenajświętszy - oprit, oprijlaan
przeniesienie równoległe - opnemen, afboeken
przenieść - dragen, voorhebben, voeren, brengen
przenieść - opnemen, afboeken
przenieść przeniesienie - ontroeren, aangrijpen, bewegen
przenikać - doordringen, binnendringen, doorstoten
przenikliwy - bijtend, fel, guur, doordringend
przenikliwy - kras, levendig, rap, kwiek, druk
przenikliwy (ból) - snibbig, bits
przeniknąć - doordringen, binnendringen, doorstoten
przenocować (
przenosić - transporteren, overbrengen, voeren
przenosić - aanreiken, aangeven, afdragen
przenosić (na inną platformę systemową) aanreiken, aangeven, afdragen -
przenośnie - oneigenlijk, figuurlijk
przenośny - oneigenlijk, figuurlijk
przenośny - los, mobiel, beweegbaar, roerend
przenośny - draagbaar, portable
przenośny automatyczny system telefoniczny - oneigenlijk, figuurlijk
przeoczyć - verzaken, nalaten, uitlaten
przeor - voorafgaand, verleden, voorgaand
przeorać - omploegen, ploegen, beploegen
przepaść - afgrond
przepaść - golfspel, golf, inham, bocht, boezem
przepaść - baai, inham, kreek
przepaść - afgrond, kolk
przepierzenie - schifting, afscheiding, clausuur
przepiórce - kwartel
przepiórka - patrijs
przepiórka - kwartel
przepis - heerschappij, bewind, bestuur
przepis - recept
przepis - voor voldaan tekenen, kwiteren
przepis - recept
przepisach - reglement
przepisy - aanwijzing, consigne, instructie
przepisy - reglement
przepłukiwać - bevloeien, gieten, begieten, sproeien
przepływ - stromen, vloeien, lopen, vlieten
przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok - stromen, vloeien, lopen, vlieten
przepowiadać - voorzeggen, voorspellen, beduiden
przepowiednia - profetie, voorspelling, voorzegging
przepraszać - zich verontschuldigen
przepraszam - verontschuldigen
przeprosić - zich verontschuldigen
przeprosiny - verontschuldiging
przeproszenie - verontschuldiging
przeprowadzić (plan) - dragen, voorhebben, voeren, brengen
przeprowadzić się - reinigen, schoonmaken, louteren
przeprowadzić wywiad - interviewen
przepustce - toelaten, gedogen, toestaan
przepustka - toelaten, gedogen, toestaan
Przepuszczać (np. strumień gazu) - inhalen
przerabiać - anders maken, veranderen
przerazić - schrik aanjagen, doen schrikken
przerażać - schrik aanjagen, doen schrikken
przerażenie - consternatie, ontsteltenis
przerażenie - gruwel, gruweldaad, verschrikking
przeróbka - modificatie, bewerking, aanpassing
przerwa - opening, bres, gaping
przerwa międzyrekordowa (na nośniku nformacji) - adempauze
przerwa start-stop - pauzeren
przerwa w podróży - interruptie, schorsing, onderbreking
przerwać - uittreden, aftreden, bedanken
przerwać - opvrolijken, amuseren, onderhouden
przerwać - een miskraam krijgen, mislukken
przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) - een miskraam krijgen, mislukken
przerwanie - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerwanie - interruptie, schorsing, onderbreking
przerwanie integer liczba całkowita - afbreken
przerwanie zewnętrzne - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerwą - rust, pauze
przerwą - interruptie, schorsing, onderbreking
przerwą - pauze, rust
przerywać - afmaken, beëindigen, afsluiten
przerywać - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerywać - stoppen, aflaten, ophouden
przerywać - een miskraam krijgen, mislukken
przerywać coś - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerywać przerwanie - interruptie, schorsing, onderbreking
przerywany - hortend, intermitterend
przerzedzać - sprietig, schraal, mager
przerzutnik - haan van een vuurwapen
przesadzać - chargeren, overdrijven
przesąd - vooroordeel, vooringenomenheid
przesąd - bijgeloof
przesądny - bijgelovig
przesiadać się - veranderen, anders maken
przesiąknąć - in de week zetten, weekmaken, weken
przesiewać - zeven, ziften
przeskoczyć - springen
przeskok - hinkelen
przeskok - springen
