Sitemap

Losowy


ond - blond (id:1223)
ond - blondyn (id:1224)
ond - blondynce (id:1225)
ond - blondynka (id:1226)
atscherm spatbord, slijkbord, - blotnik (id:1227)
imop - bluszcz (id:1228)
niek - munduru) (część bluza (id:1229)
el bloes, boezeroen, blouse, - bluzą (id:1230)
ezeroen kiel, hes, - bluzą (id:1231)
el bloes, boezeroen, blouse, - bluzka (id:1232)
ofaneren ontheiligen, ontwijden, - bluźnierczy (id:1233)
rgissing abuis, dwaling, fout, - bład (id:1234)
uis dwaling, fout, vergissing, - bład (id:1235)
dden smeken, bezweren, - błaga (id:1236)
smeken - błagać (id:1237)
eiten - błagać (id:1238)
spen berispen, afkeuren, laken, - błagać (id:1239)
delen schooien, - coś o błagać (id:1240)
uzelarij futiliteit, bagatel, - błahostce (id:1241)
ivoliteit - błahość (id:1242)
uzelachtig luizig, onbeduidend, - błahy (id:1243)


Menu

Najnowsze (50)
Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna

Kategorie


Losowy:
zdanie - frase, zin, volzin
zdanie (twierdzące) - declaratie, aangifte, uitspraak
zdarzenie - belangrijke gebeurtenis, evenement
zdarzenie zaszłość - belangrijke gebeurtenis, evenement
zdarzyć się - toegaan, voortgang hebben, gebeuren


