Losowy
ntreffen ontmoeten, - (się) spotykać (id:16235)
ntreffen ontmoeten, - się spotykać (id:16236)
egeven biechten, bekennen, erkennen, - się spowiad (id:16237)
rwekken - spowodować (id:16238)
ten doen, laten maken, doen, - spowodować (id:16239)
berculose tering, longtering, - spożycie (id:16240)
tmelken exploiteren, uitbuiten, - spożytkować (id:16241)
nwerven huren, aannemen, - (coś spożytkowywać (id:16242)
nsumeren verbruiken, slopen, - spożywać (id:16243)
recht spijs, etenswaar, eten, - spożywczy (id:16244)
ond ondergrond, achtergrond, bodem, - spód (id:16245)
ond ondergrond, achtergrond, bodem, - stosu spód (id:16246)
ouwenrok rok, - spódnica (id:16247)
ouwenrok rok, - spódnicą (id:16248)
k Schotse kilt, - szkocka spódniczka (id:16249)
njunctie - spójnik (id:16250)
volg consequentie, - spójność (id:16251)
deklinker consonant, - spółgłoska (id:16252)
lemiek pennestrijd, controverse, - spór (id:16253)
isten krakelen, disputeren, - spór (id:16254)
hterstallig onbetaald, - spóźniony (id:16255)
Menu
Najnowsze (50)Losowe
Inne
Pozostałe
Zobacz także
Wylosowane
Strona główna
Kategorie
Losowy:
przedpokój - overgang, doorgang, passage
przedpołudnie - ochtend, morgen
przedpotopowy - antediluviaans, zeer oud
przedrostek - voorvoegsel
przedrostek negujący znaczenie wyrazów - on-, in-, im-
Znalezione tłumaczenia na literę O:
o - circulerend, in omloop
o (kimś - circulerend, in omloop
o burzy: szaleć - storm
o ile sobie przypominam - aas
o ile szczęście dopisze - hopelijk
o ją - haar, hun, zijn
o jego - het zijne, de zijne
o jego - haar, hun, zijn
o jej - het hare, de hare
o mało - schier, bijkans, haast, bijna
o niewiele - weinig
o ręcznym napędzie - aanreiken, overhandigen
o sercu: kołatać - aan de scharrel zijn, fladderen
o śniegu: padać - sneeuwen
o światowym zasięgu - wereldwijd
o wielu możliwościach odporny - krachtig, geducht, sterk, fiks, straf
o zmaku orzechów - geurig, aromatisch
oaza - oase
oazą - oase
oba - beide, allebei, alle twee de
obacz
obacz
obacz
obacz
obacz
obacz
obaj - beide, allebei, alle twee de
obala - ondergraven, ondermijnen
obala - ontzenuwen, weerleggen
obala - neervellen, wippen, kappen, vellen
obala - afgeven op, afbreken, afkammen
obalać - afschaffen
obalenie - afschaffing
obalić - afschaffen
obalić (teorię itp) - exploderen, losbarsten, ontploffen
obarczyć - beproeven, bedroeven, verdriet doen
obarczyć - zadel
obawa - aanhouding, arrestatie
obawa - beklemming, angst, benauwdheid
obawą - aangelegenheid, belang
obcas - hiel
obcążki - knijper, schaar
obcesowo - abrupt, kortaf, botweg
obcesowy - kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil
obchodzenie się - kuur, behandeling
obchodzić - vieren, opdragen, celebreren
obchodzić (przepisy) - ontwijken, mijden, uit de weg gaan
obchodzić się - aanpakken, aan komen lopen
obchodzić się (
obchodzić się z czymś) - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
obchodź - rondgaan, omgaan
obciąć - afknotten
obciążać - aanklacht, beschuldiging
obciążać (konto - debetzijde, debet
obciążenie - laden
obciążenie (maszyny itp) - plicht, verplichting
obciążenie1 - laden
obciążyć - gewicht
obciążyć hipotecznie - hypotheek
obciążyć podatkiem - belasten, aanslaan
obcina - maaien
obcinać kadrować kadrowanie - afknotten
obcisły - stipt, nauwsluitend, streng, nauw
obcokrajowiec - buitenlander
obcokrajowy - uitheems, buitenlands
obcy - ijselijk, afschuwelijk
obcy - uitheems, buitenlands