przeskok - podium, bestuur, tribune, leiding
przesłać - ontbinden, annuleren, afgelasten
przesłać dalej - voorspeler, aanvaller
przesłona - scherm, schut
przesłona (falowodu) - Iris
przesłonić - afbeulen, afjakkeren, afmatten
przesłuchanie (świadka) - gehoor
przesłuchiwać - een verhoor afnemen, ondervragen
przesmyk - inhalen
przespać się - sluimeren, druilen, dutten
przestać - uittreden, aftreden, bedanken
przestankowanie - punctuatie, interpunctie
przestarzały - mottig
przestawić - verschuiving
przestępca - misdadig, snood, crimineel
przestępczy - misdadig, snood, crimineel
przestępstwa - misdaad, misdrijf
przestępstwo komputerowe - misdaad, misdrijf
przestraszony - lafhartig, laf, bang
przestraszyć - doen schrikken, schrik aanjagen
przestraszyć - verjagen, afschrikken
przestroga - waarschuwing, tip
przestronny - ruim, breedvoerig, royaal, groot
przestrzec - waarschuwen
przestrzegać - opvolgen, handelen volgens
przestrzegać - gehoorzamen
przestrzegać - blijven
przestrzegać (coś) - te wachten staan, afhalen, wachten
przestrzegać normy - samenkomen, bijeenkomen, vergaderen
przestrzenny - ruim, breedvoerig, royaal, groot
przestrzeń - verspreiden, verbreiden, afgeven
przestrzeń (także kosmiczna) - ruimte, bestek, wereldruim, speling
przestudiować - onderzoeken, nakijken, examineren
przestudzić - afkoelen
przesunąć - dragen, voorhebben, voeren, brengen
przesunąć - verrekken, ontwrichten, verstuiken
przesunięcie - tournee, rondreis
przesunięcie - verschuiving
przesunięcie - afstand, eind
przesunięcie logiczne - verschuiving
przesunięcie w lewo - beweging
przesunięcie w prawo - afstand, eind
przesuń - ontroeren, aangrijpen, bewegen
przesuń w prawo - beweging
przesuwać - verschuiving
przesyłanie z potwierdzeniem - opnemen, afboeken
przesyłka - pakje
przesyłka komunikat - bericht, boodschap
przeszkadzać - beletten, verhinderen, verhoeden
przeszkadzać - doorkruisen, belemmeren, beletten
przeszkadzać - storen, belemmeren, hinderen
przeszkoda - barriere, afsluiting, hek, heining
przeszkoda - storing
przeszkoda - hindernis, beletsel, hinderpaal
przeszłość - verleden, verleden tijd
przeszły - verleden, verleden tijd
przeszukać - kruipen
przeszukiwać - speurtocht, speurwerk, zoektocht
przeszukiwać przeglądać - scanderen
prześcieradło - blad, vel
prześcigać - overtroeven, overtreffen
prześladować - najagen, nastreven
prześladować - achtervolgen, najagen, vervolgen
prześladować - beklemmen, obsederen
prześladowania - vervolging, achtervolging
prześladowanie - vervolging, achtervolging
przetarg - auctie, afslag, mijn, vendu, veiling
przetarg - gunning, aanbesteding
przeterminować się - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
przetłumaczyć - translateren, overzetten, vertalen
przetransportować - transporteren, overbrengen, voeren
przetrawić - verteren, verduwen, digereren
przetrwać - voorgaand, verleden, voorafgaand
przetrwać - doorleven, doormaken, beleven
przetrząsać - speurtocht, speurwerk, zoektocht
przetrzeć się - schaven, afschaven
przetrzymywać - blijven
przetwarzać - bekeren
przetwarzać - masseren
przetwarzać - vervormen
przetwarzać (tekst) - masseren
przewaga - pré, voordeel
przeważnie - overwegend, merendeels, grotendeels
przeważyć - pré, voordeel
przewężenie - middel, leest, taille
przewidywać - anticiperen, prejudiciëren
przewidywać - beduiden, voorspellen, voorzeggen
przewidywać - bedacht zijn op, verwachten
przewidywanie rozgałęzienia - beduiden, voorspellen, voorzeggen
przewidzieć - wachten, afhalen, te wachten staan
przewidzieć - anticiperen, prejudiciëren
przewietrzyć - frisse lucht toewaaien, wannen, waaien
przewietrzyć - lucht
przewietrzyć - uitluchten, spuien, luchten
przewietrzyć się - lucht
przewlec - draad, garen
przewlekły - lange tijd, langdurig, lang
przewodni - leidend, toonaangevend, toongevend
przewodniczący - voorzitter, praeses, preses, president