Znalezione tłumaczenia na literę P:
pacha - oksel
pachą - oksel
pachnący - stinkend
pachnąć - stinken, vies ruiken
pachniano - aromatisch, geurig
pachniano - stinkend
pachołek - kegel
pachwina - lies
paciorek - kraal
pacjent - patiënt, zieke
pacjent stały (w szpitalu) - patiënt, zieke
packa murarska - vlotten, dobberen, drijven
packa na muchy - bakvis
pacyfista - pacifist
pacyfiście - pacifist
paczce - bundel, wis, bos
paczce - pakje
paczce - pakje
paczka - pakje
paczka - pakje
paczka - inpakken, verpakken, pakken
paczka - inpakken, pakken, verpakken
paczka błędów - pakje
pad upaść - instorten, ineenstorten, uiteenvallen
pada grad - hagel
padaczka - toevallen, epilepsie, vallende ziekte
padać - regenen
padać - vallen, neervallen, afvallen, storten
padlina - aas
padliną - aas
pagórek - hoogte
pagórek - aanaarden
pająk - spinnekop, spin
pajęczyna - web, spinrag, spinneweb, rag
paka - affaire, zaak, aangelegenheid, ding
pakiet - emmer
pakiet - inpakken, verpakken, pakken
pakiet - pakje
pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) - bundel, wis, bos
pakiet żądania WE/WY - barsten, splijten, scheuren
Pakistan - Pakistan
pakować - inpakken, pakken, verpakken
pakować - opbergen, bergen, insluiten
pakował - opbergen, bergen, insluiten
pakunek - inpakken, verpakken, pakken
pakunek - pakje
pal - stijl, paal, post, deurpost
pal - boel, drom, menigte, hoop, massa
palaczach - rookcoupé
palant - baseball
palant - vleermuis
palca - vinger
palec - vinger
palec (u ręki) - vinger
palec u nogi - teen
palec u ręki - vinger
palenie zwłok - lijkverbranding, crematie, verassing
paleniska - piepen, knarsen
palenisko - kachel, oven
palenisko - open haard, haard, haardstede
palenisko - piepen, knarsen
palenisko - haardstede, schoorsteen, schouw
Palestyna - Palestina
palić - aanbranden
palić - geroosterd, gebraden
palić - smoken, roken
palić (papierosa itp) - stinken, vies ruiken
palić na popiół - cremeren, verassen
palisada - schutting, paalwerk, palissade
paliwa - stookmateriaal, brandstof
paliwo - stookmateriaal, brandstof
paliwo wysokoenergetyczne - stookmateriaal, brandstof
palma - bal, handpalm, palm
palto - overjas, jas
paluch - teen
pałac - paleis
pałka - kleven, vastkleven, aanhangen
pałka policyjna - staf
pamarańcza - oranje
pamarańcza - Oranje
pamflet - boekje, libretto, operatekst
pamiątce - aandenken, gedenkschrift
pamiątka - aandenken, gedenkschrift
pamiątka - aandenken, gedenkschrift
pamięci - loos, ledig, leeg, lens, hol
pamięciowy - mnemonisch
pamięć - geheugen, heugenis, herinnering
pamięć - winkel
pamięć dyskowa - geheugen, heugenis, herinnering
pamięć ekranu - flitsen, flikkeren, gloren
pamięć magnetyczna ferrytowa - ROM
pamięć podręczna scalona z układem procesora - voor, als, bij wijze van, hoe, tot
pamięć podręczna z synchronicznym - bult, bochel
pamięć rdzeniowa - ROM
pamięć stała - ROM
pamięć zewnętrzna - verstand, geest, intellect
pamięć zewnętrzna - winkel
pamięć zewnętrzna (pamięci) - geheugen, heugenis, herinnering
pamięć zmienialna - geheugen, heugenis, herinnering
pamięta - zich herinneren, onthouden, gedenken
pamiętać - zich herinneren, onthouden, gedenken
pamiętnik - dagboek, journaal
pamiętnik - courant, dagblad, krant
pamiętny - gedenkwaardig, heuglijk
pan - heer, gentleman
pan (domu) - onder de knie krijgen, meester worden
pan (przed naswiskiem) - dhr.
Pan Bóg - lord
pan domu - onder de knie krijgen, meester worden
pan młody - bruidegom, jonggehuwde
pan wielkiego rodu - edelman
pancerz - examen, keuring, onderzoek
pancerz - kuras, bepantsering, harnas, pantser
pancerz - bepantsering, kuras, harnas, pantser
panel - fotografische plaat, plaat
pani - dame
panice - paniek
panicz - onder de knie krijgen, meester worden
paniczny - paniek
paniczny strach - terreur, schrikbewind
panika - paniek
panna - Maagd
panna - missen, mislopen, misgrijpen
panna - dienstmeisje, dienares, meid
panna - meid, meisje
Panna (gwiazdozbiór) - verloofde, bruid, meisje
panować - meester zijn, de baas zijn
panować - bestuur, heerschappij, bewind
panował - bestuur, heerschappij, bewind
panowanie - bestuur, heerschappij, bewind
panowanie - pré, voordeel
panowanie nad sobą - heerschappij, bewind, bestuur
pantera - panter, luipaard
pantofel - pantoffel
pantomima - pantomime spelen
pański - het jouwe, de jouwe
pański - je, jouw
państwa - verzekeren, beweren
państwo - platteland, open veld
państwo - natie, volk
państwo - verzekeren, beweren
państwo - jou, aan jou, aan je, je
państwowy - openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek
pańtwa - je, jouw
papce - moes, pap, brij
papier - bescheid, document, papier, akte
papier o dużej gramaturze - dik, gebonden, dicht
papier o małej gramaturze - sprietig, schraal, mager
papier ścierny - closetpapier, WC-papier, toiletpapier
papier wysokiej jakości - bescheid, document, papier, akte
papier wysokiej rozdzielczości - bescheid, document, papier, akte
papieros - saffiaantje, sigaret
papież - paus
paplać - klakken, klappen, kletteren, klikken
paproć - varen
papryka - paprika
papudze - papegaai
papuga - papegaai
papugować - papegaai
par - turen, aanstaren, staren
para - echtpaar, echtelieden
para - stel, duo, tweetal, koppel, paar
para (dwa - stoom, wasem, damp
para komplementarnych tranzystorów - stel, duo, tweetal, koppel, paar
para uporządkowana - echtpaar, echtelieden
parada - pralen, paraderen, pronken, prijken
paradą - pralen, paraderen, pronken, prijken
paradoks - paradox
paradoksalny - paradoxaal
paradoksyjny - paradoxaal
paradować - pralen, paraderen, pronken, prijken
parafia - parochie
parafialny - parochie-
parafianin - parochiaan
parafią - roedel, kudde
parafią - parochie
parafina - paraffine
parafować - initiaal, voorletter
paragon - voor voldaan tekenen, kwiteren
paragraf - artikel, paragraaf
paraliż - verlamming
paraliżować - lamleggen, verlammen
paraliżował - verminkt, gebrekkig
parametr - parameter
paranoiczny - paranoide
paranoja - paranoia
parapet - drempel, dorpel
parasol - paraplu
parasol (od słońca) - paraplu
parawan - scherm, schut
parą - stel, duo, tweetal, koppel, paar
parą - turen, aanstaren, staren
parą - stoom, wasem, damp
parą - wasem, damp, stoom
parcela - intrige, machinatie, konkelarij
parcela - pakje
park - parkeren
parking - parkeren
parkować - parkeren
parlamencie - parlement, volksvertegenwoordiging
parlament - parlement, volksvertegenwoordiging
parlamentarny - parlementair
parnik - stoomboot
parny - vochtig
parodią - travestie
parować - doen verdampen, uitdampen, indampen
parować - stoom, wasem, damp
parowca - stoomboot
parowiec - stoomboot
parowóz - motorisch
parowy - stoom, wasem, damp
parsować - masseren
parter - benedenverdieping, parterre
parterowy dom - bungalow
partia - leden, aanhang
partia (produktu) - kavel, perceel
partycja podział strefa - schifting, afscheiding, clausuur
partycypować - deelnemen, meemaken, meedoen
partykularny - afzonderlijk, afgezonderd
partykuła - item, deeltje, jaartelling, deel
partyturą - orkestreren
paryski - van Parijs
parytet - pariteit
Paryż - Paris
paryżanin - van Parijs
parzystość - pariteit
parzysty - gelijk, vlak, effen
parzysty równy regularny - gelijk, vlak, effen
pas - middel, leest, taille
pas - gallon
pas - riem, gordel, ceintuur
pas - riem, ceintuur, gordel
pas (w kartach) - gallon
pas bezpieczeństwa - gallon
pas parciany - riem, ceintuur, gordel
pas startowy - strip, windsel, strook, reep
pasaż - overloop, gang, baan, rijstrook
pasażer - inzittende, passagier
pasażer na gapę - inzittende, passagier
pasek - klimaatzone, zone, aardgordel
pasek - strip, windsel, strook, reep
pasek - slippen, uitglijden
pasek - riem, gordel, ceintuur
pasek - riem, ceintuur, gordel
pasek - belemmeren, afsluiten, afdammen
pasek (papieru) - scheerriem
pasek reklamowy (na stronie WWW) - vaan, dundoek, vlag
pasek zębaty - riem
pasieka - bijenstal, bijenschans
pasja - gloed, vuur
pasjans - geduld, lijdzaamheid
pasjans (w kartach) - geduld, lijdzaamheid
pasją - gloed, vuur
pasjonujący - fascinerend, boeiend, betoverend
paskudny - belabberd, ellendig, miserabel
paskudny - afschuwelijk
pasmo - schare, troep, bende
pasmo - klimaatzone, zone, aardgordel
pasmo (gór) - graad, stand, status, rang
pasmo (radiowe) - schare, troep, bende
pasmo wizyjne - strip, windsel, strook, reep
pasować - afstemmen, aanpassen, adapteren
pasożycie - bloedzuiger
pasożycie - parasiet, klaploper
pasożyt - parasiet, klaploper
pasta - schoencreme
pasta - schoensmeer
pasta - Pools
pasta - deeg, beslag, pasta
pastel - pastel, tekenkrijt, kleurkrijt
pasterz - pastoor
pasterz - herder
pastor - minister, bewindsman
pastor - pastoor
pastuch - herder
pasujący - afstemmen, aanpassen, adapteren
paszcza - kakement, kaak
paszkwil - laaien, vlammen
paszporcie - pas, paspoort
paszport - pas, paspoort
pasztet - pastei
paść - waas, nesthaar, dons
paść (się) - grazen, weiden
paśmie - schreef, haal, schrap, streek, streep
patelnia - koekepan, pat, pan
patelnia - Pan
patencie - patent, octrooi
patent - patent, octrooi
patentować - patent, octrooi
patentowy - patent, octrooi
patriarcha - aartsvader, patriarch
patriocie - vaderlander, patriot
patriota - vaderlander, patriot
patriotyczny - vaderlandslievend
patriotyzm - vaderlandsliefde, patriottisme
patrol - patrouilleren
patrz - ontmoeten, aantreffen
patrzeć - het uiterlijk hebben van, er uitzien
patrzeć na kogoś z ukosa - scheelzien, scheelkijken, loensen
patrzeć zezem - het uiterlijk hebben van, er uitzien
patyk - kleven, vastkleven, aanhangen
pauza - pauzeren
pauza - aanhalen, strelen, liefkozen, aaien
pauzą - afbreken
pauzą - rest, overblijfsel, rommel, afval
paw - pauw
pawian - baviaan
pawilon - koepel, paviljoen, tuinhuis
paznokcia - spijkeren, nagelen
paznokieć - spijkeren, nagelen
pazur - klauw
pazur ernik - spijkeren, nagelen
paź - boer, page, edelknaap
październik - wijnmaand, oktober
pażdziernik - wijnmaand, oktober
pączek - uitbotten, spruiten, botten
pączkować - uitbotten, spruiten, botten
pąk - uitbotten, spruiten, botten
pchać - priemen, prikken, steken, pikken
pchać - aanduwen
pchać - stuwen
pchać się - hoop, boel, drom, massa, menigte
pchła - vlo
pchłą - vlo
pchnąć - priemen, prikken, steken, pikken
pchnąć nożem - priemen, prikken, steken, pikken
pchnąć nożem/sztyletem - schuiven
pchnięcie - schokken
pchnięcie - priemen, prikken, steken, pikken
pchnięcie nożem/sztyletem - schuiven
pech - ongeluk
pedał - peddelen, trappen
pedał gazu - accelerateur, gaspedaal, versneller
pederasta - feeëriek
pejzaż - landschap
Pekin - Peking
pelargonia - ooievaarsbek
peleryna - regenmantel
peleryna - Kaaps
peleryna - kaap
peleryną - kaap
peleryną - Kaaps
peleryną - jas, mantel
pelican - pelikaan
pelikan - pelikaan
pełen triumfu - jubel-
pełen wdzięku - gracieus, bevallig, sierlijk
pełen współczucia/zrozumienia - sympathiek, innemend, zielsverwant
pełen życia - snedig, geestig, gevat, ad rem
pełnia - totaal, volkomen, compleet, vol
pełno - geheel, ten volle, heel, volkomen
pełnoletniość - meerderheid, meerderjarigheid
pełnomocnik - in de plaats stellen van, inboeten
pełny - totaal, volkomen, compleet, vol
pełny - boordevol, afgeladen, mudvol
pełny wymiar czasu - totaal, volkomen, compleet, vol
pełza - kruipen
pełzać - kruipen
penicylina - penicilline
penicyliną - penicilline
penis - penis
penis - lul, pik, leuter, snikkel, jongeheer
perfectum - volkomen, perfect, in optima forma
perfekcja pikselowa - perfectie, volkomenheid, volmaaktheid
perfekcją - perfectie, volkomenheid, volmaaktheid
perfidią - verraad
perfidny - trouweloos, verraderlijk, dubbelhartig
perforator - stompen
perforator - Jan Klaassen
perfum - parfumeren
perfumy - parfumeren
pergamin - perkament
periodyczny - krant
periodyk - krant
perła - parel
perłą - parel
perłowy - parel
peron - tribune, leiding, podium
Pers - Perzisch
Persja - Perzië
perski - Perzisch
personalny - persoonlijk
personel - personeel
personel - staf
personel informatyczny - staf
perspektywa - uitzicht
perspektywa - prospect, perspectief, doorkijk
perspektywa podgląd - prospect, perspectief, doorkijk
perspektywą - prospect, perspectief, doorkijk
perspektywą - uitzicht
perswadować - twisten, disputeren, krakelen
perswazja - overreding
perswazją - overreding
pertraktować - handelen, handeldrijven, zaken doen
pertraktował - handelen, handeldrijven, zaken doen
Peru - Peru
peruce - pruik
peruka - pruik
peryferią - cirkelomtrek, buitenkant
peryferie - omtrek, cirkelomtrek, buitenkant
peryferie - cirkelomtrek, buitenkant
peryferyczny - buiten-, rand-
peryferyjny - buiten-, rand-
peryferyjny procesor macierzowy - buiten-, rand-
perymetr - omtrek
peryskop - periscoop
peseta - nijptang
pestce - pit, kern
pesteczka - zaadkorrel, korrel, pit
pestka - klei-, aarden, van klei
pesymism - pessimisme, zwaartillendheid
pesymista - pessimist
pesymistyczny - zwaarhoofdig, pessimistisch
pesymiście - pessimist
pesymizm - pessimisme, zwaartillendheid
peszyć - bezwaar, strubbeling, moeilijkheid
petencie - adressant
petent - verzoeker, aanvrager
petycja - petitionnement, petitie
petycją - petitionnement, petitie
pewien - gewis, stellig, zeker, vast
pewien - een beetje, enigszins, een weinig
pewnie - wel, immers, zeker, toch
pewnie - waarschijnlijk
pewnie - pal, stevig
pewnie - wel degelijk, vast, bepaald, zeker
pewny - gewis, stellig, zeker, vast
pewny - zelfbewust, zelfverzekerd
pewny - vertrouwd, betrouwbaar
pewny - gewis, zeker, vast, stellig
pewny siebie - gewis, zeker, vast, stellig
pewny siebie - zelfverzekerd, zelfbewust
pęcherz - blaas
pęcherz - blaar
pęcherz (od oparzenia itp) - blaar
pęcherzyk powietrza - borrelen
pęczek - bos, wis, bundel
pęd - voortmaken, spoed maken, haast maken
pęd - onstuimigheid, vuur, heftigheid
pędrak - opduikelen, opgraven, delven, rooien
pędzel - borstelen, schuieren
pędzel do golenia - scheerkwast, zeepkwast
pędzel do malowania - penseel
pęk - mutserd, brandstapel, mutsaard
pękać - barst
pęknął - gebarsten
pęknięcie - barst
pępek - navel
pętać - ketenen, boeien
pętla - maas, breisteek, steek, strik
pętla - declaratie, aangifte, uitspraak
pętla synchronizacji fazowej - maas, breisteek, steek, strik
pętla zamknięta - maas, breisteek, steek, strik
pętlą - maas, breisteek, steek, strik
piach - zand
piać - bonte kraai, kraai
piał - bonte kraai, kraai
piał - bemanning
piana - tintelen, schuimen, bruisen
piana - doorroeren, omroeren, roeren
piana - sop, zeepsop
piana (mydlana itp) - sop, zeepsop
piana mydlana - tintelen, schuimen, bruisen
pianą - doorroeren, omroeren, roeren
pianą - tintelen, schuimen, bruisen
pianina - klavier, piano
pianino - klavier, piano
pianista - pianist
pianiście - pianist
piasek - zand
piasek - grind, gravel, gruis, steengruis
piasta - aanvoerder, chef, gebieder, baas
piasta - bus, naaf
piasta - naaf
piaszczysty - zand
piaszczysty - rul, mul
piaście - bus, naaf
piaście - aanvoerder, chef, gebieder, baas
piąć się - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
piąć się - klimmen, klauteren
piąta część - vijfde
piątek - vrijdag
piąty - vijfde
pice - snoek
pić - pimpelen, drinken, zuipen
piec - kachel, oven
piec - braden, roosteren, branden
piec - kachel, oven
piec - kachel, oven
piec - aanbranden
piec (do pieczenia chleba itp) - kachel, oven
piec (mięso) - oven, kachel
piec elektronowy - braden, roosteren, branden
piec kaflowy - rooster, hek, afrastering, traliehek
piec mięso - kachel, oven
piec na ruszcie - bakken
piechocie - voetvolk, infanterie
piechota - voetvolk, infanterie
pieco do wypalania - oven, kachel
piecyk - ontzetten, royeren, ontslaan
piecza - zich bekommeren, bezorgd zijn, zorgen
pieczara - spelonk, krocht, hol, grot, holte
pieczątce - muntstempel
pieczątka - muntstempel
pieczęć - zeehond, zeerob, rob
pieczęć - muntstempel
pieczętować - muntstempel
pieczony - kachel, oven
pieczony - rooster, hek, afrastering, traliehek
piećdziesiąt - vijftig
piedestał - pedestal, piëdestal, voetstuk
pieg - sproet
piekarni - bakkerij
piekarnia - bakkerij
piekarnik - kachel, oven
piekarnik gazowy - oven, kachel
piekarnik gazowy - braden, roosteren, branden
piekarz - bakker
piekielny - duivelachtig, duivels, drommels
piekielny - duivels, hels
piekło - hel
pielęgniarce - verzorgen, zorgen voor, verplegen
pielęgniarka - verzorgen, zorgen voor, verplegen
pielęgnować - verplegen, zorgen voor, verzorgen
pielgrzym - pelgrim, bedevaartganger
pielgrzymce - pelgrimage, bedevaart, pelgrimstocht
pielgrzymka - pelgrimage, bedevaart, pelgrimstocht
pieniądz - poen, geld
pieniądze - poen, geld
pieniądze na życie - poen, geld
pienić się - tintelen, schuimen, bruisen
pienić się - sop, zeepsop
pienić się - multipliceren, vermenigvuldigen
pień - boomstam, stam
pień - opslaan
pień - boomstam, stam
pień - blokkeren, vastzetten
pieprz - peperen
pieprzyk - mol
pieprzyk (np. na twarzy) - mol
pierdnąć - een wind laten
piersi - boezem, borst
pierś - boezem, borst
pierś - boezem, borst
pierś - borst, boezem
pierścieniowy - circulaire, rondschrijven
pierścień - wal, beugel, ring
pierścionek - wal, beugel, ring
pierwiastek - element, bestanddeel, beginsel
pierwiastek - ingrijpend, grondig, radicaal
pierwiastek (chem.) - element, bestanddeel, beginsel
pierwiosnek - primula, sleutelbloem
pierwotny - inboorling
pierwotny - oorspronkelijk, origineel
pierwotny producent sprzętu komputerowego - natuurlijk
pierwotny producent sprzętu komputerowego - inboorling
pierwotny program ładujący - primair
pierwotny system operacyjny - primair
pierwowzór - prototype
pierwsza pomoc - eerste
pierwszoplanowy - voorgrond
pierwszorzędny - prijs, premie
pierwszorzędny - opperste, prevalent, superieur
pierwszorzędowy - primair
pierwszy - vroegtijdig, pril, vroeg
pierwszy - eerste
pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu - voorgrond
pierwszy na wyjściu - voorgrond
pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony - eerste
pies - hond
pies myśliwski - hond
pieszczoch - troetelen, koesteren, vertroetelen
pieszczocie - aanhalen, liefkozen, strelen, aaien
pieszczota - aanhalen, liefkozen, strelen, aaien
pieszczotliwy - gunning, aanbesteding
pieszy - voetganger
pieszy turysta - voetganger
pieścić - aanhalen, liefkozen, strelen, aaien
pieścić - knuffelen
pieścić - strelen, aaien, liefkozen, aanhalen
pieścić się - nek, hals
pieśń - gezang, zang, lied
pieśń pogrzebowa - gezang, zang, lied
pietruszce - peterselie
pietruszka - peterselie
pięć - vijf
pięćdziesiąt - vijftig
pięćdziesiąt mil na godzinę - vijftig
pięknie - net, mooi
piękno - fraaiheid, schoonheid, knapheid
piękność - fraaiheid, schoonheid, knapheid
piękność (kobieta) - fraaiheid, schoonheid, knapheid
piękny - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
piękny - schoon, fraai, knap, fijn, mooi
pięściarstwo - boksen, bokssport
pięściarz - bokser
pięść - vuist, knuist
pięta - hiel
piętnaście - vijftien
piętno - effect, indruk
piętro - verdieping, etage
piętro - verdieping, etage
piętro - etage, verdieping
pigułce - pil
pigułka - pil
pijany - dronken, zat, beschonken
pijany jak bela - blind
pijaństwa - roes
pijaństwo - roes
pijawka - bloedzuiger
pik - woelen, spitten, graven
pik (w kartach) - piek, top, neus, tip, punt, spits
pika - snoek
pikle - pekelen, inleggen, zouten, inmaken
piknik - picknicken
pikować - stikken
piksel - pixel
pilnie - met spoed, urgent
pilnik - bestand, dossier
pilnować - horloge, polshorloge
pilnować swoich spraw (swojego nosa) - horloge, polshorloge
pilny - dringend, brandend, spoedeisend
pilny - brandend, spoedeisend, dringend
pilny - naarstig, vlijtig, nijver, ijverig
pilny - ogenblikkelijk, prompt
pilny - ijverig, nijver, naarstig, vlijtig
pilny - aandachtig, attent, oplettend
pilot - binnenbrengen, loodsen
pilotaż - binnenbrengen, loodsen
pilotować - binnenbrengen, loodsen
pilotować - navigeren
pilśniowy - vilt
pił - pimpelen, drinken, zuipen
piła - zagen
Piła - uitzaaien
piłce - bal, danspartij
piłka - voetbal
piłka - bal, danspartij
piłka nożna - voetbal
piłka nożna - voetbal
piłka nożna (gra) - bal, danspartij
piłować - zagen
PIN - kegel
pionek - pion
pionek - cijfer, nummer
pionek (np. szachowy) - pion
pionier - genist, geniesoldaat, baanbreker
pionowy - rechtopstaand, verticaal
pionowy tranzystor polowy - rechtopstaand, verticaal
piorun - bliksem, schicht, flits, hemelvuur
piosenka - gezang, zang, lied
piosenka - lied, chanson
piosenkarz - zangeres
pióro - pluim, veer, pen, veder
pióro - hok
pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego - griffel, etsnaald, schrijfstift
pióro ultradźwiękowe - pluim, veer, pen, veder
piracie - zeeschuimer, zeerover, piraat
piramida - piramide
piramida powiększania - piramide
piramidą - piramide
pirat - zeeschuimer, zeerover, piraat
pirat komputerowy - zeeschuimer, zeerover, piraat
Pireneje - Pyreneeën
pisać - neerschrijven, schrijven, uitschrijven
pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi - drukletter
pisać na maszynie - drukletter
pisać ołówkiem - potlood
pisak x-y - hok
pisarz - auteur, schrijver, stilist
pisemny - schriftelijk
pisk - sjilpen, piepen, tjilpen, kwetteren
pisklę - kuiken
pisklę (zwłaszcza kury) - kuiken
pismak - houwen, kappen, hakken
pismo - zendbrief, epistel, brief
pismo pisanie - geschrift, schriftuur
pistolecie - pistool
pistolet - pistool
piśmiennictwo - litteratuur, literatuur, letterkunde
pity - dronken, zat, beschonken
piwa - bier
piwiarnia - drenkplaats, bar, café
piwnica - kelder
piwnicą - kelder
piwo - bier
piwo (angielskie) - bier
piwo angielskie - bier
pizza - pizza
piżama - pyjama
piżmaczek - muskus
piżmo - muskus
piżmoszczur - muskusrat
plac - plein
plac - speelterrein, speelplaats
plac - plaats, oord, lokaal, plek
plac - kavel, perceel
plac - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
plac - circus
plac (okrągły) - circus
plac targowy - marktplaats, markt, marktplein
plac zabaw - achtergrond, grond, bodem, ondergrond
placek - pastei
placówka - aanplakken
plaga - pest
plaga purpurowa - pest
plagiat - spieken, afkijken
plakać - schreeuw, roep, kreet
plakat - aanplakbiljet, plakkaat, affiche
plakat przedstawiający gwiazdę filmową - aanplakken
plama krwi - bezoedelen, smetten, bekladden
plama na słońcu - klak, plek, smet, klad, mop, moet
plamą - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
plamą - bezoedelen, smetten, bekladden
plamce - sproet
plamić - bezoedelen, smetten, bekladden
plamić - klak, plek, smet, klad, mop, moet
plan - strekking, bedoeling, plan, doel
plan - programmeren
plan - projecteren
plan - ontwerp, plan, concept, blauwdruk
plan testowania - strekking, bedoeling, plan, doel
planeta - planeet, zwerfster
planetarny - planetair
planować - arrangeren, aanrichten, ordenen
planować - strekking, bedoeling, plan, doel
planować - dienstregeling, rooster
planować - aanwijzen, aangeven, aanduiden
plantacja - kwekerij, plantage
plantacją - kwekerij, plantage
plaster - kalken, aanstrijken
plasterek - moot, plak, snede, schijf, filet
plastik - plastic, van plastic
plastyczny - plastic, van plastic
plastyk - plastic, van plastic
plastyka - kunst
platforma - tribune, leiding, podium
platforma (sprzętowa - tribune, leiding, podium
platforma kolejowa - vrachtwagen, truck, vrachtauto
platforma sprzętowa - tribune, leiding, podium
plazma - plasma
plaża - strand
plaża - aan de grond lopen, stranden
plątać - verwikkeling, warboel, warnet
plątać - verstrikken, betrekken, verwarren
plątanina - verwikkeling, warboel, warnet
plecak - knapzak, ransel
plecak - knapzak, ransel
plecak - knapzak, rugzak
pleciuga - gaai, Vlaamse gaai
plecy - rugstuk, achterzijde, ommezijde
plecy - bewapenen, wapenen
plemienny - stam-
plemię - stam, volksstam, geslacht
plenarny - boordevol, afgeladen, mudvol
pleść - weven
pleść - vlechten
pleśnieć - modelleren, boetseren
pleśń - modelleren, boetseren
plewić - wieden, schoffelen
plewy - schil, dop, schors, schaal
plik - bos, bundel, wis
plik - bestand, dossier
plik zwrócony - bestand, dossier
plikach - archief
plombować (ząb) - box
plombować ząb - logeren
plon - het veld ruimen, afstaan
plotce - kletsen, kwaadspreken
plotka - kletsen, kwaadspreken
plotka - gerucht, faam, mare, befaamdheid
plotkować - kletsen, kwaadspreken