obcy - buitenlands, vreemd, onwennig
obecnie - enfin, komaan, nou, nu, wel, tja
obecnie - tegenwoordig
obecność - bijzijn, presentie, aanwezigheid
obecny - actueel
obecny - tegenwoordig, actueel
obejmować - omsluiten
obejmować - omhelzen, omarmen
obejmował - omvatten, beslaan
obejmował - omhelzen, omarmen
obejmował - bevatten, inhouden, behelzen
obejść się bez czegoś - rondgaan, omgaan
obelgi - laaien, vlammen
obelżywy - krenkend, beledigend, grievend
Oberon - Oberon
obetrzeć - afvegen, wissen, afdrogen, afwissen
obezwładnia - geweld aandoen, overmeesteren
obezwładnia - bedelven, overstelpen, verpletteren
obficie - in overvloed, ruimschoots, rijkelijk
obfitość - onbekrompenheid, overvloed
obfitować - in overvloed aanwezig zijn
obfitować (
obfitować (
obfity - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
obfity - uitbundig, copieus, abundant, rijk
obfity (posiłek) - uitbundig, copieus, abundant, rijk
obgryzać - knagen, knabbelen
obiad - diner, middagmaal, middageten
obiad - twaalfuurtje, lunch
obiecywać - beloven, toezeggen, uitloven
obieg - omloop, circulatie, roulatie
obieg - muntsoort, valuta
obieg - klotsen, plassen, kabbelen, klapperen
obieg projektu - omloop, circulatie, roulatie
obiekt - mikpunt, onderwerp, object, ding
obiekt moduł wynikowy - mikpunt, onderwerp, object, ding
obiektyw - lens
obierać - schillen, afpellen, jassen
obierać kartofle - commissie, opdracht, boodschap
obietnica - beloven, toezeggen, uitloven
obietnicą - beloven, toezeggen, uitloven
obieżyświat - wereldreiziger
obijać - opvullen, vullen, opzetten
obijać (meble) - opvullen, vullen, opzetten
objaśniać - uitleggen, interpreteren, duiden
objaśnienie - toelichting, explicatie
objaw - voorbode, voorteken, teken
objaw - teken, symptoom, verschijnsel
objazd - aberratie, afwijking
objazd - tournee, rondreis
objętny - zoel, lauw
objętość - geluidssterkte, inhoud, volume
objętość stała - geluidssterkte, inhoud, volume
oblać (egzamin) - floppen, in het water vallen
oblegać - belegeren
oblegać - belegering, beleg
oblewanie - viering
oblężenia - belegering, beleg
oblężenie - belegering, beleg
oblicz - in aanmerking komen, meetellen
obliczać - meten, berekenen
obliczać - in aanmerking komen, meetellen
obliczenie - rekenschap, rekening
obliczyć - derde macht, dobbelsteen, blok
obliczyć objętość - rekening, conto
obligacja - aanhechting
obligacji - aflossing, amortisatie, afschrijving
oblodzenie - glacé
obładować - beladen, inladen, belasten, laden
obławą - bejagen, jagen, jacht maken op
obłąkany - dolzinnig, dol, gek, krankzinnig
obłąkany - bezetene, gek, krankzinnige
obłok - wolk
obłudny - gehuicheld, geveinsd, huichelachtig
obłudny - loos, bedrieglijk, dubbelhartig
obmycie - wassing
obmywać - louteren, reinigen, schoonmaken
obnażony - onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt
obniżenie - afdraaien, verlagen
obniżenie - afname
obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu - depressie
obniżenie wydajności - invloed hebben op, beinvloeden
obniżka - afname
obniżyć - afdraaien, verlagen
obniżyć - kleinmaken, vernederen, verootmoedigen
obniżyć się - neerdrukken, deprimeren
obniżyć się - verlagen, afdraaien
oboje - beide, allebei, alle twee de
obojętność - flegma
obojętny - neutraal, afzijdig, onpartijdig
obojętny - lauw, onverschillig
obok - naast elkaar
obok - langs, naar, blijkens, ingevolge
obok - bezijden, naast, behalve
obok siebie - sluiten, dichtmaken, dichtdoen