przewodniczący - voorzitter, praeses, president, preses
przewodniczący Rady Nadzorczej - voorzitter, praeses, preses, president
przewodniczyć - voorzitten, presideren
przewodnik - gebieder, chef, aanvoerder, baas
przewodnik - gidsboek, reisgids, gids, vademecum
przewodnik - besturen, richten, dirigeren, mennen
przewodnik - conducteur, bestuurder
przewozić - overzetboot, pontveer, pont, bak
przewoźny - oneigenlijk, figuurlijk
przewód - metaaldraad, draad
przewód - snaar, koorde, stemband
przewód - conducteur, bestuurder
przewód zerowy - neutraal, afzijdig, onpartijdig
przewód zerowy - metaaldraad, draad
przewóz - affuit
przewóz - beweging
przewracać - anders maken, veranderen
przewrocie - revolutie, omwenteling
przewrotny - pervers, verdorven
przewrót - revolutie, omwenteling
przewyższać - overtroeven, overtreffen
przewyższać liczebnie - overtreffen, te boven gaan
przez - door, per, met
przez - aan, nabij, naast, bij, dichtbij
przez całą dobę - dwars door
przez całą noc - dwars door
przez cały - dwars door
przez radio - in, binnen, per, te
przez to - door, per, met
przeziębienia - koud
przeziębienie - koud
przeznaczać - gepast, passend, geschikt
przeznaczać - bestemmen, uittrekken
przeznaczenie - lot, bestemming, lotsbestemming
przeznaczenie - lotsbestemming, bestemming, lot
przeznaczenie adresat docelowy - doelstelling, doel, wit, doelwit, honk
przeznaczenie nieosiągalne - ontvanger
przeznaczyć - verloten, loten
przeznaczyć - bestemmen, uittrekken
przeznaczyć - mikken, mikken op, beogen, bedoelen
przeznaczyć - geabonneerd zijn op
przeznaczyć (coś na jakiś cel) - geabonneerd zijn op
przeznaczyć (coś na jakiś cel) - spanderen, opdragen, spenderen
przezorny - behoedzaam, voorzichtig
przezwyciężyć - geweld aandoen, overmeesteren
przezwyciężyć - waarschuwen
przeżegnać się - kruisen, over elkaar slaan
przeżycie - belevenis, ervaring, ondervinding
przeżyć - doorleven, doormaken, beleven
przędza - kronkelen
przodek - voorvader, stamvader, voorzaat
przodek (w kopalni) - het hoofd bieden
przodkowie - afdaling
przód - voorzijde, voorkant
przód kompilatora - voorzijde, voorkant
przswoić - in zich opnemen, assimileren
prztoczyć - aanhalen, citeren, noemen
przy - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
przy - beneden
przy forsie - uur
przy rejestracji na taśmie magnetycznej - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
przy świetle świec - aan, nabij, naast, bij, dichtbij
przy zdrowych zmysłach - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
przybliżony - benaderen
przybliżony czas - benaderen
przybrać postać (
przybranie - Maria-Hemelvaart
przybrany - aangenomen, geadopteerd
przybudówce - luifel, afdak
przybycie - bezorging, aanvoer
przybyć - aankomen, belanden, arriveren
przybywać - buit maken, verkrijgen, behalen
przybywać się - buit maken, verkrijgen, behalen
przychodnia - kliniek
przychylic się - lid worden
przyciągać - toelachen, bekoren, aanlokken
przyciągać - toelachen, aanlokken, bekoren
przyciągać uwagę - toelachen, aanlokken, bekoren
przyciągający uwagę - aanlokkelijk, aantrekkelijk
przyciąganie - aantrekkelijkheid
przyciąganie - zwaartekracht
przycinać - snoeien
przycisk - drukknoop
przycisk - heft, hals, handvat, gevest, knop
przycisk - dichtknopen
przycisk z grafiką rastrową - dichtknopen
przycisk zwalniania myszki - dichtknopen
przyczepa - aanhangwagen
przyczepa turystyczna - karavaan
przyczepą - aanhangwagen
przyczepiać - aanhechten
przyczepić - aanhechten
przyczepność - grip, adhesie
przyczyna - doen, maken, laten doen, laten
przyczyna - reden, oorzaak
przyczyniać się - bijdragen
przyćmiewać - schemerig
przyćmiony - schemerig
przydarzyć się - toegaan, voortgang hebben, gebeuren
przydatność - geschiktheid
przydatność - geschiktheid
przydatny - bevorderlijk, dienstig, nuttig
przydatny - liquide, beschikbaar, disponibel