plotkować - gerucht, faam, mare, befaamdheid
pluć - spuwen, spugen, rochelen
plugawy - vuil, morsig, smerig, onrein, vies
plunąć - spuwen, spugen, rochelen
plus - plus
pluskać - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
pluskać się - waden, flodderen, plassen
pluskanie - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
pluskwa - wandluis
pluskwa - Boeg
pluskwa - wandluis
Pluton - Pluto
płachta - blad, vel
płacić - storten, uitbetalen, betalen, dokken
płaczliwy - bedroefd
płakać - schreeuw, roep, kreet
płakać - tranen, huilen, traanogen
płakać nad czymś - schreeuw, roep, kreet
płaska obudowa jednorzędowa - resorberen, opslorpen, slurpen
płaski - appartement, flat
płaskowyż - blad, plat, plateau, bordes
płastudze - spartelen, zich aftobben, worstelen
płastuga - schol
płaszcz - overjas, jas
płaszcz - mantel, jas
płaszcz - jas, overjas
płaszcz - jas, mantel
płaszcz anodowy - regenmantel
płaszcz nieprzemakalny - regenmantel
płaszcz przeciwdeszczowy - mantel, jas
płaszcz przeciwdeszczowy - jasje, colbert, buis
płaszczyzna obcinająca bliska - hierheen, hier
płat płaszczyzna - vliegtuig, vliegmachine
płatek - bloemblad, kroonblad
płatek (kwiatu) - bloemblad, kroonblad
płatek kwiatu - sneeuwvlok
płatnik - hofmeester
płatność - afbetaling
pławik - kurk
pławik - vlotten, dobberen, drijven
płciowy - sexe, sekse, geslacht, kunne
płeć - sexe, sekse, geslacht, kunne
płetwą - vin
płocie - hek, afsluiting, heining, barriere
płodny - vruchtbaar
płody rolne - opbrengen, opleveren, afwerpen
płomień - laaien, vlammen
płonący - gloeiend, verzendend, vurig, verterend
płot - hek, afsluiting, heining, barriere
płot - verbleekt
płotno - linnen
płowy - linnen
płoza - uitglijden, slippen
płótno - linnen
płuca - long
płuco - long
Płuczka - slag, valstrik, val
pług - omploegen, ploegen, beploegen
pług śnieżny - omploegen, ploegen, beploegen
płukać gardło - gorgelen, afspoelen, spoelen
płukania - gorgelen, afspoelen, spoelen
płycie - fotografische plaat, plaat
płycizna - oppervlakkig, ondiep
płyn - uitwassen, wassen, de was doen
płyn kosmetyczny - vloeistof
płynąć - stromen, vloeien, lopen, vlieten
płynąć - jacht
płynąć jachtem - kust, boord, oever, wal, kant
płynąć wzdłuż brzegu - stromen, vloeien, lopen, vlieten
płynny - vloeistof
płynny - stromend, vloeiend
płynny lek - stromend, vloeiend
płyta - dundoek, vaan, vlag
płyta - fotografische plaat, plaat
płyta metalowa - grondstof, materieel, materiaal
płyta wizyjna pojemnościowa RCA - aanklampen, zich vastklampen aan
płyta wizyjna pojemnościowa RCA - dashboard, instrumentenbord, beschot
płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) - glaswaar, vensterruit, glaswerk
płytce - oppervlakkig, ondiep
Płytka - bestand, dossier
płytka - fotografische plaat, plaat
płytka - wafeltje
płytka (ferromagnetyczna) z otworami - aanklampen, zich vastklampen aan
płytka obwodu drukowanego - wafeltje
płytka sygnałowa - fotografische plaat, plaat
płytka wyjtrawiona - plavuis, tegel, tegelsteen, tichel
płytki - oppervlakkig, ondiep
pływać - zwemmen, drijven
pływać jachtem - jacht
pływak - vlotten, dobberen, drijven
pływalnia - zich aaneensluiten, aansluiten
pniak - peukje, peuk
po - achter
po drugiej stronie - over, overheen, aan de overkant van
po otrzymaniu - ten eerste, allereerst, eerst
po południu - stuurboord
po prawej stronie - ronduit, open en bloot, rondweg
po trzecie - achter
pobić - nederlaag
pobić atutem (w kartach) - troef
pobierać - downloaden
pobierać - verkrijgen, behalen, buit maken
pobierać (dane) - verkrijgen, behalen, buit maken
pobierać dane - brengen, bezorgen, aandragen
pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) - aftappen
pobieżny - resumé, overzicht, excerpt
pobieżny - oppervlakkig, ondiep
pobliski - hiernaast, ernaast, daarnaast
pobłażać - koesteren, troetelen, vertroetelen
pobłażać - ontzien, sparen
pobłażanie - aflaat
pobocze - schouder
pobożny - godvrezend, godsdienstig, devoot
pobór (do wojska) - wissel, cambio
pobrać - decoderen
pobrać - downloaden
pobranie - brengen, bezorgen, aandragen
pobrudzić - fond, ondergrond, bodem, grond, aarde
pobudce - aansporing
pobudce - aanleiding
pobudzać - irriteren, aanstoken, ophitsen
pobudzać - stuwen
pobudzać - wekken, wakker maken, opwekken
pobudzać - bezielen, verlevendigen
pobudzać - wakker maken, wekken, opwekken
pobycie - woning, logies, onderkomen, kwartier
pobyt - logeren
pocałować - zoenen, kussen
pocałunek - zoenen, kussen
pochlebcą - mooiprater
pochlebiać - vleien
pochlebstwa - complimenteren
pochlebstwa - vleierij
pochlebstwo - vleierij
pochłaniać - in zich opnemen, assimileren
pochmurny - onduidelijk, bewolkt
pochmurny - naargeestig, troosteloos, somber
pochodnia - fakkel, toorts, flambouw
pochodzenia - achtergrond
pochodzenia - afleiding, afgeleid woord
pochodzenia - afdaling
pochodzenie - oorsprong, afkomst, herkomst
pochodzenie - komaf, afstamming, afkomst
pochodzenie - afdaling
pochodzenie - afleiding, afgeleid woord
pochodzić - naar beneden gaan, afdalen
pochodzić ( od czegoś) - het gevolg zijn van, afstammen
pochować - kuilen, begraven
pochód - processie, stoet, optocht, omgang
pochwa - schede
pochwa - schede, vagina
pochwalać - loven, verheerlijken, prijzen, roemen
pochwalić - beamen, billijken, goedkeuren
pochwała - loven, roemen, verheerlijken, prijzen
pochwała - bijval, acclamatie, toejuiching
pochwała - eerbetoon, eerbetuiging
pochwałą - eerbetoon, eerbetuiging
pochwałą - loven, roemen, verheerlijken, prijzen
pochylać się - liggen
pochylać się - helling, glooiing
pochylenie - indompelen, indopen, soppen
pochylnia - slippen, uitglijden
pochylnia (w stoczni) - slippen, uitglijden
pochyłość - geneigd zijn tot, geneigd zijn, neigen
pochyłość - helling, glooiing
pochyły - aflopend, glooiend, hellend, schuin
pochyły w lewo - scheef, schuin
pociąg - gevolg
pociąg pospieszny - uitdrukken
pociąg towarowy - gevolg
pociągać - toelachen, aanlokken, bekoren
pociągać za sobą - toelachen, aanlokken, bekoren
pociągający - aanlokkelijk, aantrekkelijk
pociągły - eirond, ovaal
pociągnąć - rukken
pociągnięcie - rukken
pocić się - stoom, wasem, damp
pocić się - zweten, transpireren
pocie - zweet
pocie - zweten, transpireren
pociecha - heul, vertroosting, troost
pocierać - aanstrijken, wrijven, uitwrijven
pocieszać - hoera roepen
pocieszać - prosit, op uw gezondheid, proost
pocieszać - gerief, gemak, comfort
pocieszenia - heul, vertroosting, troost
pocisk artyleryjski - kogel
pocisków - hagel
pocisków) - stroom, vloed, bergstroom
począć - in verwachting raken, zwanger raken
początek - ontstaan, begin, aanvang
początek - begin, aanvang, ontstaan
początek - aurora, morgenlicht, morgenrood
początek - oorsprong, afkomst, herkomst
początek transmisji - ontstaan, begin, aanvang
początkowy - inboorling
początkowy - initiaal, voorletter
początkowy - primair
początkowy program ładujący - initiaal, voorletter
początkujący - beginner, beginneling
poczekalni - zaal, salon
poczekalnia - wachtkamer
poczęcie - begrip
poczta - post, posterijen
poczta - aanplakken
poczta w kolejce - post, posterijen
poczta wysłana - aanplakken
pocztówka - briefkaart
pod - beneden, daarbeneden, onder
pod - beneden
pod gołym niebem - beneden
pod prąd (rzeki - gemakkelijk, doelmatig, geschikt
pod zarzutem - beneden, onder
pod znieczuleniem - beneden
pod żadnym warunkiem - beneden, daarbeneden, onder
pod- - verzenden
podanie - aanwending, toepassing
podanie - petitionnement, petitie
podarować - schenken, cadeau geven
podarować - tegenwoordig, actueel
podarty - aan flarden gescheurd
podarunek - gift, geschenk, donatie, cadeau
podatek - belasten, aanslaan
podatek od wartości dodanej - tobbe, kuip, bak
podatek od wartości dodanej - BTW
podatek od wartości dodanej - teil
podatek spadkowy - belasten, aanslaan
podatny na wypadki - een grotere kans op ongelukken accident-prone
podawać - aanhalen, citeren, noemen
podawać - aanhalingstekens
podawać (do stołu) - serveren, voorleggen
podawać do sądu - een proces aanspannen tegen
podawać zasilanie podawanie podajnik wprowadzane dane - eten, bikken, gebruiken, vreten
podaż - aanvoer, bezorging
podbić - knechten, onderwerpen
podbijać - veroveren
podbity - stof, onderwerp, subject
podbródek - kin
podburzający - opruiend
podchmielony - aangeschoten, roezig
podchodzić - aanvliegen
podciąć - maaien
podczas - terwijl, staande, gedurende
podczas - intussen, inmiddels, daarentegen
podczas (gdy) - intussen, inmiddels, daarentegen
podczas gdy - terwijl, staande, gedurende
podczas gdy - terwijl, staande, gedurende
poddać drobiazgowej analizie - doorsnijden, sectie verrichten
poddać pod rozwagę - knechten, onderwerpen
poddać się - capituleren, zich overgeven
poddanie się - capituleren, zich overgeven
poddany - stof, onderwerp, subject
poddasze - zolderkamer, dakkamertje
poddasze - Attisch
poddasze - zolderkamer
poddasze - dakkamertje
poddawać kremacji - cremeren, verassen
poddawać się - toegeven
poddawać się - capituleren, zich overgeven
podejmować - accepteren, aannemen, aanvaarden
podejmować na nowo - vernieuwen, renoveren
podejmować się - ondernemen
podejrzany - achterdochtig, wantrouwig, argwanend
podejrzany charakter - verdenken
podejrzenia - argwaan, achterdocht, wantrouwen
podejrzenie - argwaan, achterdocht, wantrouwen
podejrzewać - verdenken
podejrzliwy - achterdochtig, wantrouwig, argwanend
podejście - aanvliegen
podekscytowanie - opwinding
podekscytowany - gejaagd, opgewonden
podeszwa - enkel, bloot, louter
podglądać - sjilpen, piepen, tjilpen, kwetteren
podgładać - sjilpen, piepen, tjilpen, kwetteren
podium - podium, tribune
podium - podium, bestuur, tribune, leiding
podkład (np. kolejowy) - slaperig
podkładce - opslaan
podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać - blok
podkopać - ondergraven, ondermijnen
podkowa - hoefijzer
podkreślać - accentueren, beklemtonen
podkreślać - beweren, verzekeren
podkreślać - met nadruk zeggen, benadrukken
podkreślać - onderstrepen
podkreślenie - onderstrepen
podkreślenie - nadruk, klem
podkreślić - onderstrepen
podkreślony - nadrukkelijk
podległy - slaaf
podległy - achterstellen
podlewać - water
podlizywać się - kruipen
podlotek - kuiken
podłączyć - verbinden, aan elkaar vastmaken
podłodze - verdieping, etage
podłoga - verdieping, etage
podły - verachtelijk, nietswaardig
podły - gemiddeld
podły ić - gronden, baseren
podmiocie - stof, onderwerp, subject
podmuch - pof, poef
podniecać - aanzetten, scherpen, slijpen
podniecać - irriteren, aanstoken, ophitsen
podniecać - aangrijpen, ontroeren, bewegen
podniecający - opwindend
podniecenia - opwinding
podniesienie - opgraven, rooien
podniesiony - oprichten, stichten, inrichten
podniesiony - zetting, montage
podnieść coś/wywindować (ceny) - derde macht, dobbelsteen, blok
podnieść kogoś na duchu - hijsen, ophijsen
podnieść kotwicę - opfokken, telen, fokken, opkweken
podnieta - de sporen geven, prikkelen
podniosły - hoog, verheven
podnosić - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
podnosić - vermeerderen
podnosić - verergeren, aandikken
podnosić - opgraven, rooien
podnosić - opfokken, telen, fokken, opkweken
podnosić (ceny) - opblazen
podnosić się - opgaan, opkomen, opstaan, rijzen
podnoszący na duchu - bezielend
podnośnik - vijzel, dommekracht, krik
podnóża - bodem, achtergrond, ondergrond, grond
podobać się - alsjeblieft, wees zo goed, alstublieft
podobać się - appelleren, een beroep doen op
podobieństwa - gelijkenis, overeenkomst
podobieństwa - gelijkenis, overeenkomst
podobieństwo - affiniteit, verwantschap
podobieństwo - gelijkenis, overeenkomst
podobieństwo - gelijkenis, overeenkomst
podobny - gelijksoortig, soortgelijk
podobny - hoe, bij wijze van, voor, als, tot
podoficer - onderofficier
podpalacz - brandstichtend
podpierać - drager, stut, leuning, steun
podpis - handtekening, ondertekening
podpis ze wskazaniem potwierdzającego - abonnement
podpisać - voorbode, voorteken, teken
podpisać (dokument) - geabonneerd zijn op
podpisać dokument - geabonneerd zijn op
podporządkowywać się - passen, in overeenstemming zijn
podporządkowywać się - adequaat, passend, overeenstemmend
podpowiedź - nauwgezet, nauwkeurig, accuraat
podpórce - adept, beoefenaar, aanhanger
podpórek - leden, aanhang
podrażnienie - opwinding
podręcznik - maat, kameraad, kornuit, makker
podręcznik - gidsboek, vademecum, gids, reisgids
podręcznik - leerboek, schoolboek
podręcznik w formie drukowanej - gidsboek, vademecum, gids, reisgids
podrobiony - vervalsing
podróż - toer, tocht, reis, trip
podróż - tournee, rondreis
podróż - gaan, rijden, varen, karren
podróż - reis, tocht, toer, trip
podróż morska - gaan, rijden, varen, karren
podróż morska - gelijk, vlak, effen
podróż) - tocht, toer, reis, trip
podróżnik - reiziger
podróżny - inzittende, passagier
podróżować - gaan, rijden, varen, karren
podróżować - toer, tocht, reis, trip
podróżować - gesteld zijn, het maken
podróżować autostopem - navigeren
podrzeć - huur
podrzędny - bijbehorend, bijkomend, bijkomstig
podrzędny - achterstellen
podrzędny podległy - achterstellen
podskakiwać - hinkelen
podskok - hinkelen
podskok - springen
podsłuchiwać - afluisteren
podstarzały - hoogbejaard, bedaagd
podstawa - gronden, baseren
podstawa - spoor, wagenspoor, karrespoor
podstawa czasu - grondstof, materieel, materiaal
podstawa uchylno-obrotowa - wervelkolom, spin, ruggegraat
podstawa uchylnoobrotowa - stichting
podstawą - kader, omlijsting, lijst, raam
podstawić - in de plaats stellen van, inboeten
podstawienie - aflossing, vervanging
podstawka monitora - blok
podstawowa zasada - fundamenteel
podstawowy - basis-
podstawowy - fundamenteel
podstawowy system wejścia-wyjścia - basis-
podstawowy system wejścia-wyjścia - grof, cru, onbewerkt, onbehouwen, bot
podstawowy system wejścia-wyjścia - elementair
podstęp - kunstgreep, kneep, streek, foefje
podstęp - misleiden, bedriegen
podstępny - arglistig
podsumowanie dokumentu - resumé, overzicht, excerpt
podsumowywać - somma, som, bedrag, totaal, summa
podsuwanie - aanstoten, een duw geven, toestoten
podszewka - voering
podszywanie się - maskering
podtekscie - bijtoon, boventoon
podtrzymać - stutten, steunen, schragen
podupadać - verval
poduszce - blok
poduszce - hoofdkussen
poduszeczka - dashboard, instrumentenbord, beschot
poduszka - hoofdkussen
poduszka powietrzna - luchtkussen
podwajać - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
podwiązek - bretels
podwieczorek - thee
podwładny - aankomend, beginnend
podwładny - achterstellen
podwodny - onderwater-
podwoić - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
podwójny - dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig
podwójny - duplex, tweevoudig, dubbel, tweeledig
podwójny rozruch (tj. możliwość rozruchudwóch różnych systemów operacyjnych różnych partycji dysku) - duplex, tweevoudig, dubbel, tweeledig
podwórze - yard, ra
podwyżce - opfokken, telen, fokken, opkweken
podwyższać - verergeren, aandikken
podwyższyć wartość - appreciëren, waarderen
podział - legerafdeling, divisie
podział - schifting, afscheiding, clausuur
podział kompletny - schifting, afscheiding, clausuur
podział wyczerpujący - schifting, afscheiding, clausuur
podziałka - aanslag
podziel - afzonderen, afscheiden, scheiden
podzielać - deelnemen, meemaken, meedoen
podzielać zdanie - het eens zijn, overeenstemmen
podzielić na cztery części - buurt, wijk, stadswijk
podziemie - gewelf, bol
podziemie - metro
podziemny - metro
podziękować - danken, bedanken, dank betuigen
podziękowanie - erkenning
podziękowanie - danken, bedanken, dank betuigen
podziwiać - mirakel, wonder
podziwiać - bewonderend
podziwiać - bewonderen
podziwiać ię - bewonderen
poemacie - gedicht, dichtwerk, vers
poemat - tekst
poemat - gedicht, dichtwerk, vers
poemat liryczny - gedicht, dichtwerk, vers
poeta - dichter
poetycki - dichterlijk, poëtisch
poetyczny - dichterlijk, poëtisch
poezja - dichtkunst, poëzie
poezją - dichtkunst, poëzie
poganin - heidens
pogarda - minachting, schamperheid, verachting
pogawędce - keuvelen, babbelen, praten
pogawędka - keuvelen, babbelen, praten
pogawędka w czasie rzeczywistym - keuvelen, babbelen, praten
pogląd - begrip
pogląd - oordeel, judicium, gericht, vonnis
pogląd - houding
poglądowy - zichtbaar
pogłosce - befaamdheid, gerucht, mare, faam
pogmatwać - van zijn stuk brengen, dooreenhalen
pogmatwany - verwarrend
pogoda - weer, weersomstandigheden, weder
pogodny - briljant, glanzend, lumineus
pogodzić się - accepteren, aanvaarden
pogoń - nastreven, najagen
pogrążyć - duiken
pogróżce - bedreiging, dreigement, dreiging
pogróżka - behandelen, cureren
pogrubiony - gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal
pogrzebacz - uitkammen, harken, aanharken, opharken
pogrzebacz - poker
pogrzebowy - necrologie
poinformować - berichten, informeren, inlichten
pojawiać się - gebeuren, aan de hand zijn
pojawiać się - opdagen, opdraven
pojawiać się - opdraven, opdagen
pojawiać się - ontstaan
pojawić się - ontstaan
pojawić się wydawać się - opdraven, opdagen
pojazd - vehikel, voertuig, wagen
pojazd szynowy - vehikel, voertuig, wagen
pojedynczy - ongehuwd, ongetrouwd
pojedynczy skok napięcia - ongehuwd, ongetrouwd
pojemnik na kasety - pot, foedraal, etui, bak, doos, koker
pojemnik na kasety - pot, foedraal, bak, doos, etui, koker
pojemnik na śmieci - pot, foedraal, etui, bak, doos, koker
Pojemność - geluidssterkte, inhoud, volume
pojemność pamięci - schare, troep, bende
pojęcie - begrip
pojęcie - opvatting, begrip
pojętność wiadomość - bevattingsvermogen, intelligentie
pojmać - beetnemen, pakken, beetkrijgen
pojmować - in verwachting raken, zwanger raken
pokarm - eten, etenswaar, spijs, gerecht
pokarm - voeding, kost, voeder, voedingsmiddel
pokaz - pralen, paraderen, prijken, pronken
pokaz - demonstratie, vertoning, bewijs
pokaz slajdów - expositie, tentoonstelling
pokazywać - laten blijken, manifesteren
pokaźny - geruim, aanmerkelijk, aanzienlijk
pokaźny - fijn, schoon, net, fraai, knap, mooi
poker - poker
poklepać (np. po plecach) - toejuichen, bij acclamatie benoemen
pokład - verdek, scheepsdek, dek
pokład spacerowy - verdek, scheepsdek, dek
pokładać nadzieję - vertrouwen, fiducie hebben in
pokłon - revérence, buiging, strijkage, nijging
pokojowy - Stille Oceaan, Grote Oceaan
pokojowy - vredig, vreedzaam
pokojówce - dienstmeisje, dienares, meid
pokojówka - dienstmeisje, dienares, meid
pokojówka - dienstmeisje, dienares, meid
pokolenie - generatie, geslacht
pokonać - nederlaag
pokonać przeciwnika - likken
pokorą - ootmoed, deemoed, nederigheid
pokorny - nederig, onderdanig, deemoedig
pokost - verlakken, lakken
pokost - verlakken, lakken
pokój - appartement, flat
pokój - vrede
pokój - bestek, wereldruim, speling, ruimte
pokój dziecinny - woonkamer, zitkamer, huiskamer
pokój gościnny - bestek, wereldruim, speling, ruimte
pokój rozmów - vrede
pokój zabaw dziecinnych - bestek, wereldruim, speling, ruimte
pokrewieństwa - affiniteit, verwantschap
pokrewieństwo - affiniteit, verwantschap
pokrewieństwo - familiebetrekking, verwantschap
pokrętła - wijzerplaat
pokryć - sproet
pokryć - afbeulen, afjakkeren, afmatten
pokryć koszty - pluim, veer, pen, veder
pokryć piórami - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
pokrywa - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
pokrywa tylna - bedekking, kaft, omslag, deksel
pokrywać - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
pokrywać emalią - emailleren
pokrywą - couvert, envelop, enveloppe
pokrzywa - netel, brandnetel
pokrzywą - netel, brandnetel
pokupny - snikheet, smoorheet, gloeiend, heet
pokusa - aanvechting, temptatie, verleiding
pokusą - aanvechting, temptatie, verleiding
pokwitować - voor voldaan tekenen, kwiteren
pokwitowanie - voor voldaan tekenen, kwiteren
pokwitowanie - recept
Polak - kuil
Polak - Pool
polarny - polair
polce - polka
pole - akker
pole danych w sieci Ethernet - vel, blad
pole magnetyczne poprzeczne - mijnenveld
pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) - hijsblok, blok, katrol, schijf
pole typu danych w pakiecie Ethernetu - akker
pole typu EH - akker
pole typu TEM - bouwland
pole znaku - aanmelding
pole źródłowe - akker
polecać - aanbevelen, aanprijzen, recommanderen
polecenie - aanvoeren, commanderen, bevelen
polecenie - bevelen, aanvoeren, commanderen
polecenie (kogoś komuś) - inleiding, introductie
polecenie kogoś komuś - inleiding, introductie
polecenie zewnętrzne - bevelen, aanvoeren, commanderen
polecić - loven, verheerlijken, prijzen, roemen
polepszyć - helling, glooiing
polerować - schoencreme
polerować - schoensmeer
polerować - Pools
Polewa - verglazen, glazuren, glanzen
polędwicą - kruis, lende
policja - politie
policjant - agent, politieagent
policją - politie
policzek - wang, koon, kaak
polisa - polis
polityczny - staatkundig, politiek
polityk - politicus, staatsman
polityka - beleid, politiek, staatkunde
polityka - polis
polityka zabezpieczenia - polis
polityka zagraniczna - polis
polować - bejagen, jagen, jacht maken op
polowania - vuren, schieten, paffen
polowanie - bejagen, jagen, jacht maken op
Polska - Polen
polski - Pools
polski - schoensmeer
polski - schoencreme
poła - klotsen, plassen, kabbelen, klapperen
poła (np. marynarki) - klotsen, plassen, kabbelen, klapperen
połaczenie - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połaczenie - zich aansluiten, lid worden, toetreden
połaczenie - bond, genootschap, associatie
połaskotać - kriebelen, kietelen
połącz - verbinden, aan elkaar vastmaken
połączenia - conjunctie
połączenia - samenhang, verbinding
połączenie - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie drukowane - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie stałe - conjunctie
połączenie wewnętrzne - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie wielopunktowe - verbinding, combinatie
połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza - aansluiting
połączenie z Internetem - gewricht, geleding, lid, gelid, knoop
połączenie z pełnym dupleksem - samenhang, verbinding
połączenie zespołowe - aansluiting
połączyć - aggregatie, aggregaat
połączyć - verbinden, aan elkaar vastmaken
połowa - gemiddeld, doorsnee, middelbaar
połowa - half
położenia - houding, stand, positie
położenia - situatie, stand van zaken
położenie - plaats, oord, lokaliteit, ruimte
położenie - houding, stand, positie
położenie - situatie, stand van zaken
położenie kolumny - plaats, oord, lokaliteit, ruimte
położenie pieczątki - aanzien, air, schijn, aanblik
położenie umiejscowić - item, deel, jaartelling, deeltje
położna - vroedvrouw, verloskundige
połówce - half
południa - zuidelijk
południa - noen, middag
południa - noen, middag
południe - zuidelijk
południe (geograficzne) - zuidelijk
południe (pora dnia) - noen, middag
południe (pora dnia) - noen, middag
południe geograficzne - zuidelijk
południe pora dnia - noen, middag
południowy - zuidelijk
południowy - zuidelijk
połykać - slikken, doorslikken, inslikken
połysk - schijnen, glanzen, blinken, schitteren
połysk - schoencreme
połysk - schoensmeer
połysk - Pools
połysk - glosse, kanttekening
pomagać - assisteren, bijstaan, helpen
pomagać - nader
pomagać - helpen, assisteren, bijstaan
pomagać - aids
pomagać - assistent, famulus, helper, hulp
pomagać pomoc - helpen, assisteren, bijstaan
pomarańcz - Oranje
pomarańcz - oranje
pomarańcza - Oranje
pomarańcza - oranje
pomarańczą - oranje
pomarańczą - Oranje
pomiar - afmeting, dimensie
pomidor - tomaat
pomieszać - aangrijpen, ontroeren, bewegen
pomieszanie - mengen, temperen, mixen, vermengen
pomieszczenie sterylne - aanpassing
pomiędzy - tussen, onder
pomiędzy - tussen
pomiędzy - in het midden van, medio, midden
pomijać - achterwege laten, weglaten
pomijać - weggelaten
pomimo - niettegenstaande, in weerwil van
pomimo tego - niettemin, desondanks
pomimo że - ofschoon, al, hoewel, alhoewel, wel
pominąć milczeniem - achterwege laten, weglaten
pomniejszać zmniejszenie się - afdraaien, verlagen
pomnik - gedenkteken, monument
pomnożyć - multipliceren, vermenigvuldigen
pomnóż - in overvloed aanwezig zijn
pomnóż - multipliceren, vermenigvuldigen
pomoc - zinspelen
pomoc - assisteren, bijstaan, helpen
pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika - assistent, famulus, helper, hulp
pomocniczy - assistent, adjunct, helper
pomocniczy - aanvullend
pomocnik - boer
pomocnik - paren
pomocnik - assistent, hulp, famulus, helper
pomocnik - steward
pomocnik - assistent, adjunct, helper
pomocnik błazna - assistent, adjunct, helper
pomocny - behulpzaam, hulpvaardig
pomost - poort
pomost roboczy - tribune, leiding, podium
pomóc - assistent, famulus, helper, hulp
pompa - oppompen, pompen
pompą - vertoon, luister, pracht, praal
pompą - oppompen, pompen
pompować - oppompen, pompen
pomścić - wreken, wraak nemen
pomścić avenue - wreken, wraak nemen
pomścić ość - wreken, wraak nemen
pomylić - vergissing, fout, dwaling, abuis
pomylić - foutief, verkeerd, fout, onjuist
pomylić się - vergissing, fout, dwaling, abuis
pomylony ść - geurig, aromatisch
pomyłka - vergissing, fout, dwaling, abuis
pomysł - idee, benul, begrip, denkbeeld
pomysł - hulpmiddelen, inrichting, apparaat
pomysł itp - beschouwen, overwegen, nagaan
pomysłowość - ontsnappen, ontkomen, ontgaan
pomysłowy - geniaal
pomyśleć - geloven, van mening zijn, achten
pomyślnie - met goed gevolg
pomyślny - gelukkig
ponad - benoorden, ten noorden van
ponad tuzin - verderop
ponad wszystko - klaar, afgewerkt, afgelopen, beëindigd
ponadto - overigens, trouwens
ponadto - overigens, trouwens, verder
ponawiać - vernieuwen, renoveren
poncz - stompen
poncz - Jan Klaassen
ponętny - lekker, aanlokkelijk
poniechać - een miskraam krijgen, mislukken
poniedziałek - maandag
poniekąd - deels, ten dele
ponieważ - daar, doordat, omdat, aangezien
poniżać (się) - buigen, overhellen, hellen, aflopen
poniżać się - kleinmaken, vernederen, verootmoedigen
poniżać się - buigen, overhellen, hellen, aflopen
poniżej - beneden, onder
poniżej - beneden
poniżej granicy dolnej - beneden, daarbeneden, onder
poniżenia - verootmoediging, vernedering
poniżenie - verootmoediging, vernedering
ponowić - herhalen, nazeggen
ponownie - opnieuw, van voren af aan, nogmaals
ponownie wyznaczać trasę - afwisselend
ponury - aalwaardig, gemelijk, aalwarig
ponury - obscuur, onbekend, donker
ponury - rouw-
ponury - grimmig
ponury - afschuwelijk
ponury - naar, akelig, onaangenaam
ponury - zwart
pończocha - kous
pończochą - kous
pończochy nylonowe - nylon-
poparcia - endossement, giro
poparzenia - in kokend water doen
popatrzeć - een blik werpen, een blik werpen op
popchnąć - duwen, stoten, dringen, douwen
popełnić wykroczenie - beledigen, affronteren, krenken
popielaty - asgrauw
popielniczka - asla, asbak
popierać - pleitbezorger, advocaat, verdediger
popierać - stutten, steunen, schragen
popierać kogoś/coś - rugstuk, achterzijde, ommezijde
popijać - resorberen, opslorpen, slurpen
popijać (małymi łykami) - resorberen, opslorpen, slurpen
popiół - as
poplamić - ruimte, lokaliteit, oord, plaats
popołudnie - namiddag, middag
poprawa - reformeren, hervormen
poprawa koniunktury - afstelling, instelling
poprawiać - juist, correct, goed
poprawiać - verbeteren, veredelen
poprawiać - nakijken, herzien, inspecteren
poprawić się/wyzdrowieć - juist, correct, goed
poprawka - afstelling, instelling
poprawka wymagana równocześnie - nauwkeurig bepalen, determineren
poprawny - gangbaar, geldig, geldend, vigerend
poprawny - fatsoenlijk, betamelijk, behoorlijk
poprawny - gracieus, bevallig, sierlijk
poprawny - juist, correct, goed
poprosić - vragen
poprosić kogoś o spotkanie - vragen
poprzeczny - dwars
poprzedni - voorgaand, verleden, voorafgaand
poprzedni - verleden, voorgaand
poprzedni - voorafgaand, verleden, voorgaand
poprzednio - al, reeds, alvast, alreeds
poprzednio - daarvoor, eerder, vooraan, indertijd
poprzedzać - voorafgaan, voorzijn
poprzestać - logeren
poprzez - over, overheen, aan de overkant van
poprzez - door, per, met
popsuć - bederven, havenen, beschadigen
popsuty - verspild
populacja - bevolking
populacją - bevolking
popularny - algemeen, gemeenschappelijk
popularny - populair, getapt, veelgeliefd
popychać - aanduwen
popychać - schuiven
popyt - opeisen, vereisen, rekenen, eisen
popyt - voortmaken, spoed maken, haast maken
porada - adviseren, aankondigen, bekendmaken
poradą - raad, raadgeving, advies
poradnictwo - administratiekantoor
poradnik - maat, kameraad, kornuit, makker
poradnik - besturen, richten, dirigeren, mennen
poradzić - besturen, administreren, beheren
poradzić sobie - adviseren, bekendmaken, aankondigen
poranek - ochtend, morgen
porażce - nederlaag
porcelana - China
porcelaną - China
porcie - haven
porcie - haven
porcja danych - emmer
poręcz - bewapenen, wapenen
poręcz - spoorstaaf, rail
poręczny - gemakkelijk, doelmatig, geschikt
poręczyć - garanderen, borg staan voor
pornografia - pornografisch materiaal, pornografie
pornograficzny - pornografisch
poronić - een miskraam krijgen, mislukken
poronienie - abortus provocatus, abortus
porozumieć się - het eens zijn, overeenstemmen
porozumienia - accoord, overeenstemming
porozumienia - overeenstemming, samenklank
porozumienie - accoord, overeenstemming
porozumienie - communiqué
porozumienie dwuetapowe - verband, omgang, betrekking
porozumienie trzyetapowe - overeenstemming, samenklank
porozumienie trzyetapowe - akkoord, maatregel
porozumiewać się - berichten, meedelen, mededelen
porozumiewanie się - communiqué
poród - aflevering, levering, inlevering
porównać - vergelijken
porównaj - vergelijken
porównania - vergelijking
porównanie - vergelijken
porównanie - vergelijking
porównywać - vergelijken
port - haven
port - haven
port lokalny - luchthaven
port równoległy we-wy - interface
port źródłowy nadawcy - haven
portal - ingang, toegang, entree
portfel - portefeuille
portfel na banknoty - portefeuille
portier - conciërge, portier
portmonetka - beurs, portemonnaie, geldbuidel
portrecie - evenbeeld, beeltenis, portret
portret - evenbeeld, beeltenis, portret
Portugalczyk - Portugees
Portugalia - Portugal
portugalski - Portugees
portyk - zuilengang, portiek
portyk - zuilengalerij, zuilengang
porucznik - luitenant
poruszać - aandoenlijk, roerend, ontroerend
poruszać - ontroeren, aangrijpen, bewegen
poruszać - gejaagd, opgewonden
poruszać - agiteren, opruien, ophitsen, opstoken
poruszenia - aangrijpen, ontroeren, bewegen
poruszenie - beroering, agitatie, beweging
poruszony - gejaagd, opgewonden
porwać - transporteren, overbrengen, voeren
porwać - ontvoeren
porwać widownię - ontvoeren
porwanie - ontvoering
porwanie samolotu lub innego środka lokomocji - ontvoering
porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) - ontvoering
porywacz - afvoerder, abductor
porywać - ontvoeren
porządek - agenda, dagorde
porządek - akkoord, maatregel
porządek - aanvoeren, commanderen, bevelen
porządek bajtów - akkoord, maatregel
porządek dzienny - agenda, dagorde
porządek zestawiania - aanvoeren, commanderen, bevelen
porządkować - afzetten, beslaan, garneren
porządkować - afhandelen, afdoen
porzeczce - aalbes, bes
porzeczka - aalbes, bes
porzednik - voorafgaand, verleden, voorgaand
porzucenie - concessie, cessie, afstand, toegeving
porzucenie zaniechanie - concessie, cessie, afstand, toegeving
porzucić - prijsgeven, afleggen, opgeven
porzucić wszelką nadzieję - prijsgeven, afleggen, opgeven
porzucony - gemeen, immoreel, onzedelijk
posada - situatie, stand van zaken
posag - bruidsschat, huwelijksgift
posądzać - verdenken
posąg - beeld, standbeeld
poselstwo - legatie
poseł - bode, afgezant, gezant
posępny - afschuwelijk
posępny - gemelijk, aalwarig, aalwaardig
posiać - uitzaaien, uitstrooien
posiadacz - schede, foedraal, houder
posiadać - rijk zijn, bezitten, erop nahouden
posiadać - bezitten, erop nahouden, rijk zijn
posiadać własny - rijk zijn, bezitten, erop nahouden
posiadania - eigendom, eigendomsrecht
posiadania - bezitting, eigendom, bezit
posiadania - boeltje, bezittingen
posiadanie - eigendom, eigendomsrecht
posiadanie (akcji) - bezitting, eigendom, bezit
posiadłość - landgoed, boerderij, bezitting
posiadłość ziemska - goed, boerderij, landgoed, bezitting
posiedzenia - sessie, zitting, zittingsperiode
posiłek - bloem, meel
posiłek - twaalfuurtje, lunch
posiłek południowy - bloem, meel
posiniaczyć - blauwe plek
poskramiać - knechten, onderwerpen
posłaniec - afgezant, bode, gezant
posłańca - afgezant, bode, gezant
posłuchać - aanhoren, beluisteren, luisteren
posługiwać sie - afgewerkt, gebruikt
posługiwać się - aanwending, toepassing
posłuszny - willig, gehoorzaam
posłuszny - handelbaar, inschikkelijk
posmak - aroma, geur
posmarować - invetten
posmarować - aanwenden, doorvoeren
posmarować - afstemmen, aanpassen, adapteren
pospolity - algemeen, gemeenschappelijk
pospolity - plat, triviaal, vulgair, onbenullig
post - vasten
postać - personage, persoon
postanowić - besluiten, beslissen, uitmaken
postanowienie - besluit, uitspraak, beslissing
postarać się - streven, zich inspannen, pogen
postawa - houding
postawa - aard, karakter, geaardheid
postawa - rose, roze, roos
posterunek - aanplakken
posterunek - post, posterijen
postęp - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
postęp - verbetering, vooruitgang, beterschap
postęp arytmetyczny - ontwikkeling, evolutie
postępować - zich gedragen
postępowanie - actie, handeling, optreden, gedoe
postój - logeren
postój - afslaan, halthouden, blijven staan
postrzępienie (efekt graficzny) - treksluiting, rits, ritssluiting
postrzępiony - nevelig, heiig, dampig, mistig
postulacie - eisen, rekenen, vereisen, opeisen
postulować - eisen, rekenen, vereisen, opeisen
posunięcia - ontroeren, aangrijpen, bewegen
posunięcie - ontroeren, aangrijpen, bewegen
posuwać (się) naprzód - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
posuwać się naprzód - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
posyłać - doen toekomen, sturen, opsturen
posypywać - bepoederen, poederen
poszczególny - afzonderlijk, afgezonderd
poszczególny - respectief
poszukiwacz - mijnbouwkundig onderzoeker
poszukiwać - speurtocht, speurwerk, zoektocht
poszukiwać - uitzien naar, uitkijken naar, snorren
poszukiwać pozycjonować - speurwerk, speurtocht
poszukiwania - zoektocht, speurtocht, speurwerk
poszukiwania - speurwerk, speurtocht
poszukiwanie - speurtocht, speurwerk, zoektocht
poszukiwanie - zoektocht, speurtocht, speurwerk
poszukiwanie - speurtocht, speurwerk
poszycie - dierevel, vel, huid, pels, vacht
pościel - linnen
pościg - vervolging, achtervolging
pośladek - bil
pośladkach - bips, kont, zitvlak
pośladki - zwerver, vagebond
poślizg - uitglijden, slippen
pośliznąć się - slippen, uitglijden
pośliźnięcie się - slippen, uitglijden
poślubiać - gehuwd, getrouwd
poślubiać - in de echt verbinden, trouwen
poślubić - in de echt verbinden, trouwen
pośmiertny - necrologie
pośpiech - haast, haastigheid, ijl
pośpiech - spoed maken, haast maken, voortmaken
pośpiech - voortmaken, spoed maken, haast maken
pośpiesznie - haastig, inderhaast, gehaast
pośpiesznie - haastig, inderhaast, gehaast
pośrednictwo - agentschap
pośredniczenie - agentschap
pośrednik - vertegenwoordiger, dealer, agent
pośrednik - makelaar
pośrednik - in de plaats stellen van, inboeten
pośrodku - tussen, onder
pośród - tussen
pośród - in het midden van, medio, midden
poświadczenie - getuige
poświadczyć - getuigen, certificeren
poświadczyć - certificeren, getuigen
poświęcać - opofferen, offeren, aanbieden
poświęcać - aanhankelijk, gehecht
poświęcać - spanderen, opdragen, spenderen
poświęcający się - aanhankelijk, gehecht
poświęcony - gewijd, heilig, sacraal, geheiligd
poświęcony - geheiligd, gewijd, heilig, sacraal
pot - zweet
pot - zweten, transpireren
potajemnie - tersluiks, sluiks, steelsgewijs
potajemny - confidentie
potańcówka - bal, danspartij
potargać - opzetten, rechtop zetten
potas - kalium
potem - naderhand, dan, achteraf, daarna
potęga - heerschappij, macht, mogendheid
potępiać - afkeuren
potępiać - verdomme, verdomd, godverdomme
potępić - afkeuren
potępienia - wraking, verwerping, afkeuring
potępienia - wraking, afkeuring
potępienie - wraking, afkeuring
potężny - machtig
potknąć się - struikelen
potknięcie - struikelen
potok - vloed, bergstroom, stroom
potok - loop, stroom, stroming
potok - stromen, vloeien, lopen, vlieten
potok - beekje, beek
potok potokowy - pijp, tabakspijp
potok rzutowania - loop, stroom, stroming
potokowym przesyłaniem pakietów - bult, bochel
potomek - loot, jong, kind, afstammeling
potomek - nakomelingschap, kroost, zaad
potomek proces potomny potomny - nakomelingschap, kroost, zaad
potomność - nageslacht
potomstwo - loot, jong, kind, afstammeling
potomstwo - beginnend, aankomend
potop - zondvloed
potrafiący obsługiwać coś (maszyna - welbewust, bewust
potrafić - besturen, administreren, beheren
potrawa - schotel, schaal
potrawce - pan, braadpan, steelpan
potrawka - ragout
potrójny - drievoudig, driedubbel
potrząsać - schokken
potrzeba - noodzaak, noodzakelijkheid
potrzeba - nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten
potrzeba (życiowa) - nodig, benodigd
potrzebą - nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten
potrzebny - nodig, benodigd
potrzebować - nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten
potrzebujący - behoeftig, berooid, nooddruftig
potrzebujący odbioru - behoeftig, berooid, nooddruftig
potrzebujesz - wens, lust, verlangen, begeerte, zin
poturbować - aanvallen, aantasten
potwierdzać - controleren, checken, aflezen
potwierdzać uznać n potwierdzenie - agnosceren, als waarheid aannemen
potwierdzenia - erkenning
potwierdzenie (odbioru) - erkenning
potwierdzenie (odbioru) podziękowanie - erkenning
potwierdzenie odbioru - erkenning
potwierdzenie pozytywne - erkenning
potwierdzić - agnosceren, als waarheid aannemen
potwierdzić - erkennen, bekrachtigen, bevestigen
potwierdzić notarialnie - bevestigen, aannemen
potworność - monsterachtigheid
potworny - monsterachtig, gedrochtelijk
potwór - rotbeest, mormel
potykać się - struikelen
potylica - achterhoofd
pouczać - stichten
pouczenie - aanwijzing, consigne, instructie
poufny - binnenste, inwendige
poufny - vertrouwelijk, geheim
powab - aantrekkelijkheid
powab - lokken
powaga - autoriteit, gezag
powaga - stemmig, ernstig, bona fide, serieus
powaga - zwaartekracht
poważanie - achten, achting hebben voor
poważany - achtenswaardig, achtbaar
poważny - geruim, aanmerkelijk, aanzienlijk
poważny - stemmig, ernstig, bona fide, serieus
poważny - rouw-
poważny - belangrijk, ernstig, voornaam, erg
power-on self test - aanplakken
poweron self test - aanplakken
powiadamiać - adviseren, aankondigen, bekendmaken
powiadomienie - verkondiging, aankondiging
powiadomiony - welbewust, bewust
powiat - graafschap
powiązania - familiebetrekking, verwantschap
powiązanie - monteren, zetten
powiece - ooglid
powiedzieć - zeggen, opgeven
powieka - ooglid
powieka - bedekking, kaft, omslag, deksel
powielać - verveelvoudigen, multipliceren
powierzać - belasten met, opdragen, opdracht geven
powierzchnia - oppervlakte, areaal, gebied
powierzchnia - het hoofd bieden
powierzchnia - oppervlakte, oppervlak
powierzchnia czołowa - het hoofd bieden
powierzchnia kuli - kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied
powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków - spoor, wagenspoor, karrespoor
powierzchnia wyświetlania - oppervlakte, areaal, gebied
powierzchnia zapisu - oppervlakte, areaal, gebied
powierzchniowy tranzystor polowy - oppervlakkig, ondiep
powierzchowność - verschijning, verschijnen
powierzchowność - aanblik, aanschijn, buitenkant
powierzchowny - oppervlakkig, ondiep
powierzchowny - naar buiten, eruit, buitenwaarts
powierzchowny - gemakkelijk, vlot, makkelijk, licht
powierzyć ( komuś coś) - aanklacht, beschuldiging
powiesić - hangen
powiesić na zawiasach - scharnier
powiesić się - hangen
powieściopisarz - romanschrijver
powieść - klaarspelen, doorkomen, slagen
powieść - nieuw, opkomend
powieść się - nieuw, opkomend
powietrze - lucht
powiększać - verergeren, aandikken
powiększać - omvang, bestek, grootte
powiększać - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powiększać - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powiększać (się) - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powiększenia - uitbouwing, vergroting
powiększenie - opdrijven, verheffen, ophogen
powiększenie - wasdom, ontwikkeling, groei
powiększenie - uitbouwing, vergroting
powiększyć - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
powinność - verplichting, plicht
powinowactwo - affiniteit, verwantschap
powinowactwo elektronowe ujemne - affiniteit, verwantschap
powinszować - gelukwensen, feliciteren
powitać - feestelijk inhalen
powitać - hallo
powitać - groeten, begroeten
powitanie - feestelijk inhalen
powlec - overlappen
powłoka - schild, rugschild, schaal
powłoka wsadowa - schild, rugschild, schaal
powodować - afstammen, het gevolg zijn van
powodować - aanstoken, ophitsen, irriteren
powodować - doen, maken, laten doen, laten
powodzenia - geluk, welstand, bloei, voorspoed
powodzenie - welstand, voorspoed, geluk, bloei
powodzenie - geluk, welstand, bloei, voorspoed
powodzenie (operacji) - welstand, voorspoed, geluk, bloei
powoli - op zijn gemak, zachtjes, langzaam
powolny - langzaam
powolny - ontzien, sparen
powolny start - langzaam
powołanie - beroep
powoływać się - beweren, verzekeren
powoływać się - aanroepen
powód - reden, oorzaak
powód - aanstoken, ophitsen, irriteren
powód - doen, maken, laten doen, laten
powód (sądowy) - reden, oorzaak
powódź - zondvloed
powóz - opvoeden, onderwijzen
powrotny - hergeven, reproduceren, teruggeven
powrót - hergeven, reproduceren, teruggeven
powrót do nowego wiersza - hergeven, reproduceren, teruggeven
powróz - snaar, koorde, stemband
powstać - ontstaan
powstanie - muiten, rebelleren, in opstand komen
powstrzymać - tegenspartelen, tegenstreven
powstrzymać/zataić - verhinderen, verhoeden, beletten
powstrzymywać - bevatten, inhouden, behelzen
powstrzymywać - verhinderen, verhoeden, beletten
powstrzymywać się - zich onthouden, zich abstineren
powstrzymywać się od czegoś - zich onthouden, zich abstineren
powszechny - algemeen, universeel
powszechny - generaal
powściągliwość - bespreken, reserveren, intekenen
powściągliwość - breidel, teugel, toom
powściągnąć - bedwingen, beteugelen, betomen
powtarzać - herhalen, nazeggen
powtórce - herhalen, nazeggen
powtórka - herhaling, repetitie
powtórka (np. lekcji) - herhaling, repetitie
powtórzenia - herhaling, repetitie
powyżej - benoorden, ten noorden van
powyżej - op, omhoog, naar boven, opwaarts
powyższy - benoorden, ten noorden van
poza - zich aanstellen, zich voordoen
poza - daarbuiten, buiten, uiterlijk
poza - bovendien, verder, voorts, daarenboven
poza - verderop
poza - overigens, trouwens
poza - aanstellerij, onnatuurlijkheid
poza domem (na powietrzu) - zich aanstellen, zich voordoen
poza kolejką - benoorden, ten noorden van
poza zakresem - uitzonderen
pozbawić siły - snijden, ontmannen, castreren
pozbywać się - afhelpen
pozbywanie się - beschikking
pozdrawiać - groeten, begroeten
pozdrawiać - groeten, begroeten
pozdrawianie - saluut, groet
pozdrowienia - complimenteren
pozdrowienia - eerbiedigen, respecteren
pozdrowienie - saluut, groet
pozdrowienie - groeten, begroeten
pozew sądowy - gerechtszaak, geding, proces
poziom - aanleggen, aan de schouder brengen
poziom - gouvernement, regering, overheid
poziom intensywności - lopen, stappen, treden, schrijden
poziom żądania - aanleggen, aan de schouder brengen
poziomnica - aanleggen, aan de schouder brengen
poziomy - horizontaal, waterpas, platliggend
poziomy uprzejmości - aanleggen, aan de schouder brengen
pozłacać - vergulden
poznać - agnosceren, als waarheid aannemen
poznać (kogoś) - samenkomen, bijeenkomen, vergaderen
poznawać - kennen, bekend zijn met
pozornie - klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar
pozorny - aanwijsbaar, vertoonbaar
pozorny - virtueel
pozostać - rest, overblijfsel, rommel, afval
pozostać - achterblijven, nablijven
pozostać w łóżku - achterblijven, nablijven
pozostałość - rest, overige
pozostawać - achterblijven, nablijven
pozostawać w sprzeczności - in tegenspraak zijn met, tegenspreken
pozostawiać - op reis gaan, afreizen
pozować - zich aanstellen, zich voordoen
pozować - verderop
pozować - zich aanstellen, zich voordoen
pozowanie - aanstellerij, onnatuurlijkheid
pozór - aanmatiging, onbescheidenheid
pozwalać - toelaten, gedogen, toestaan
pozwany - aangeklaagde, beklaagde, beschuldigde
pozwolenia - toestemming, goedvinden, fiat
pozwolenie - toelaten, gedogen, toestaan
pozwolić - laten, laten begaan, laten schieten
pozwolić sobie - laten, laten begaan, laten schieten
pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś - laten, laten begaan, laten schieten
pozycja - graad, stand, status, rang
pozycja - plaats, oord, lokaal, plek
pozycja - item, deel, jaartelling, deeltje
pozycja cyfry - item, deel, jaartelling, deeltje
pozycja wyjściowa - houding, stand, positie
pozycja znaku - aanmelding
pozycja znaku - houding, stand, positie
pozycją - stationsgebouw, station
pozycją - item, deel, jaartelling, deeltje
pozytywny - positief, constructief
pożar - vuurzee, brand
pożar - ontzetten, royeren, ontslaan
pożarów itp - deskundig
pożądać - passie, roes, lust, hartstocht
pożegnać się - adieu, vaarwel
pożegnać się - vaarwel, adieu
pożegnania - vaarwel, adieu
pożegnania - vaarwel, adieu
pożegnanie - adieu, vaarwel
pożegnanie - vaarwel, adieu
pożegnanie - vaarwel, adieu
pożoga - vuurzee, brand
pożyczać (od kogoś) - lenen
pożyczać coś komuś - lenen, voorschieten, uitlenen
pożyczce - lenen
pożyczka - lenen
pożyczka - lenen
pożyczka hipotetyczna - lenen
pożyczyć - lenen
pożyteczny - bevorderlijk, dienstig, nuttig
pożywienie - eten, etenswaar, spijs, gerecht
pójść - lopen, van stapel lopen, gaan
półbajt - knagen, knabbelen
półce - schap, plank
półka - schap, plank
półkula - hemisfeer, halfrond
półmisek - schotel, schaal
północ - middernacht
północ - noorden
północ - noorden
północ (geograficzna) - noorden
północ (geograficzna) - noorden
północ (pora doby) - middernacht
północ pora doby - middernacht
północny - noorden
północny - noorden
północny - noords, noordelijk
północny wschód - noords, noordelijk
półprosta - actieradius, spaakbeen, radius
półwysep - schiereiland
później - naderhand, dan, achteraf, daarna
później - later
późniejszy - later
późno - vergevorderd, laat
późny - vergevorderd, laat
Późny, końcowy - terminal
póżniej - later
prac - werken, oeuvre
praca - emplooi, karwei, werk, arbeid
praca - functioneren, het doen
praca dorywcza - proefschrift, stelling, dissertatie
praca papierowa - handwerk
praca z podziałem czasowym - ter wereld brengen, bevallen
praca zawieszona - eredienst, dienst, godsdienstoefening
praca zespołowa - toepassing, aanwending
pracą - functioneren, het doen
pracą - emplooi, karwei, werk, arbeid
prace badawcze - speurwerk, speurtocht
pracodawca - werkgever
pracować - functioneren, het doen
pracować ponad siły - functioneren, het doen
pracować w ogrodzie - functioneren, het doen
pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji - functioneren, het doen
pracowitość - vlijt, naarstigheid, ijver
pracowity - ijverig, nijver, naarstig, vlijtig
pracowity - naarstig, ijverig, vlijtig, nijver
pracowity - naarstig, vlijtig, nijver, ijverig
pracownia - kast
pracownia - laboratorium
pracownik - werker
pracownik - werkkracht, arbeider, werker, werkman
pracownik - employé, werknemer, personeelslid
pracownik naukowo-badawczy - werker
pracownik naukowobadawczy - ingenieur
praczka - wasvrouw
prać swoje brudy publicznie - uitwassen, wassen, de was doen
praefixus - voorvoegsel
praepositio - voorzetsel
Praga - Praag
pragnący - bang, bezorgd, beducht, ongerust
pragnąć - trek hebben in, verkiezen, begeren
pragnąć - dorst
pragnąć z całego serca - trek hebben in, verkiezen, begeren
pragnienia - verlangend, smachtend
pragnienia - dorst
pragnienia - aanwakkeren, aanvuren, aansporen
pragnienie - trek hebben in, verkiezen, begeren
praktyczny - inschikkelijk, handelbaar
praktyczny - praktisch
praktyka - belevenis, ervaring, ondervinding
praktyka (zawodowa) - aanwenden, doorvoeren
praktykować - aanwenden, doorvoeren