przydomek - benaming, naam, naamwoord
przydzielać - verloten, loten
przydzielać - gepast, passend, geschikt
przydzielać - verzenden
przydzielać (środki) adj odpowiedni - betekenen, dagen, dagvaarden
przydzielić - betekenen, dagen, dagvaarden
przydźwięk - snorren, gonzen, razen, brommen
przyglądać się dokonywać przeglądu - staren, aanstaren, turen
przygnać - brengen, aandragen, bezorgen
przygnębiony - naargeestig, troosteloos, somber
przygniatający - drukkend, zwaar
przygoda - avontuur, perikel, lotgeval
przygodą - avontuur, perikel, lotgeval
przygodność - eventualiteit
przygodny - eventueel, gebeurlijk
przygotować - toebereiden, bereiden, aanmaken
przygotować (się) - toebereiden, bereiden, aanmaken
przygotowania - voorbereidsel, voorbereiding
przygotowanie - voorbereidsel, voorbereiding
przygotowanie - achtergrond
przygotowawczy - voorafgaand, preliminair
przygotowawczy - voorafgaand, preliminair
przygotowujący - voorafgaand, preliminair
przygotowywać - toebereiden, bereiden, aanmaken
przygryzać - knagen, knabbelen
przygwoździć - spijkeren, nagelen
przyholować - trekken, slepen, boegseren
przyimek - voorzetsel
przyjaciel - bakstenen, stenen
przyjaciel - makker, kameraad, kornuit, maat
przyjaciel - vriendin
przyjacielski - voorkomend, aardig, lief, vriendelijk
przyjazd - bezorging, aanvoer
przyjazdach - bezorging, aanvoer
przyjazny - voorkomend, lief, aardig, vriendelijk
przyjaźń - vriendschap
przyjąć - zich eigen maken, adopteren
przyjąć standard - toegeven
przyjechać - aankomen, belanden, arriveren
przyjemność - pret, genoegen, vermaak, plezier
przyjemny - behaaglijk, aangenaam, genoeglijk
przyjemny - genoeglijk, behaaglijk, aangenaam
przyjemny - genoeglijk, aangenaam
przyjemny - behaaglijk, aantrekkelijk, bekoorlijk
przyjemny (zapach) - behaaglijk, aangenaam, genoeglijk
przyjemny (zapach) - aangenaam, behaaglijk, genoeglijk
przyjezdny - vreemdeling, onbekende, vreemde
przyjęcia - aanvaarding, aanneming, onthaal
przyjęcie przerwania - aanvaarding, aanneming, onthaal
przyjmować - aanvaarden, aannemen, accepteren
przyjmować - claimen, aanspraak maken op
przyjmować - aannemen, affiliëren
przyjmować - zich eigen maken, adopteren
przyjmować - toegeven
przyjmować - toejuichen, bij acclamatie benoemen
przyjmować - accepteren, aanvaarden
przyjmować jako członka (
przyjmować uznaniem - accepteren, aanvaarden
przyjmować w poczet członków - accepteren, aanvaarden
przyjmować z uznaniem - eerbetoon, eerbetuiging
przyjść - aankomen, belanden, arriveren
przyjść - afstammen, het gevolg zijn van
przykład - toonbeeld, voorbeeld
przykrość - smart, verdriet, leed
przykry - onaardig, honds, nurks, nors, bars
przykry - onbewerkt, bot, onbehouwen, grof, cru
przykry - afschuwelijk
przykucnąć - in elkaar duiken, hurken
przykuwać - klinken, vastklinken
przylądek - Kaaps
przylądek - kaap
przylegać - belenden, grenzen aan
przylegać (do czegoś) - belenden, grenzen aan
przyleganie - grip, adhesie
przyległy - aangrenzend, aanliggend
przylot - bezorging, aanvoer
przyłaczyć - zich aansluiten, lid worden, toetreden
przyłapać - aanfloepen, aanflitsen, aangaan
przyłączać - aanhechten
przyłączanie - aanhechting
przyłączyć - aanhechten
przyłączyć - monteren, zetten
przyłączyć nawiązać łączność - verbinden, aan elkaar vastmaken
przyłożenie - aanwending, toepassing
przyłożyć - aanwenden, doorvoeren
przymiar - meten
przymiar - heerschappij, bewind, bestuur
przymiarka - betamelijk, behoorlijk, fatsoenlijk
przymiot ik - bijvoeglijke bepaling, attribuut
przymiotnik - bijvoeglijk naamwoord, adjectief
przymiotnikowy - bijvoeglijk
przymocować - aanhechtsel, affix
przymocować - smart, verdriet, leed
przymocować - bevestigen, fixeren, bepalen
przymocowywać - aanhechten
przymusowy - bindend, dwingend, gedwongen
przynaglać - aanwakkeren, aanvuren, aansporen
przynajmniej - geheel, ten volle, heel, volkomen
przynależność - lidmaatschap
przynęcie - aas, lokaas
przynęcie - lokken
przynęta - lokken
przynęta - lokken
przynęta - aas, lokaas
przynieść - brengen, aandragen, bezorgen
przynieść pożytek - brengen, bezorgen, aandragen
przynosić - brengen, aandragen, bezorgen
przynosić - brengen, bezorgen, aandragen
przynosić plon - het veld ruimen, afstaan
przypadek - incidenteel, toevallig
przypadek użycia - ongeluk, accident, ongeval
przypadek wcielenie - ongeluk, accident, ongeval
przypadkowość - eventualiteit
przypadkowy - toevallig, incidenteel
przypadkowy - eventueel, gebeurlijk
przypadkowy - chaotisch
przypadkowy - incidenteel, toevallig
przypadkowy - incidenteel, toevallig
przypadłość - droefheit, hartzeer, beproeving
przypiąć - kegel
przypiekać na ruszcie - rooster, hek, afrastering, traliehek
przypis - aantekening, commentaar
przypis końcowy - nabeschouwing
przypisać - betekenen, dagen, dagvaarden
przypisywać (
przypływ - aan de scharrel zijn, fladderen
przypływ - tij, getij
przypominać - herinneren
przypominać - zich herinneren, onthouden, gedenken
przypominać - zich herinneren, gedenken, onthouden
przypomnieć - herinneren
przypomnieć sobie - zich herinneren, gedenken, onthouden
przypomnieć sobie - zich herinneren, onthouden, gedenken
przyprawa - op smaak brengen, kruiden
przyprawa - kruiden
przyprawą - kruiden
przyprawiać (potrawę) - kruiden, op smaak brengen
przyprzeć do muru - accapareren, opkopen
przypuszczać - menen, vermoeden, stellen
przypuszczalnie - toegegeven
przypuszczenia - gissen, vermoeden
przypuszczenia - onderstelling, hypothese, mening
przypuszczenia - arrogantie, verbeelding
przypuszczenia - gissing
przypuszczenia - vermoeden, gissen
przypuszczenie - Maria-Hemelvaart
przypuszczenie - arrogantie, verbeelding
przypuszczenie - onderstelling, hypothese, mening
przyroda - karakter, geaardheid, aard
przyrost naturalny - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
przyrost naturalny - opdrijven, verheffen, ophogen
przyrostek - suffix, achtervoegsel
przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku - instrument, werktuig
przyrząd) - aanhechting
przyrządzać - toebereiden, bereiden, aanmaken
przyrządzanie - voorbereidsel, voorbereiding
przyrzec - beloven, toezeggen, uitloven
przyrzeczenia - plechtig beloven
przyrzeczenie - beloven, toezeggen, uitloven
przyrzekać - beloven, toezeggen, uitloven
przysiędze - eed, bezwering
przysięga - eed, bezwering
przysięgać - ketteren, godlasteren, vloeken
przysłaniać - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
przysłowie - spreekwoord
przysłówek - adverbium, bijwoord
przysłówkowy - bijwoordelijk
przysługa - eredienst, dienst, godsdienstoefening
przysmak - beminnelijk
przysmażyć - bakken, fruiten
przyspieszać - verhaasten, bespoedigen, accelereren
przyspieszenie - versnelling, acceleratie
przyspieszenie ziemskie - versnelling, acceleratie
przyspieszyć - voortmaken, spoed maken, haast maken
przysposobić - zich eigen maken, adopteren
przysposobienie - afstelling, instelling
przystanek - logeren
przystań - landingsplaats, aanlegplaats, steiger
przystawać na - lid worden
przystąpić - te werk gaan
przystępny - liquide, beschikbaar, disponibel
przystępny - aanspreekbaar
przystępny - genaakbaar, toegankelijk
przystojny - goeduitziend
przystojny - fijn, schoon, net, fraai, knap, mooi
przystosować - afstemmen, aanpassen, adapteren
przystosować - toegevend, inschikkelijk, meegaand
przystosować - afstemmen, aanpassen, adapteren
przystosować (się) - afstemmen, aanpassen, adapteren
przystosowania - geschiktheid
przystosowanie - modificatie, bewerking, aanpassing
przystosowanie się - aanpassing
przystosowany - congruent
przystrzyc - afzetten, beslaan, garneren
przyswajać - in beslag nemen, opslorpen, absorberen
przyswajanie - absorptie, opslorping
przyszłość - beginnend, aankomend
przyszły - beginnend, aankomend
przyśpieszać - verhaasten, bespoedigen, accelereren