praktykować - drillen, oefenen
pralni - wasserij
pralnia - wasserij
pralnia automatyczna - wasserij
pranie - wasserij
prasa - pers
prasa (ściskająca i drukowana) - zuiger
prasą - pers
prasować - ijzeren
prasowy - pers
pratykuła - item, deeltje, jaartelling, deel
prawa burta - stuurboord
prawa dostępu - manier, wijze, trant
prawda - juist, gelijk hebbend, gegrond
prawda - waarheid, waarachtigheid
prawda logiczna - waarheid, waarachtigheid
prawdą - waarheid, waarachtigheid
prawdopodobnie - waarschijnlijk
prawdopodobnie - waarschijnlijk
prawdopodobny - waarschijnlijk
prawdopodobny - waarschijnlijk
prawdziwie - werkelijk, wezenlijk
prawdziwy - juist, gelijk hebbend, gegrond
prawdziwy - daadwerkelijk, werkelijk, effectief
prawdziwy - authentiek, onvervalst
prawidłowo - juist, correct, goed
prawidłowy - erg, ernstig, belangrijk, voornaam
prawidłowy - normaal, standaard-
prawidłowy - gelijkmatig, regelmatig, geregeld
prawie - schier, bijkans, haast, bijna
prawie - schier, bijkans, haast, bijna
prawie - circulerend, in omloop
prawie nic - schier, bijkans, haast, bijna
prawniczy - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawnik - jurist
prawnik - verdediger, pleitbezorger, advocaat
prawny - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawo - titelen, tituleren, betitelen
prawo - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawo - recht
prawo - vrijdom, vrijheid, vlotheid
prawo - copyright, kopijrecht
prawo autorskie - balloteren, kiezen, stemmen
prawo autorskie - copyright, kopijrecht
prawo o podpisach cyfrowych - eigendom, eigendomsrecht
prawo wyborcze - wettig, wettelijk, gewettigd, legaal
prawo zwyczajowe - recht
prawomocny - strip, reep, band, strook, windsel
prawosławny - orthodox, rechtzinnig
prawosłowny - orthodox, rechtzinnig
prawostronny - rechter-, vandehands
prawość - gerechtigheid, billijkheid
prawowity - echten, legitimeren
prawoznawstwo - recht
prawoznawstwo dza - recht
prawy - billijk, rechtvaardig, fair
prawy - eerlijk, eerzaam, degelijk
prąd - actueel
prąd - elektriciteit
prąd - sap
prąd - loop, stroom, stroming
prąd (także elektryczny) - actueel
prąd elektryczny przepływ bieżący - actueel
prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu - gallon
precyzja wielokrotna - stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid
precyzją - stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid
precyzować - precies, scherp, juist, minutieus
precyzyjny - nauwkeurig, accuraat, nauwgezet
precyzyjny - stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid
precz - eerstvolgend, aanstaand, komend
precz! - vandoor, heen, verwijderd, over
preferować - prefereren, de voorkeur geven aan
prefiks - voorvoegsel
prefiks operatora - voorvoegsel
prefiks usługodawcy - voorvoegsel
premia - premie, prijs
premia - bonus
premią - bonus
premią - premie, prijs
premier - minister-president, premier
prenumerata - abonnement
prenumerator - abonnee
prenumerować - geabonneerd zijn op
preparat - voorbereidsel, voorbereiding
prerią - prairie
preselekcja - keus, alternatief, keuze
prestiż - autoriteit, prestige, gezag
prestiżowy - prestigieus
pretekst - verontschuldigen
pretekst - smoesje, smoes, draaierij, dekmantel
pretensja - aanmatiging, onbescheidenheid
pretensja - aanspraak maken op, claimen
pretensja - klapstuk, rundvlees
pretensjonalny - opzichtig, ostentatief
prezencją - bijzijn, presentie, aanwezigheid
prezent - tegenwoordig, actueel
prezent - gift, geschenk, donatie, cadeau
prezentacja przedstawienie - aanbieding, presentatie, optreden
prezentować - tegenwoordig, actueel
prezes zarządu - voorzitter, praeses, preses, president
prezydencie - voorzitter, praeses, president, preses
prezydent - voorzitter, praeses, president, preses
prezydent tam był - voorzitter, praeses, president, preses
prędko - gauw, hard, schielijk, in allerijl
prędkość - snelheid, vaart, spoed, radheid
pręga - schreef, haal, schrap, streek, streep
pręga - gallon
pręt - roede, gard, spitsroede, stokje
problem - kwestie, vraag, navraag
problem - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
problem roku 2000 - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
problem tłumaczenia adresu - rimpelen, fronsen
problem z bezpieczeństwem - haardos, haar
problem związany z siecią - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave
proboszcz - pastoor
procedura - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procedura pomiarowa - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procedura wspomagania programu - routine, sleur
procedura zagęszczania - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procedurą - bereidingswijze, procédé, werkwijze
procencie - rente, percent, procent
procent - rente, procent, percent
procent - belang inboezemen, interesseren
procentowość - rente, procent, percent
proces - gerechtszaak, geding, proces
proces - bewerking
proces - probeersel, proefstuk
proces rozruchu - gerechtszaak, geding, proces
proces zatwierdzania - bewerking
procesja - processie, stoet, optocht, omgang
procesować się - een proces aanspannen tegen
proch - buskruit, kruit
proch - bepoederen, poederen
proch strzelniczy - buskruit, kruit
produkcja - produktie, voortbrenging
produkcja seryjna - opbrengen, opleveren, afwerpen
produkcja wspomagana komputerem - ontwikkeling, eliminatie
produkcja wspomagana komputerowo - fabriceren, aanmaken, maken
produkcja wspomagana komputerowo - produktie, voortbrenging
produkcją - ontwikkeling, eliminatie
produkcją - produktie, voortbrenging
produkcyjny - geslachtelijk, seksueel, generatief
produkować - fabriceren, aanmaken, maken
produkować - opbrengen, opleveren, afwerpen
produkt - opbrengen, opleveren, afwerpen
produkt - produktie, gewrocht, opbrengst
produkt zakonserwowany - produktie, gewrocht, opbrengst
profanować - ontwijden, ontheiligen, profaneren
profesjonalny - professioneel, beroeps-
profesor - professor
profil - karakterschets
profil wykonania - karakterschets
profil zabezpieczeń - karakterschets
profilować - karakterschets
prognoza - voorspelling, prognose, verwachting
prognozą - beduiden, voorspellen, voorzeggen
prognozą - voorspelling, prognose, verwachting
program - laten blijken, manifesteren
program - programmeren
program - programmeren
program - akkoord, maatregel
program do tworzenia kopii zapasowych - vinger
program interpretujący - interpreter
program kontrolny - debugger
program obsługi urządzenia - conducteur, bestuurder
program organizacyjny - assistent, hulp, famulus, helper
program pierwotny - programmeren
program post-mortem - programmeren
program składowania - programmeren
program składowania (zawartości pamięci) - aanwending, toepassing
program sterujący - assistent, hulp, famulus, helper
program testujący - debugger
program typu królik - konijntje
program uruchomiajacy - debugger
program wspomagający - werktuig, middel
program zrzutu - aanwending, toepassing
program zrzutu - programmeren
program źródłowy - programmeren
programowa - tribune, leiding, podium
programowa) - tribune, leiding, podium
programu itp.) ilustracja - afbeelding, prent, plaat
projekcie - projecteren
projekt - werkje, schets, tekening
projekt - projecteren
projekt pilotażowy - projecteren
projekt szczegółowy - projecteren
projektor laserowy - projector, projectietoestel
projektować - werkje, schets, tekening
projektować - projecteren
projektowanie - werkje, schets, tekening
projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) - ontwikkeling, evolutie
proklamacja - declaratie, verklaring
proklamacją - declaratie, verklaring
proklamować - proclameren, uitvaardigen, afkondigen
proletariacie - proletariaat
proletariacki - proletariër
proletariat - proletariaat
proletariusz - proletariër
prolog - voorrede, proloog
prom - overzetboot, pontveer, pont, bak
promenada - wandeldreef, promenade, wandeldek
promienie słońca - zonneschijn
promieniować - straal, spaak
promieniować - uitstralen, stralen
promieniować (dosłownie i w przen.) - uitstralen, stralen
promieniować rozchodzić się promieniowo - uitstralen, stralen
promień - straal, spaak
promień - actieradius, spaakbeen, radius
promień słońca - zonnestraal
promień zginania - straal, spaak
promocja - bevordering, promotie
promocją - bevordering, promotie
promować - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
propaganda - verspreiding, propaganda
proponować - uitloven, bieden, aanbieden
proponować - aanwijzen, aangeven, aanduiden
proporcja - evenredigheid, proportie, verhouding
proporcja - proportie, verhouding, evenredigheid
proporcjonalny - proportioneel, evenredig
propozycja wstępna - huwelijksaanzoek, aanzoek
propozycją - bod, voorslag, aanbieding, aanbod
propozycją - huwelijksaanzoek, aanzoek
proroctwa - profetie, voorspelling, voorzegging
proroczy - funest, fataal, noodlottig
prorok - voorspeller, profeet, voorzegger
prorokować - voorzeggen, beduiden, voorspellen
prosa - gierst
prosić - vragen
prosić - bidden
prosić - vragen, aanvragen, inroepen, verzoeken
proso - gierst
prospekcie - prospectus
prosperować - gedijen, tieren, bloeien, floreren
prostacki - hardhandig, lomp, onkies, grof, ruw
prosto - direct, overeind, rechtop
prosto - rechter-, vandehands
prostopadły - normaal, standaard-
prosty - aalwaardig, aalwarig, eenvoudig
prosty - direct, live, recht, rechtstreeks
prosty - aalwarig, eenvoudig, aalwaardig
prosty - licht, vlot, makkelijk
prosty protokół zarządzania siecią - aalwarig, eenvoudig, aalwaardig
prosty protokół zarządzania siecią - aalwaardig, aalwarig, eenvoudig
prostytutka - hoer, lichtekooi, prostituée
proszek - bepoederen, poederen
proszę - behaaglijk, aantrekkelijk, bekoorlijk
proszę - voldaan, tevreden, vergenoegd
proszę - alsjeblieft, wees zo goed, alstublieft
proszkować - malen, vermalen, kwellen
prośba - aanwending, toepassing
prośba - vragen, aanvragen, inroepen, verzoeken
protekcja - bescherming
protektor - beschermheilige, beschermheer
protest - betwisten, bestrijden
protestancki - protestants
protestant - protestants
protestować - betwisten, bestrijden
proteście - betwisten, bestrijden
protokół - bekeuring, proces-verbaal, notulen
protokół IP dla łączy szeregowych - slippen, uitglijden
protokół odwrotnego tłumaczenia adresów - scheuren, rijten
protokół RARP - scheuren, rijten
protokół SGMP - aalwarig, eenvoudig, aalwaardig
protokół z potwierdzeniem pozytywnym - landkaart, kaart
protokół zmiany kierunku - bekeuring, proces-verbaal, notulen
proton - proton
prototyp - prototype
prowadnica - spoorstaaf, rail
prowadzące - nul
prowadzący - gebieder, chef, aanvoerder, baas
prowadzenie serwerów WWW - constructie, bouw, aanbouw
prowincja - gouvernement
prowincjonalny - gewestelijk, provinciaal
prowizja - rente, procent, percent
prowizoryczny - jury
prowokować - aanstoken, ophitsen, irriteren
proza - proza
prozą - proza
próba - probeersel, proefstuk
próba - herhaling, repetitie
próba - gehoor
próba - streven, trachten, pogen, moeite doen
próba (teatralna) - bedwingen, betomen, beteugelen
próba generalna - streven, trachten, pogen, moeite doen
próba generalna - dissertatie, proefschrift, stelling
próba odzyskania - probeersel, proefstuk
próba teatralna - streven, trachten, pogen, moeite doen
próba v próbować - examen, keuring, onderzoek
próbą - streven, trachten, pogen, moeite doen
próbą - moeite, poging
próbą - probeersel, proefstuk
próbą - streven, zich inspannen, pogen
próbce - proefstuk, proef, specimen, monster
próbka - proefstuk, proef, specimen, monster
próbka - proef, monster, specimen, proefstuk
próbka na sekundę - proefstuk, proef, specimen, monster
próbkować - bedwingen, betomen, beteugelen
próbować - streven, zich inspannen, pogen
próbować - smaken
próbować - incidenteel, toevallig
próbować - streven, trachten, pogen, moeite doen
próchnica - teelaarde, humus
próchnicą - verval
próchno - tonderzwam, tondel, tonder, zwam
prócz - ander
prócz tego - overigens, trouwens, verder
próg - drempel, dorpel
próg - drempel, dorpel
próg tylny - drempel, dorpel
próżni - luchtledige ruimte, vacuüm
próżnia - luchtledige ruimte, vacuüm
próżnia ultrawysoka - luchtledige ruimte, vacuüm
próżność - nietigheid, ijdelheid
próżny - vergeefs, ijdel, nutteloos
próżny - loos, ledig, leeg, lens, hol
prymitywny - onbeleefd, honds, onheus, lomp
prymitywny - primitief
prymitywny - grof, cru, onbewerkt, onbehouwen, bot
pryncypał - aanvoerder, chef, gebieder, baas
pryskać - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
pryszcz - op het kookpunt zijn, borrelen, koken
prysznic - een douche nemen, douchen
prywatny - besloten, privé-, particulier
pryzmat - prisma
prząść - spinnen
przebaczać - absolveren, absolutie geven
przebaczać - vergeven, begenadigen
przebaczenie - vergeven, begenadigen
przebicie dętki - appartement, flat
przebieg kurs - tracé, route, leergang, cursus, koers
przebiegłość - slim, listig, gewiekst, doortrapt
przebiegły - scherpzinnig, schrander, pienter
przebiegły - doortrapt, slim, gewiekst, listig
przebiegły - slim, listig, gewiekst, doortrapt
przebierać - soort, slag, aard
przebijać - barsten, splijten, scheuren
przebłysk - slaan, klappen, kloppen, opvallen
przebłysk - flitsen, flikkeren, gloren
przebój - slaan, kloppen, houwen, klappen
przebudzić - wakker maken, wekken, opwekken
przebudzony - wekken, wakker maken, opwekken
przeceniać - overschatten, overwaarderen
przecenić znaczenie - overschatten, overwaarderen
przechadzka - wandeldreef, promenade, wandeldek
przechodni - transitief, overgankelijk
przechodzień - voorbijganger
przechodzień - voetganger
przechowywać przenosić - vertraging
przechowywać w pamięci - reserveren, detineren, ophouden
przechwalać się - pochen, opscheppen, snoeven, bluffen
przechwycić - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
przechwycić - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
przechwycić - beetnemen, pakken, beetkrijgen
przechwytywać - beetnemen, pakken, beetkrijgen
przechwytywać - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
przechylać się - neigen, buigen, doen overhellen
przechylić - schragen, steunen, stutten
przechył - neigen, buigen, doen overhellen
przechył statku - uitlisten, een lijst maken
przeciążenie - congestie, bloedaandrang, aandrang
przeciążenie (np. sieci) - congestie, bloedaandrang, aandrang
przecięcie - inspringen
przeciętnie - ongeveer, een stuk of, circa
przecinek - komma
przeciskać się - door, per, met
przeciw - met, tegenaan, tegen, jegens
przeciwieństwo - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeciwległy - voor
przeciwnie do ruchu wskazówek zegara - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeciwnik - tegenstander
przeciwny - afkerig
przeciwny - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeciwny - tegenover, aan de overkant van
przeciwny czemuś - tegenstander
przeciwstawiać - dwarsbomen, tegenwerken, belemmeren
przeciwstawiać się - standhouden, bezwaar hebben tegen
przeciwstawiać się - uitdagen, tarten, trotseren, uittarten
przeciwstawić (się) - dwarsbomen, tegenwerken, belemmeren
przeciwstawienia - tegenstand, oppositie
przeciwstawienie - tegenstand, oppositie
przeciwstawny - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
przeczący - negatief, cliché
przeczesać - borstelen, schuieren
przeczyć - in tegenspraak zijn met, tegenspreken
przeczyć - ontkennen
przeczyszczający - laxeermiddel, laxans
przed - voor
przed - voorafgaand, verleden, voorgaand
przed południem - voor de middag, in de morgen
przed siebie - voor
przede wszystkim - benoorden, ten noorden van
przedefilować - ontwijden, profaneren, ontheiligen
przedimek nieokreślony - een
przedimek określony - aan de, het, aan het, de, naar de
przedkładać - knechten, onderwerpen
przedłożenia - aanbieding, presentatie, optreden
przedłożyć - knechten, onderwerpen
przedłużacz - achtervoegsel, suffix
przedłużać - langdurig, lang, lange tijd
przedłużenie - achtervoegsel, suffix
przedłużyć - uitleggen, doortrekken, rekken
przedłużyć (się) - uitleggen, doortrekken, rekken
przedmieścia - voorstad
przedmieście - voorstad
przedmiot - handelsartikel, artikel
przedmiot - mikpunt, onderwerp, object, ding
przedmiot oceny - handelsartikel, artikel
przedmowa - inleiding, introductie
przedmowa - voorrede, voorbericht, voorwoord
przedni plan - voorgrond
przedni plan (obrazu) - voorgrond
przednie światło (np. samochodu) - lichtbak, reflector, koplamp
przedpokój - hal
przedpokój - overgang, doorgang, passage
przedpołudnie - ochtend, morgen
przedpotopowy - antediluviaans, zeer oud
przedrostek - voorvoegsel
przedrostek negujący znaczenie wyrazów - on-, in-, im-
przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi - voorvoegsel
przedruk - nadruk, herdruk
przedrukować - nadruk, herdruk
przedrzeźniać - bespotten, spotten, honen
przedsiębiorca - koopman, handelaar, zakenman
przedsiębiorca (budowlany) - bouwondernemer, aannemer
przedsiębiorczy - ondernemend
przedsiębiorstwa - firma, handelsfirma, handelshuis
przedsiębiorstwa - bedrijf, onderneming
przedsiębiorstwo - bedrijf, onderneming
przedsiębiorstwo - Maria-Hemelvaart
przedsięwziąć - ondernemen
przedsięwziąć - zich wagen aan, aandurven
przedsięwzięcie - zaak, aangelegenheid, ding, affaire
przedsięwzięcie - bedrijf, onderneming
przedsięwzięcie - zich wagen aan, aandurven
przedstawiać - verbeelden, uitbeelden, afbeelden
przedstawiać (na scenie) - opdraven, opdagen
przedstawiać obecny - tegenwoordig, actueel
przedstawiający - gedeputeerde, afgevaardigde
przedstawiciel - vertegenwoordiger, dealer, agent
przedstawicielstwo - agentschap
przedstawić - uitvoeren, presenteren, indienen
przedstawić (kogoś) - uitvoeren, presenteren, indienen
przedstawić kogoś - uitvoeren, presenteren, indienen
przedstawienia - tentoonstelling, expositie
przedstawienia - laten blijken, manifesteren
przedtem - al, reeds, alvast, alreeds
przedtem - voor
przedwstępny - voorafgaand, preliminair
przedyskutować - bespreken, discuteren
przedział - branche, vak, tak, afdeling
przedział - legerafdeling, divisie
przedział dla niepalących - branche, vak, tak, afdeling
przedział kolejowy - interval, tussenruimte
przedział synchronizacji - interval, tussenruimte
przedziurawić - Jan Klaassen
przedziurawić - stompen
przegapić - missen, mislopen, misgrijpen
przegląd - recenseren, bespreken
przegląd wstępny - recenseren, bespreken
przeglądać - uitzicht
przeglądać - afgrazen
przegródce - afdeling, branche, vak
przegrywać - mul, rul
przegub - pols, handwortel
przegub (dłoni) - pols, handwortel
przejazd - overloop, gang, baan, rijstrook
przejażdżka - uitstapje, toer, tocht, trip, excursie
przejażdżka łodzią - toer, tocht, reis, trip
przejąć - bemachtigen, aangrijpen, grijpen
przejezdny - los, mobiel, beweegbaar, roerend
przejęcia - Maria-Hemelvaart
przejęzyczenie - terugvallen
przejścia - overloop, gang, baan, rijstrook
przejścia - steeg
przejście - overgang, passage, doorgang
przejście kolorów - pensioen
przejście na emeryturę - metro
przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę - poort
przejście wielokrotne - overloop, gang, baan, rijstrook
przejściówka - bewerker
przejść - aftreden, met pensioen gaan
przejść się - trekken, rondtrekken, rondreizen
przejść się - wandeling, wandelen, tippel
przekaz - transfer, afdracht
przekaz (danych) - transporteren, overbrengen, voeren
przekazanie (np. odpowiedzialności - afvaardiging, delegatie
przekazywać - inhalen
przekazywać przebieg - opsturen, sturen, doen toekomen
przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki - opnemen, afboeken
przekąsce - twaalfuurtje, lunch
przekąska - twaalfuurtje, lunch
przekląć - ketteren, vloeken, godlasteren
przekleństwo - eed, bezwering
przekleństwo - verdomme, verdomd, godverdomme
przekleństwo - ketteren, vloeken, godlasteren
przeklinać - ketteren, vloeken, godlasteren
przeklinać - verdomme, verdomd, godverdomme
przeklinać - eed, bezwering
przekład - uitvoering, versie
przekład - translatie, translaat, overzetting
przekładni - kamrad, kamwiel, tandrad, tandwiel
przekonania - overtuiging
przekonanie - overtuiging
przekonujący - gangbaar, geldig, geldend, vigerend
przekonywać - overtuigen
przekonywać - overtuigen
przekonywać - twisten, disputeren, krakelen
przekonywanie - overreding
przekraczać - overtreffen, te boven gaan
przekraczać - inhalen
przekraczać - overtroeven, overtreffen
przekraczająco - bijzonder, buitengewoon
przekręcać - kronkelen
przekroczenie - beledigen, krenken, affronteren
przekroczenie - geweldpleging, geweld
przekroczyć - overtreffen, te boven gaan
przekroczyć stan konta - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
przekrój - branche, vak, tak
przekształcać - vervormen
przekształcać - masseren
przekształcać - bekeren
przekształcać na postać cyfrową - vervormen
przekształcać transformata - vervormen
przekształcić - vervormen
przekupić - bederven, verbasteren, omkopen
przelew - opnemen, afboeken
przelew - bloedvergieten
przelew krwi - opnemen, afboeken
przelewać - overtollig, overbodig
przelot - vlucht, vliegtocht
przelotny - een douche nemen, douchen
przełączać - omleggen, omschakelen, overschakelen
przełącznik zmianowy - roede, gard, spitsroede, stokje
przełączyć - klaar, afgewerkt, afgelopen, beëindigd
przełączyć - roede, gard, spitsroede, stokje
przełomowe wydarzenie - mijlpaal
przełożony - opperste, prevalent, superieur
przełykać - slikken, doorslikken, inslikken
przemawiać - praten, spreken
przemawiać - adresseren
przemądrzały - geraffineerd
przemienić - anders maken, veranderen
przemienny - afwisselend
przemienny - afwisselend
przemierzać - getrappel, gestamp
przemieszczenie - verschuiving
przemieszczenie - gaan naar, aanpakken, genaken, naderen
przemieścić - verrekken, ontwrichten, verstuiken
przemijać - inhalen
przemiły - heerlijk, kostelijk, overheerlijk
przemoc - geweldpleging, geweld
przemóc - bedelven, overstelpen, verpletteren
przemówienia - rede, redevoering, speech, oratie
przemówienie - adresseren
przemówienie - rede, redevoering, speech, oratie
przemycać - smokkelen
przemysł - vlijt, naarstigheid, ijver
przemysł cukrowniczy - farmacie, artsenijbereidkunde
przemysł stoczniowy - weefsel
przemysł włókienniczy - vlijt, naarstigheid, ijver
przemysłowca - industrieel
przemysłowy - industrie-, industrieel
przemyt - smokkelwaar, contrabande
przemytnik - smokkelaar, sluikhandelaar
przemywać - uitwassen, wassen, de was doen
przen. wigor - sap
przenajświętszy - oprit, oprijlaan
przeniesienie równoległe - opnemen, afboeken
przenieść - dragen, voorhebben, voeren, brengen
przenieść - opnemen, afboeken
przenieść przeniesienie - ontroeren, aangrijpen, bewegen
przenikać - doordringen, binnendringen, doorstoten
przenikliwy - bijtend, fel, guur, doordringend
przenikliwy - kras, levendig, rap, kwiek, druk
przenikliwy (ból) - snibbig, bits
przeniknąć - doordringen, binnendringen, doorstoten
przenocować ( kogoś) - afstemmen, aanpassen, adapteren
przenosić - transporteren, overbrengen, voeren
przenosić - aanreiken, aangeven, afdragen
przenosić (na inną platformę systemową) aanreiken, aangeven, afdragen -
przenośnie - oneigenlijk, figuurlijk
przenośny - oneigenlijk, figuurlijk
przenośny - los, mobiel, beweegbaar, roerend
przenośny - draagbaar, portable
przenośny automatyczny system telefoniczny - oneigenlijk, figuurlijk
przeoczyć - verzaken, nalaten, uitlaten
przeor - voorafgaand, verleden, voorgaand
przeorać - omploegen, ploegen, beploegen
przepaść - afgrond
przepaść - golfspel, golf, inham, bocht, boezem
przepaść - baai, inham, kreek
przepaść - afgrond, kolk
przepierzenie - schifting, afscheiding, clausuur
przepiórce - kwartel
przepiórka - patrijs
przepiórka - kwartel
przepis - heerschappij, bewind, bestuur
przepis - recept
przepis - voor voldaan tekenen, kwiteren
przepis - recept
przepisach - reglement
przepisy - aanwijzing, consigne, instructie
przepisy - reglement
przepłukiwać - bevloeien, gieten, begieten, sproeien
przepływ - stromen, vloeien, lopen, vlieten
przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok - stromen, vloeien, lopen, vlieten
przepowiadać - voorzeggen, voorspellen, beduiden
przepowiednia - profetie, voorspelling, voorzegging
przepraszać - zich verontschuldigen