przyśpieszać - afdoen, afhandelen, afwikkelen
przytaczać - het veld ruimen, afstaan
przytaczać apostrof cudzysłów - aanhalen, citeren, noemen
przytakiwać - ja knikken, knikken
przytępiać - afschrijven, aflossen, afbetalen
przytłumić - knechten, onderwerpen
przytłumiony - schemerig
przytomny - welbewust, bewust
przytrzymanie do czegoś - aanhouding, arrestatie
przytułek - aalmoezeniershuis, armhuis
przytułek - bunker, kazemat
przytułek - toevlucht
przytułek - toevluchtsoord, asiel, asyl
przytułek - armhuis, aalmoezeniershuis
przywarą - ondeugd, gebrek
przywiązać - aanhechten
przywiązać się do kogoś - aanhechten
przywiązanie - affect, emotie, aandoening
przywiązanie - aanhechting
przywiązanie do czegoś - aanhechting
przywiązany - aanhalig
przywiązany do czegoś - aanhalig
przywidzieć się - opdraven, opdagen
przywilej - charter, handvest, vrachtcontract
przywilej - preferentie, privilege, prae
przywilej - titelen, tituleren, betitelen
przywitania - feestelijk inhalen
przywitanie - saluut, groet
przywłaszczyć sobie - gepast, passend, geschikt
przywoływanie - zich herinneren, gedenken, onthouden
przywozić - importeren, invoeren
przywódca - aanvoerder, baas, gebieder, chef
przywracać - beter worden, genezen, helen
przyznać - toegeven
przyznać - verloten, loten
przyznać się - toegeven
przyznać się do czegoś - toegeven
przyznać że - agnosceren, als waarheid aannemen
przyznawać - pensioen
przyznawać rentę - erkennen, bekennen, biechten, toegeven
przyzwalać - het eens zijn, toegeven, goedvinden
przyzwalający - aangenaam, behaaglijk, genoeglijk
przyzwoicie - naar behoren, netjes, behoorlijk
przyzwoitce - chaperonne
przyzwoitka - chaperonne
przyzwoitość - landgoed, boerderij, bezitting
przyzwoity - betamelijk, fatsoenlijk
przyzwolenie - toestemming, goedvinden, fiat
przyzwyczaić - gewoon, gebruikelijk
przyzwyczaić - gewend zijn, plegen, gewoon zijn
przyzwyczaić się - acclimatiseren
przyzwyczajać - gewend zijn, plegen, gewoon zijn
przyzwyczajenie - aanwensel, hebbelijkheid
przyzwyczajony - afgewerkt, gebruikt
przyzwyczajony - gewoon, gebruikelijk
przyzywać - noemen, heten, benoemen, uitmaken voor
psalm - psalm
pseudonim - pseudoniem, schuilnaam
psi - honden-, honde-
psikus - aanwensel, hebbelijkheid
psocie - tuigen, optakelen, optuigen
psotny - boosaardig, hatelijk, kwaadaardig
pstrąg - forel
psucie się - vergaan, verrotten, rotten, bederven
psuć - bederven, havenen, beschadigen
psuć się - vergaan, bederven, verrotten, rotten
psychiatra - psychiater
psychiatria - psychiatrie
psychiatryczny - psychiatrisch
psychice - psyche
psychice - Psyche
psychiczny - psychisch
psycholog - psycholoog, zielkundige
psychologia - zielkunde, psychologie
psychologią - zielkunde, psychologie
psychologiczny - psychologisch
pszczelarstwo - bijenteelt
pszczoła - honingbij, bij
pszenica - weit, tarwe
pszenicą - weit, tarwe
ptactwa - gevogelte
ptak - vogel
ptak drapieżny - gevogelte
ptakach - vogelstand, gevogelte, vogelwereld
publiczność - toehoorders, gehoor, auditorium
publiczność - openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek
publiczność (wywołujący interfejs usługi) - toehoorders, gehoor, auditorium
publiczny - openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek
publiczny - algemeen, gemeenschappelijk
publikacja - afkondiging, openbaarmaking
publikować - uitgeven, emitteren
publikować artykuł na ten sam temat - drukletter
publikować kanał informacyjny - uitgeven, emitteren
publikować w Internecie - uitgeven, emitteren
puchar - vont, bekken, kom
puchnąć - aanzwellen
pudding - pudding
pudełko - boksen
pudełko/pudło tekturowe - boksen
puder - bepoederen, poederen
puderniczce - compact, dicht
puderniczka - compact, dicht
puduszka na fotel - kussen
pukać - slaan, klappen, kloppen, opvallen
pukiel - krullen
pula - zich aaneensluiten, aansluiten
pula - bank
pula zmiennych aplikacji - zich aaneensluiten, aansluiten
pulower - Jersey
pulpit - vertroosten, troosten
pulpit - huisje, schuur, keet, kraam, loods
pulpit sterowniczy - lezenaar, lessenaar
puls - pols, polsslag, tel
pulsować - kloppen, pulseren
pulsowania - kloppen, pulseren
pułap - plafon, hoogtegrens, plafond
pułapce - een hinderlaag leggen
pułapka - slag, valstrik, val
pułapka jonowa - muizeval
pułapka sygnału dźwięku - gewas, plant
pułapka śledzenia - slag, valstrik, val
pułk - regiment
pułkownik - kolonel
punkt - merken, tekenen
punkt (np. opatrunkowy) - stationsgebouw, station
punkt centralny - roteren, draaien
punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) - huiswaarts, naar huis
punkt kulminacyjny - standpunt, gezichtspunt
punkt łączenia - huiswaarts, naar huis
punkt montowania - ruimte, lokaliteit, oord, plaats
punkt obserwacji - mijlpaal
punkt odniesienia - neus, punt, piek, tip, top, spits
punkt odniesienia - mijlpaal
punkt przyciągania - nachtevening, dag- en nachtevening
punkt szczytowy - hoogte
punkt środkowy - middelpunt, binnenste, centrum
punkt węzłowy - hoek
punkt widzenia - aanzien, air, schijn, aanblik
punkt wyjściowy - oorsprong, afkomst, herkomst
punkt zaczepienia - haakje, slot, spang, agraaf
punkt zbiegu - neutraal, afzijdig, onpartijdig
punkt zwrotny - neus, punt, piek, tip, top, spits
punktualny - nauwgezet, nauwkeurig, accuraat
pupa - bips, kont, zitvlak
purpura - purperen
purpurą - purperen
purpurowy - purperen
purytanin - puriteins
purytański - puriteins
pustce - leegte, leegheid
pustelnik - heremiet, kluizenaar
pustka - wildernis, woestenij, woestijn
pustka - wit, blanco, oningevuld, blank
pustkowie - woest, wild
pustoszyć - verklungelen, opmaken, verdoen
pusty - vergeefs, ijdel, nutteloos
pusty - leeg, vrij, open, onbezet
pusty - nihil, nul
pusty - hol, ledig, lens, loos, leeg
pusty - wit, blanco, oningevuld, blank
pusty wiersz - nihil, nul
pustyni - wildernis, woestenij, woestijn
pustynia - wildernis, woestenij, woestijn
puszce - waas, dons, nesthaar
puszcza - oerwoud, jungle, rimboe
puszczać pąki - uitbotten, spruiten, botten
puszczać strugę - spuiten, sproeien, uitspuiten
puszczać w ruch - uitschrijven, lanceren, ontketenen
puszkować - blikken
puścić bąka - een wind laten
pycha - trots
pykać (z fajki) - pof, poef
pył - stof
pył - bepoederen, poederen
pysznić - trots
pyszny - heerlijk, kostelijk, overheerlijk
pytać - vragen
pytać - kwestie, vraag, navraag
pytanie - kwestie, vraag, navraag
pytanie otwarte - kwestie, vraag, navraag
pyton - Python
pzez - in, binnen, per, te
pzować - aandoen, aangrijpen
pzować (w banku) - aandoen, aangrijpen
Ogólna liczba słów na literę P :: 3341 ::
Liga Eurpoejska. Ludovic Obraniak gra z Liverpoolem NA ŻYWO
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/2/7291/z7291282M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Na Stadium Lille-Metropole przyjeżdżają The Reds, którzy mieli w tym sezonie dość długą zadyszkę, ale wydają się wracać do formy. Relacja na żywo od godziny 19.
Liga Europejska. Pierwsze mecze 1/8 finału
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/7349/z7349339M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>W czwartek rozegrane zostaną pierwsze spotkania 1/8 finału Ligi Europejskiej. Trudne zadanie czeka Ludovica Obraniaka, którego Lille będzie podejmować u siebie Liverpool. Bardzo ciekawie zapowiadają się także mecze Benfiki z Marsylią i Valencii z Werderem.
Golf. Najlepsi gracze zjechali do USA
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7651/z7651984M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Na polu Doral Golf Resort&Spa na Florydzie spotkają się w tym tygodniu najlepsi golfiści świata. Już dziś rozpoczyna się tu turniej WGC-CA Championship, w którym zmierzy się 68 golfistów zaproszonych do udziału w nim na podstawie miejsc w rankingu światowym.