przepraszam - verontschuldigen
przeprosić - zich verontschuldigen
przeprosiny - verontschuldiging
przeproszenie - verontschuldiging
przeprowadzić (plan) - dragen, voorhebben, voeren, brengen
przeprowadzić się - reinigen, schoonmaken, louteren
przeprowadzić wywiad - interviewen
przepustce - toelaten, gedogen, toestaan
przepustka - toelaten, gedogen, toestaan
Przepuszczać (np. strumień gazu) - inhalen
przerabiać - anders maken, veranderen
przerazić - schrik aanjagen, doen schrikken
przerażać - schrik aanjagen, doen schrikken
przerażenie - consternatie, ontsteltenis
przerażenie - gruwel, gruweldaad, verschrikking
przeróbka - modificatie, bewerking, aanpassing
przerwa - opening, bres, gaping
przerwa międzyrekordowa (na nośniku nformacji) - adempauze
przerwa start-stop - pauzeren
przerwa w podróży - interruptie, schorsing, onderbreking
przerwać - uittreden, aftreden, bedanken
przerwać - opvrolijken, amuseren, onderhouden
przerwać - een miskraam krijgen, mislukken
przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) - een miskraam krijgen, mislukken
przerwanie - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerwanie - interruptie, schorsing, onderbreking
przerwanie integer liczba całkowita - afbreken
przerwanie zewnętrzne - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerwą - rust, pauze
przerwą - interruptie, schorsing, onderbreking
przerwą - pauze, rust
przerywać - afmaken, beëindigen, afsluiten
przerywać - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerywać - stoppen, aflaten, ophouden
przerywać - een miskraam krijgen, mislukken
przerywać coś - interrumperen, schorsen, onderbreken
przerywać przerwanie - interruptie, schorsing, onderbreking
przerywany - hortend, intermitterend
przerzedzać - sprietig, schraal, mager
przerzutnik - haan van een vuurwapen
przesadzać - chargeren, overdrijven
przesąd - vooroordeel, vooringenomenheid
przesąd - bijgeloof
przesądny - bijgelovig
przesiadać się - veranderen, anders maken
przesiąknąć - in de week zetten, weekmaken, weken
przesiewać - zeven, ziften
przeskoczyć - springen
przeskok - hinkelen
przeskok - springen
przeskok - podium, bestuur, tribune, leiding
przesłać - ontbinden, annuleren, afgelasten
przesłać dalej - voorspeler, aanvaller
przesłona - scherm, schut
przesłona (falowodu) - Iris
przesłonić - afbeulen, afjakkeren, afmatten
przesłuchanie (świadka) - gehoor
przesłuchiwać - een verhoor afnemen, ondervragen
przesmyk - inhalen
przespać się - sluimeren, druilen, dutten
przestać - uittreden, aftreden, bedanken
przestankowanie - punctuatie, interpunctie
przestarzały - mottig
przestawić - verschuiving
przestępca - misdadig, snood, crimineel
przestępczy - misdadig, snood, crimineel
przestępstwa - misdaad, misdrijf
przestępstwo komputerowe - misdaad, misdrijf
przestraszony - lafhartig, laf, bang
przestraszyć - doen schrikken, schrik aanjagen
przestraszyć - verjagen, afschrikken
przestroga - waarschuwing, tip
przestronny - ruim, breedvoerig, royaal, groot
przestrzec - waarschuwen
przestrzegać - opvolgen, handelen volgens
przestrzegać - gehoorzamen
przestrzegać - blijven
przestrzegać (coś) - te wachten staan, afhalen, wachten
przestrzegać normy - samenkomen, bijeenkomen, vergaderen
przestrzenny - ruim, breedvoerig, royaal, groot
przestrzeń - verspreiden, verbreiden, afgeven
przestrzeń (także kosmiczna) - ruimte, bestek, wereldruim, speling
przestudiować - onderzoeken, nakijken, examineren
przestudzić - afkoelen
przesunąć - dragen, voorhebben, voeren, brengen
przesunąć - verrekken, ontwrichten, verstuiken
przesunięcie - tournee, rondreis
przesunięcie - verschuiving
przesunięcie - afstand, eind
przesunięcie logiczne - verschuiving
przesunięcie w lewo - beweging
przesunięcie w prawo - afstand, eind
przesuń - ontroeren, aangrijpen, bewegen
przesuń w prawo - beweging
przesuwać - verschuiving
przesyłanie z potwierdzeniem - opnemen, afboeken
przesyłka - pakje
przesyłka komunikat - bericht, boodschap
przeszkadzać - beletten, verhinderen, verhoeden
przeszkadzać - doorkruisen, belemmeren, beletten
przeszkadzać - storen, belemmeren, hinderen
przeszkoda - barriere, afsluiting, hek, heining
przeszkoda - storing
przeszkoda - hindernis, beletsel, hinderpaal
przeszłość - verleden, verleden tijd
przeszły - verleden, verleden tijd
przeszukać - kruipen
przeszukiwać - speurtocht, speurwerk, zoektocht
przeszukiwać przeglądać - scanderen
prześcieradło - blad, vel
prześcigać - overtroeven, overtreffen
prześladować - najagen, nastreven
prześladować - achtervolgen, najagen, vervolgen
prześladować - beklemmen, obsederen
prześladowania - vervolging, achtervolging
prześladowanie - vervolging, achtervolging
przetarg - auctie, afslag, mijn, vendu, veiling
przetarg - gunning, aanbesteding
przeterminować się - aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen
przetłumaczyć - translateren, overzetten, vertalen
przetransportować - transporteren, overbrengen, voeren
przetrawić - verteren, verduwen, digereren
przetrwać - voorgaand, verleden, voorafgaand
przetrwać - doorleven, doormaken, beleven
przetrząsać - speurtocht, speurwerk, zoektocht
przetrzeć się - schaven, afschaven
przetrzymywać - blijven
przetwarzać - bekeren
przetwarzać - masseren
przetwarzać - vervormen
przetwarzać (tekst) - masseren
przewaga - pré, voordeel
przeważnie - overwegend, merendeels, grotendeels
przeważyć - pré, voordeel
przewężenie - middel, leest, taille
przewidywać - anticiperen, prejudiciëren
przewidywać - beduiden, voorspellen, voorzeggen
przewidywać - bedacht zijn op, verwachten
przewidywanie rozgałęzienia - beduiden, voorspellen, voorzeggen
przewidzieć - wachten, afhalen, te wachten staan
przewidzieć - anticiperen, prejudiciëren
przewietrzyć - frisse lucht toewaaien, wannen, waaien
przewietrzyć - lucht
przewietrzyć - uitluchten, spuien, luchten
przewietrzyć się - lucht
przewlec - draad, garen
przewlekły - lange tijd, langdurig, lang
przewodni - leidend, toonaangevend, toongevend
przewodniczący - voorzitter, praeses, preses, president
przewodniczący - voorzitter, praeses, president, preses
przewodniczący Rady Nadzorczej - voorzitter, praeses, preses, president
przewodniczyć - voorzitten, presideren
przewodnik - gebieder, chef, aanvoerder, baas
przewodnik - gidsboek, reisgids, gids, vademecum
przewodnik - besturen, richten, dirigeren, mennen
przewodnik - conducteur, bestuurder
przewozić - overzetboot, pontveer, pont, bak
przewoźny - oneigenlijk, figuurlijk
przewód - metaaldraad, draad
przewód - snaar, koorde, stemband
przewód - conducteur, bestuurder
przewód zerowy - neutraal, afzijdig, onpartijdig
przewód zerowy - metaaldraad, draad
przewóz - affuit
przewóz - beweging
przewracać - anders maken, veranderen
przewrocie - revolutie, omwenteling
przewrotny - pervers, verdorven
przewrót - revolutie, omwenteling
przewyższać - overtroeven, overtreffen
przewyższać liczebnie - overtreffen, te boven gaan
przez - door, per, met
przez - aan, nabij, naast, bij, dichtbij
przez całą dobę - dwars door
przez całą noc - dwars door
przez cały - dwars door
przez radio - in, binnen, per, te
przez to - door, per, met
przeziębienia - koud
przeziębienie - koud
przeznaczać - gepast, passend, geschikt
przeznaczać - bestemmen, uittrekken
przeznaczenie - lot, bestemming, lotsbestemming
przeznaczenie - lotsbestemming, bestemming, lot
przeznaczenie adresat docelowy - doelstelling, doel, wit, doelwit, honk
przeznaczenie nieosiągalne - ontvanger
przeznaczyć - verloten, loten
przeznaczyć - bestemmen, uittrekken
przeznaczyć - mikken, mikken op, beogen, bedoelen
przeznaczyć - geabonneerd zijn op
przeznaczyć (coś na jakiś cel) - geabonneerd zijn op
przeznaczyć (coś na jakiś cel) - spanderen, opdragen, spenderen
przezorny - behoedzaam, voorzichtig
przezwyciężyć - geweld aandoen, overmeesteren
przezwyciężyć - waarschuwen
przeżegnać się - kruisen, over elkaar slaan
przeżycie - belevenis, ervaring, ondervinding
przeżyć - doorleven, doormaken, beleven
przędza - kronkelen
przodek - voorvader, stamvader, voorzaat
przodek (w kopalni) - het hoofd bieden
przodkowie - afdaling
przód - voorzijde, voorkant
przód kompilatora - voorzijde, voorkant
przswoić - in zich opnemen, assimileren
prztoczyć - aanhalen, citeren, noemen
przy - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
przy - beneden
przy forsie - uur
przy rejestracji na taśmie magnetycznej - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
przy świetle świec - aan, nabij, naast, bij, dichtbij
przy zdrowych zmysłach - aan, nabij, naast, dichtbij, bij
przybliżony - benaderen
przybliżony czas - benaderen
przybrać postać ( czegoś) - aandoen, aangrijpen
przybranie - Maria-Hemelvaart
przybrany - aangenomen, geadopteerd
przybudówce - luifel, afdak
przybycie - bezorging, aanvoer
przybyć - aankomen, belanden, arriveren
przybywać - buit maken, verkrijgen, behalen
przybywać się - buit maken, verkrijgen, behalen
przychodnia - kliniek
przychylic się - lid worden
przyciągać - toelachen, bekoren, aanlokken
przyciągać - toelachen, aanlokken, bekoren
przyciągać uwagę - toelachen, aanlokken, bekoren
przyciągający uwagę - aanlokkelijk, aantrekkelijk
przyciąganie - aantrekkelijkheid
przyciąganie - zwaartekracht
przycinać - snoeien
przycisk - drukknoop
przycisk - heft, hals, handvat, gevest, knop
przycisk - dichtknopen
przycisk z grafiką rastrową - dichtknopen
przycisk zwalniania myszki - dichtknopen
przyczepa - aanhangwagen
przyczepa turystyczna - karavaan
przyczepą - aanhangwagen
przyczepiać - aanhechten
przyczepić - aanhechten
przyczepność - grip, adhesie
przyczyna - doen, maken, laten doen, laten
przyczyna - reden, oorzaak
przyczyniać się - bijdragen
przyćmiewać - schemerig
przyćmiony - schemerig
przydarzyć się - toegaan, voortgang hebben, gebeuren
przydatność - geschiktheid
przydatność - geschiktheid
przydatny - bevorderlijk, dienstig, nuttig
przydatny - liquide, beschikbaar, disponibel
przydomek - benaming, naam, naamwoord
przydzielać - verloten, loten
przydzielać - gepast, passend, geschikt
przydzielać - verzenden
przydzielać (środki) adj odpowiedni - betekenen, dagen, dagvaarden
przydzielić - betekenen, dagen, dagvaarden
przydźwięk - snorren, gonzen, razen, brommen
przyglądać się dokonywać przeglądu - staren, aanstaren, turen
przygnać - brengen, aandragen, bezorgen
przygnębiony - naargeestig, troosteloos, somber
przygniatający - drukkend, zwaar
przygoda - avontuur, perikel, lotgeval
przygodą - avontuur, perikel, lotgeval
przygodność - eventualiteit
przygodny - eventueel, gebeurlijk
przygotować - toebereiden, bereiden, aanmaken
przygotować (się) - toebereiden, bereiden, aanmaken
przygotowania - voorbereidsel, voorbereiding
przygotowanie - voorbereidsel, voorbereiding
przygotowanie - achtergrond
przygotowawczy - voorafgaand, preliminair
przygotowawczy - voorafgaand, preliminair
przygotowujący - voorafgaand, preliminair
przygotowywać - toebereiden, bereiden, aanmaken
przygryzać - knagen, knabbelen
przygwoździć - spijkeren, nagelen
przyholować - trekken, slepen, boegseren
przyimek - voorzetsel
przyjaciel - bakstenen, stenen
przyjaciel - makker, kameraad, kornuit, maat
przyjaciel - vriendin
przyjacielski - voorkomend, aardig, lief, vriendelijk
przyjazd - bezorging, aanvoer
przyjazdach - bezorging, aanvoer
przyjazny - voorkomend, lief, aardig, vriendelijk
przyjaźń - vriendschap
przyjąć - zich eigen maken, adopteren
przyjąć standard - toegeven
przyjechać - aankomen, belanden, arriveren
przyjemność - pret, genoegen, vermaak, plezier
przyjemny - behaaglijk, aangenaam, genoeglijk
przyjemny - genoeglijk, behaaglijk, aangenaam
przyjemny - genoeglijk, aangenaam
przyjemny - behaaglijk, aantrekkelijk, bekoorlijk
przyjemny (zapach) - behaaglijk, aangenaam, genoeglijk
przyjemny (zapach) - aangenaam, behaaglijk, genoeglijk
przyjezdny - vreemdeling, onbekende, vreemde
przyjęcia - aanvaarding, aanneming, onthaal
przyjęcie przerwania - aanvaarding, aanneming, onthaal
przyjmować - aanvaarden, aannemen, accepteren
przyjmować - claimen, aanspraak maken op
przyjmować - aannemen, affiliëren
przyjmować - zich eigen maken, adopteren
przyjmować - toegeven
przyjmować - toejuichen, bij acclamatie benoemen
przyjmować - accepteren, aanvaarden
przyjmować jako członka ( kogoś) - aannemen, affiliëren
przyjmować uznaniem - accepteren, aanvaarden
przyjmować w poczet członków - accepteren, aanvaarden
przyjmować z uznaniem - eerbetoon, eerbetuiging
przyjść - aankomen, belanden, arriveren
przyjść - afstammen, het gevolg zijn van
przykład - toonbeeld, voorbeeld
przykrość - smart, verdriet, leed
przykry - onaardig, honds, nurks, nors, bars
przykry - onbewerkt, bot, onbehouwen, grof, cru
przykry - afschuwelijk
przykucnąć - in elkaar duiken, hurken
przykuwać - klinken, vastklinken
przylądek - Kaaps
przylądek - kaap
przylegać - belenden, grenzen aan
przylegać (do czegoś) - belenden, grenzen aan
przyleganie - grip, adhesie
przyległy - aangrenzend, aanliggend
przylot - bezorging, aanvoer
przyłaczyć - zich aansluiten, lid worden, toetreden
przyłapać - aanfloepen, aanflitsen, aangaan
przyłączać - aanhechten
przyłączanie - aanhechting
przyłączyć - aanhechten
przyłączyć - monteren, zetten
przyłączyć nawiązać łączność - verbinden, aan elkaar vastmaken
przyłożenie - aanwending, toepassing
przyłożyć - aanwenden, doorvoeren
przymiar - meten
przymiar - heerschappij, bewind, bestuur
przymiarka - betamelijk, behoorlijk, fatsoenlijk
przymiot ik - bijvoeglijke bepaling, attribuut
przymiotnik - bijvoeglijk naamwoord, adjectief
przymiotnikowy - bijvoeglijk
przymocować - aanhechtsel, affix
przymocować - smart, verdriet, leed
przymocować - bevestigen, fixeren, bepalen
przymocowywać - aanhechten
przymusowy - bindend, dwingend, gedwongen
przynaglać - aanwakkeren, aanvuren, aansporen
przynajmniej - geheel, ten volle, heel, volkomen
przynależność - lidmaatschap
przynęcie - aas, lokaas
przynęcie - lokken
przynęta - lokken
przynęta - lokken
przynęta - aas, lokaas
przynieść - brengen, aandragen, bezorgen
przynieść pożytek - brengen, bezorgen, aandragen
przynosić - brengen, aandragen, bezorgen
przynosić - brengen, bezorgen, aandragen
przynosić plon - het veld ruimen, afstaan
przypadek - incidenteel, toevallig
przypadek użycia - ongeluk, accident, ongeval
przypadek wcielenie - ongeluk, accident, ongeval
przypadkowość - eventualiteit
przypadkowy - toevallig, incidenteel
przypadkowy - eventueel, gebeurlijk
przypadkowy - chaotisch
przypadkowy - incidenteel, toevallig
przypadkowy - incidenteel, toevallig
przypadłość - droefheit, hartzeer, beproeving
przypiąć - kegel
przypiekać na ruszcie - rooster, hek, afrastering, traliehek
przypis - aantekening, commentaar
przypis końcowy - nabeschouwing
przypisać - betekenen, dagen, dagvaarden
przypisywać (
przypływ - aan de scharrel zijn, fladderen
przypływ - tij, getij
przypominać - herinneren
przypominać - zich herinneren, onthouden, gedenken
przypominać - zich herinneren, gedenken, onthouden
przypomnieć - herinneren
przypomnieć sobie - zich herinneren, gedenken, onthouden
przypomnieć sobie - zich herinneren, onthouden, gedenken
przyprawa - op smaak brengen, kruiden
przyprawa - kruiden
przyprawą - kruiden
przyprawiać (potrawę) - kruiden, op smaak brengen
przyprzeć do muru - accapareren, opkopen
przypuszczać - menen, vermoeden, stellen
przypuszczalnie - toegegeven
przypuszczenia - gissen, vermoeden
przypuszczenia - onderstelling, hypothese, mening
przypuszczenia - arrogantie, verbeelding
przypuszczenia - gissing
przypuszczenia - vermoeden, gissen
przypuszczenie - Maria-Hemelvaart
przypuszczenie - arrogantie, verbeelding
przypuszczenie - onderstelling, hypothese, mening
przyroda - karakter, geaardheid, aard
przyrost naturalny - uitbouwen, vergroten, uitbreiden
przyrost naturalny - opdrijven, verheffen, ophogen
przyrostek - suffix, achtervoegsel
przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku - instrument, werktuig
przyrząd) - aanhechting
przyrządzać - toebereiden, bereiden, aanmaken
przyrządzanie - voorbereidsel, voorbereiding
przyrzec - beloven, toezeggen, uitloven
przyrzeczenia - plechtig beloven
przyrzeczenie - beloven, toezeggen, uitloven
przyrzekać - beloven, toezeggen, uitloven
przysiędze - eed, bezwering
przysięga - eed, bezwering
przysięgać - ketteren, godlasteren, vloeken
przysłaniać - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
przysłowie - spreekwoord
przysłówek - adverbium, bijwoord
przysłówkowy - bijwoordelijk
przysługa - eredienst, dienst, godsdienstoefening
przysmak - beminnelijk
przysmażyć - bakken, fruiten
przyspieszać - verhaasten, bespoedigen, accelereren
przyspieszenie - versnelling, acceleratie
przyspieszenie ziemskie - versnelling, acceleratie
przyspieszyć - voortmaken, spoed maken, haast maken
przysposobić - zich eigen maken, adopteren
przysposobienie - afstelling, instelling
przystanek - logeren
przystań - landingsplaats, aanlegplaats, steiger
przystawać na - lid worden
przystąpić - te werk gaan
przystępny - liquide, beschikbaar, disponibel
przystępny - aanspreekbaar
przystępny - genaakbaar, toegankelijk
przystojny - goeduitziend
przystojny - fijn, schoon, net, fraai, knap, mooi
przystosować - afstemmen, aanpassen, adapteren
przystosować - toegevend, inschikkelijk, meegaand
przystosować - afstemmen, aanpassen, adapteren
przystosować (się) - afstemmen, aanpassen, adapteren
przystosowania - geschiktheid
przystosowanie - modificatie, bewerking, aanpassing
przystosowanie się - aanpassing
przystosowany - congruent
przystrzyc - afzetten, beslaan, garneren
przyswajać - in beslag nemen, opslorpen, absorberen
przyswajanie - absorptie, opslorping
przyszłość - beginnend, aankomend
przyszły - beginnend, aankomend
przyśpieszać - verhaasten, bespoedigen, accelereren
przyśpieszać - afdoen, afhandelen, afwikkelen
przytaczać - het veld ruimen, afstaan
przytaczać apostrof cudzysłów - aanhalen, citeren, noemen
przytakiwać - ja knikken, knikken
przytępiać - afschrijven, aflossen, afbetalen
przytłumić - knechten, onderwerpen
przytłumiony - schemerig
przytomny - welbewust, bewust
przytrzymanie do czegoś - aanhouding, arrestatie
przytułek - aalmoezeniershuis, armhuis
przytułek - bunker, kazemat
przytułek - toevlucht
przytułek - toevluchtsoord, asiel, asyl
przytułek - armhuis, aalmoezeniershuis
przywarą - ondeugd, gebrek
przywiązać - aanhechten
przywiązać się do kogoś - aanhechten
przywiązanie - affect, emotie, aandoening
przywiązanie - aanhechting
przywiązanie do czegoś - aanhechting
przywiązany - aanhalig
przywiązany do czegoś - aanhalig
przywidzieć się - opdraven, opdagen
przywilej - charter, handvest, vrachtcontract
przywilej - preferentie, privilege, prae
przywilej - titelen, tituleren, betitelen
przywitania - feestelijk inhalen
przywitanie - saluut, groet
przywłaszczyć sobie - gepast, passend, geschikt
przywoływanie - zich herinneren, gedenken, onthouden
przywozić - importeren, invoeren
przywódca - aanvoerder, baas, gebieder, chef
przywracać - beter worden, genezen, helen
przyznać - toegeven
przyznać - verloten, loten
przyznać się - toegeven
przyznać się do czegoś - toegeven
przyznać że - agnosceren, als waarheid aannemen
przyznawać - pensioen
przyznawać rentę - erkennen, bekennen, biechten, toegeven
przyzwalać - het eens zijn, toegeven, goedvinden
przyzwalający - aangenaam, behaaglijk, genoeglijk
przyzwoicie - naar behoren, netjes, behoorlijk
przyzwoitce - chaperonne
przyzwoitka - chaperonne
przyzwoitość - landgoed, boerderij, bezitting
przyzwoity - betamelijk, fatsoenlijk
przyzwolenie - toestemming, goedvinden, fiat
przyzwyczaić - gewoon, gebruikelijk
przyzwyczaić - gewend zijn, plegen, gewoon zijn
przyzwyczaić się - acclimatiseren
przyzwyczajać - gewend zijn, plegen, gewoon zijn
przyzwyczajenie - aanwensel, hebbelijkheid
przyzwyczajony - afgewerkt, gebruikt
przyzwyczajony - gewoon, gebruikelijk
przyzywać - noemen, heten, benoemen, uitmaken voor
psalm - psalm
pseudonim - pseudoniem, schuilnaam
psi - honden-, honde-
psikus - aanwensel, hebbelijkheid
psocie - tuigen, optakelen, optuigen
psotny - boosaardig, hatelijk, kwaadaardig
pstrąg - forel
psucie się - vergaan, verrotten, rotten, bederven
psuć - bederven, havenen, beschadigen
psuć się - vergaan, bederven, verrotten, rotten
psychiatra - psychiater
psychiatria - psychiatrie
psychiatryczny - psychiatrisch
psychice - psyche
psychice - Psyche
psychiczny - psychisch
psycholog - psycholoog, zielkundige
psychologia - zielkunde, psychologie
psychologią - zielkunde, psychologie
psychologiczny - psychologisch
pszczelarstwo - bijenteelt
pszczoła - honingbij, bij
pszenica - weit, tarwe
pszenicą - weit, tarwe
ptactwa - gevogelte
ptak - vogel
ptak drapieżny - gevogelte
ptakach - vogelstand, gevogelte, vogelwereld
publiczność - toehoorders, gehoor, auditorium
publiczność - openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek
publiczność (wywołujący interfejs usługi) - toehoorders, gehoor, auditorium
publiczny - openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek
publiczny - algemeen, gemeenschappelijk
publikacja - afkondiging, openbaarmaking
publikować - uitgeven, emitteren
publikować artykuł na ten sam temat - drukletter
publikować kanał informacyjny - uitgeven, emitteren
publikować w Internecie - uitgeven, emitteren
puchar - vont, bekken, kom
puchnąć - aanzwellen
pudding - pudding
pudełko - boksen
pudełko/pudło tekturowe - boksen
puder - bepoederen, poederen
puderniczce - compact, dicht
puderniczka - compact, dicht
puduszka na fotel - kussen
pukać - slaan, klappen, kloppen, opvallen
pukiel - krullen
pula - zich aaneensluiten, aansluiten
pula - bank
pula zmiennych aplikacji - zich aaneensluiten, aansluiten
pulower - Jersey
pulpit - vertroosten, troosten
pulpit - huisje, schuur, keet, kraam, loods
pulpit sterowniczy - lezenaar, lessenaar
puls - pols, polsslag, tel
pulsować - kloppen, pulseren
pulsowania - kloppen, pulseren
pułap - plafon, hoogtegrens, plafond
pułapce - een hinderlaag leggen
pułapka - slag, valstrik, val
pułapka jonowa - muizeval
pułapka sygnału dźwięku - gewas, plant
pułapka śledzenia - slag, valstrik, val
pułk - regiment
pułkownik - kolonel
punkt - merken, tekenen
punkt (np. opatrunkowy) - stationsgebouw, station
punkt centralny - roteren, draaien
punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) - huiswaarts, naar huis
punkt kulminacyjny - standpunt, gezichtspunt
punkt łączenia - huiswaarts, naar huis
punkt montowania - ruimte, lokaliteit, oord, plaats
punkt obserwacji - mijlpaal
punkt odniesienia - neus, punt, piek, tip, top, spits
punkt odniesienia - mijlpaal
punkt przyciągania - nachtevening, dag- en nachtevening
punkt szczytowy - hoogte
punkt środkowy - middelpunt, binnenste, centrum
punkt węzłowy - hoek
punkt widzenia - aanzien, air, schijn, aanblik
punkt wyjściowy - oorsprong, afkomst, herkomst
punkt zaczepienia - haakje, slot, spang, agraaf
punkt zbiegu - neutraal, afzijdig, onpartijdig
punkt zwrotny - neus, punt, piek, tip, top, spits
punktualny - nauwgezet, nauwkeurig, accuraat
pupa - bips, kont, zitvlak
purpura - purperen
purpurą - purperen
purpurowy - purperen
purytanin - puriteins
purytański - puriteins
pustce - leegte, leegheid
pustelnik - heremiet, kluizenaar
pustka - wildernis, woestenij, woestijn
pustka - wit, blanco, oningevuld, blank
pustkowie - woest, wild
pustoszyć - verklungelen, opmaken, verdoen
pusty - vergeefs, ijdel, nutteloos
pusty - leeg, vrij, open, onbezet
pusty - nihil, nul
pusty - hol, ledig, lens, loos, leeg
pusty - wit, blanco, oningevuld, blank
pusty wiersz - nihil, nul
pustyni - wildernis, woestenij, woestijn
pustynia - wildernis, woestenij, woestijn
puszce - waas, dons, nesthaar
puszcza - oerwoud, jungle, rimboe
puszczać pąki - uitbotten, spruiten, botten
puszczać strugę - spuiten, sproeien, uitspuiten
puszczać w ruch - uitschrijven, lanceren, ontketenen
puszkować - blikken
puścić bąka - een wind laten
pycha - trots
pykać (z fajki) - pof, poef
pył - stof
pył - bepoederen, poederen
pysznić - trots
pyszny - heerlijk, kostelijk, overheerlijk
pytać - vragen
pytać - kwestie, vraag, navraag
pytanie - kwestie, vraag, navraag
pytanie otwarte - kwestie, vraag, navraag
pyton - Python
pzez - in, binnen, per, te
pzować - aandoen, aangrijpen
pzować (w banku) - aandoen, aangrijpen