Justyna Kowalczyk po upadku: Zostawiam sprawę bez komentarza
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7609/z7609198M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Justyna Kowalczyk była pierwsza i mknęła do mety sprintu w Drammenn, kiedy na ostatnim zakręcie Norweżka Marit Bjoergen zajechała Polce drogę, najechała na nartę, spowodowała upadek i złamała kijek. Liderka PŚ ostentacyjnie kręcąc głową dosłownie przyszła na metę szósta.
Losowy
enue uniform, - jednostkowy (id:5524)
enzijdig - jednostronny (id:5525)
endracht samenhang, eenheid, - jedność (id:5526)
ij zijde, - jedwab (id:5527)
ij zijde, - jedwabny (id:5528)
aar slechts, alleen, enkel, pas, - jedynie (id:5529)
aar slechts, alleen, enkel, pas, - jedyny (id:5530)
outer bloot, enkel, - jedyny (id:5531)
erecht spijs, etenswaar, eten, - jedzenia (id:5532)
erecht spijs, etenswaar, eten, - jedzenie (id:5533)
ijne de zijne, het - jego (id:5534)
ijn hun, haar, - jego (id:5535)
ijn hun, haar, - jej (id:5536)
are de hare, het - jej (id:5537)
ert - jeleń (id:5538)
annetjeshert - jeleń (id:5539)
najtansze ubezpieczenia oc
wyniki na źywo
Oświetlenie
studium wykonalności
zioła alveo
Statystyki
Zwrotów: 21955
Losowy rekord:
lokkade - blokadą (id:1219)
fgesloten slot, op - blokować (id:1220)
lot - się blokować (id:1221)
fdammen belemmeren, afsluiten, - blokował (id:1222)
lond - blond (id:1223)
lond - blondyn (id:1224)
lond - blondynce (id:1225)
lond - blondynka (id:1226)
patscherm spatbord, slijkbord, - blotnik (id:1227)
limop - bluszcz (id:1228)
uniek - munduru) (część bluza (id:1229)
iel bloes, boezeroen, blouse, - bluzą (id:1230)
News
Golf. Najlepsi gracze zjechali do USA
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7651/z7651984M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Na polu Doral Golf Resort&Spa na Florydzie spotkają się w tym tygodniu najlepsi golfiści świata. Już dziś rozpoczyna się tu turniej WGC-CA Championship, w którym zmierzy się 68 golfistów zaproszonych do udziału w nim na podstawie miejsc w rankingu światowym.
Justyna Kowalczyk po upadku: Zostawiam sprawę bez komentarza
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7609/z7609198M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Justyna Kowalczyk była pierwsza i mknęła do mety sprintu w Drammenn, kiedy na ostatnim zakręcie Norweżka Marit Bjoergen zajechała Polce drogę, najechała na nartę, spowodowała upadek i złamała kijek. Liderka PŚ ostentacyjnie kręcąc głową dosłownie przyszła na metę szósta.
Robert Kubica: Mam nowy dyfuzor, skrzydełka i wloty
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/5/7609/z7609515M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>- Ale czy spowodują one, że będziemy wyżej w stawce? Trudno to ocenić. Nie wiadomo, jaki program ulepszeń mają inne zespoły, gdzie będą ulepszać swoje samochody - mówił Robert Kubica podczas konferencji prasowej przed Grand Prix Bahrajnu, pierwszym startem w nowym zespole.
Liga Mistrzów. Iker Casillas: Prosimy o wybaczenie, zachowajmy spokój
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7568/z7568914M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Bramkarz Iker Casillas po sensacyjnym odpadnięciu Realu Madryt w 1/8 finału Ligi Mistrzów prosi kibiców o wybaczenie i apeluje o zachowanie spokoju. Słynny zawodnik przypomina, że w lidze hiszpańskiej jego drużynie wiedzie się znacznie lepiej.
Kolarstwo przełajowe. Bracia Szczepaniakowie na dopingu
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/7545/z7545799M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Młodzieżowy mistrz świata w kolarstwie przełajowym Paweł Szczepaniak oraz jego młodszy brat, wicemistrz świata w tej kategorii - Kacper, mieli pozytywne wyniki testów antydopingowych.
Skoki narciarskie. Wszyscy Polacy w konkursie w Lillehammer
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7590/z7590998M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Wszyscy polscy skoczkowie zakwalifikowali się do konkursu Pucharu Świata w skokach narciarskich, który w piątek zostanie rozegrany w norweskim Lillehammer.