Ogólna liczba słów na literę P :: 3341 ::

Liga francuska. Zmarł pobity fan Paris St Germain
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/0/7185/z7185810M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Zmarł kibic PSG, który od trzech tygodni przebywał w śpiączce, po tym jak brał udział w bijatyce pomiędzy konkurencyjnymi grupami fanatyków paryskiego zespołu.
MŚ w lotach w Planicy. Kwalifikacje na żywo
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/5/6410/z6410955M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Różnica dzieląca Adama Malysza od dominującego w końcówce sezonu Simona Ammanna zmniejsza się z konkursu na konkurs. Jak najlepsi skoczkowie świata zaprezentują się na MŚ w lotach narciarskich? Trwa relacja na żywo z kwalifikacji w Planicy
MŚ w lotach w Planicy. Trening wygrał Schlierenzauer
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/7/6410/z6410957M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Adam Małysz pofrunął na 212 metr w pierwszym treningu przed kwalifikacjami do MŚ w lotach w Planicy. Relacja na żywo z kwalifikacji od 11.00 na Sport.pl
Adam Małysz w Planicy użyje nowych wiązań?
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7594/z7594918M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>PRZEGLĄD PRASY. Adam Małysz ma już nowe wiązania, takie same jakich używa Simon Ammann. Polski skoczek testował je na wtorkowym treningu. - Nie boimy się skakać w nich w Planicy - zapowiada w rozmowie z "Faktem" drugi trener polskich skoczków Robert Mateja. Relacja na żywo z kwalifikacji do MŚ w lotach w Planicy od 11 na Sport.pl

Losowy


ervolg voortzetting, bestendiging, - kontynuacja (id:6591)
ervolg voortzetting, bestendiging, - kontynuacją (id:6592)
anhouden - kontynuować (id:6593)
aan werk te - kontynuować (id:6594)
anhouden - kontynuował (id:6595)
aan werk te - kontynuował (id:6596)
ongres - konwenans (id:6597)
ongres - konwenanse (id:6598)
ongres - konwencją (id:6599)
esprek onderhoud, - konwersacja (id:6600)
esprek onderhoud, - podstawowa konwersacja (id:6601)
ccompagnement begeleiding, - konwojent (id:6602)
ccompagnement begeleiding, - konwój (id:6603)
ramp stuip, stuiptrekking, - konwulsja (id:6604)
ramp stuip, stuiptrekking, - konwulsją (id:6605)
os paard, - koń (id:6606)



mecalux
kredyty
http://www.salutefarmacia.it
Pozycjonowanie stron
oferty pracy

Statystyki

Zwrotów: 21955

Losowy rekord:
verjas jas, - płaszcz (id:11897)
as mantel, - płaszcz (id:11898)
as overjas, - płaszcz (id:11899)
egenmantel - anodowy płaszcz (id:11900)
egenmantel - nieprzemakalny płaszcz (id:11901)
uis colbert, jasje, - przeciwdeszczowy płaszcz (id:11902)
as mantel, - przeciwdeszczowy płaszcz (id:11903)
ier hierheen, - bliska obcinająca płaszczyzna (id:11904)
liegmachine vliegtuig, - płaszczyzna płat (id:11905)
roonblad bloemblad, - płatek (id:11906)
roonblad bloemblad, - (kwiatu) płatek (id:11907)
neeuwvlok - kwiatu płatek (id:11908)


News


MŚ w lotach w Planicy. Trening wygrał Schlierenzauer
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/7/6410/z6410957M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Adam Małysz pofrunął na 212 metr w pierwszym treningu przed kwalifikacjami do MŚ w lotach w Planicy. Relacja na żywo z kwalifikacji od 11.00 na Sport.pl
Adam Małysz w Planicy użyje nowych wiązań?
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/7594/z7594918M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>PRZEGLĄD PRASY. Adam Małysz ma już nowe wiązania, takie same jakich używa Simon Ammann. Polski skoczek testował je na wtorkowym treningu. - Nie boimy się skakać w nich w Planicy - zapowiada w rozmowie z "Faktem" drugi trener polskich skoczków Robert Mateja. Relacja na żywo z kwalifikacji do MŚ w lotach w Planicy od 11 na Sport.pl
WTA zapowiada: Zagrają dwie najbardziej obiecujące gwiazdy tenisa
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/6/7674/z7674346M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Mimo że Agnieszka Radwańska i Caroline Wozniacki zmierzą się w półfinale turnieju w Indian Wells dopiero w piątek wieczorem, już teraz zapowiedź ich spotkania trafiła jako najważniejsza wiadomość na czoło oficjalnej strony WTA.
Liga Mistrzów. Messi jak Jordan, jak Bryant, jak Maradona...
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/2/7673/z7673962M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Lionel Messi zdobył dwie bramki dla Barcelony w rewanżowym meczu 1/8 Ligi Mistrzów z Vfb Stuttgart i poprowadził swoją drużynę do triumfu 4:0 i awansu do ćwierćfinału. Po meczu Argentyński napastnik był na ustach wszystkich.
Premier League. Roman Abramowicz znów wyda majątek?
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/4/7357/z7357864M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Mimo porażki w dwumeczu z Interem i pożegnania się z Ligą Mistrzów, Carlo Ancelotti nie stracił zaufania Romana Abramowicza. Jak donosi "The Sun", włoski szkoleniowiec może liczyć nawet na sto milionów funtów na wzmocnienie zespołu po obecnym sezonie.
WTA Indian Wells. Radwańska w półfinale zagra z Wozniacki
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/5581/z5581233M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Caroline Wozniacki pokonała Chinkę Jie Zheng 6:4, 4:6, 6:1 i w półfinale turnieju WTA w Indian Wells zmierzy się z Agnieszką Radwańską. Dunka jest najbliższą koleżanką Polki spośród zagranicznych rywalek z kortu.