obok siebie - naast, eerstkomend
obok siebie - aan, nabij, naast, bij, dichtbij
obok siebie - aan, nabij, bij, dichtbij, naast
obołudny - gehuicheld, geveinsd, huichelachtig
obopólny - onderling, wederkerig, wederzijds
obora - loods, keet, schuur, barak
obowiązek - verantwoordelijkheid
obowiązek - verplichting, plicht
obowiązek - plicht, verplichting
obowiązkowy - bindend, dwingend, gedwongen
obowiązujący - strip, reep, band, strook, windsel
obozować - legeren, kamperen
obój - hobo
obóstwiać - verafgoden, adoreren, aanbidden
obóz - legeren, kamperen
obóz koncentracyjnjy - legeren, kamperen
obrabiać - functioneren, het doen
obracać - anders maken, veranderen
obracać się - anders maken, veranderen
obrachunek - akkoord, accoord, overeenstemming
obrać zawód - zich eigen maken, adopteren
obradował - koesteren, broeden, broeden op
obrady - actie, handeling, optreden, gedoe
obrady - conferentie
obramowanie - schoorsteenmantel
obramowanie prostokątne - omringen, omgeven, insluiten
obraz - beeld, prent, afbeelding, plaat
obraz - afbeelding, prent, plaat
obraz elektronowy - knippatroon, patroon
obraz tytułowy - beeld, prent, afbeelding, plaat
obraz wizja rysunek - schildering, doek, schilderij
obraz zadania - beeld, prent, afbeelding, plaat
obraz zadania moduł ładowania (zadania) - afbeelding, prent, plaat
obraza - beledigen, krenken, affronteren
obraza - troetelen, koesteren, vertroetelen
obrazą - beledigen, krenken, affronteren
obrazić się - beledigen, affronteren, krenken
obrazowo - oneigenlijk, figuurlijk
obrazowy - oneigenlijk, figuurlijk
obraźliwy - aanvallend, offensief
obraźliwy - krenkend, beledigend, grievend
obraźliwy - agressief
obrażać - beledigen, affronteren, krenken
obrażać - beledigen, krenken, affronteren
obrażać - gescheld
obrączka - wal, beugel, ring
obręb - kompas
obrocie - fietsen, wielrijden
obrocie - anders maken, veranderen
obrona - defensie, verdediging, weer, afweer
obrona - weer, defensie, afweer, verdediging
obrona przeciwlotnicza - bescherming
obroną - defensie, verdediging, weer, afweer
obronić - opkomen voor, verweren, verdedigen
obroża - kraag, boord, halsboord
obrożą - kraag, boord, halsboord
obrót - revolutie, omwenteling
obrót - omzet
obrus - laken
obrus - tafellaken, dekservet
obryzgać - klapperen, plassen, kabbelen, klotsen
obrządek - ritueel
obrzezać - besnijden
obrzeże - cirkelomtrek, buitenkant
obrzęd - ritus, kerkgebruik, rite
obrzęd - ceremonie, plechtigheid
obrzęk - pof, poef
obrzydliwy - ijselijk, afgrijselijk
obrzydliwy - misselijk, stuitend, onsmakelijk
obrzydliwy - venijnig, vergiftig, giftig
obrzydzenie - gruweldaad, verschrikking, gruwel
obsada - afgietsel, gegoten voorwerp
obsceniczny - schuin, obsceen, schunnig
obserwacja - berisping, aanmerking, blaam, standje
obserwacją - berisping, aanmerking, blaam, standje
obserwować - opvolgen, handelen volgens
obserwował - opvolgen, handelen volgens
obsesja - obsessie
obsesją - obsessie
obsługa - administratiekantoor, bestuur
obsługiwać - serveren, voorleggen
obsługiwał - functioneren, het doen
obsługiwanie - actie, handeling, optreden, gedoe
obsługujący - steward
obsługujący ramki - steward
obstawać - aanhouden, blijven aandringen
obstrukcja - verstopping, constipatie, obstipatie
obsunięcie się ziemi - aardverschuiving
obszar - territoir, ban, gebied, grondgebied
obszar - oppervlakte, areaal, gebied
obszar definiowania obrazu - gehucht, buurtschap, vlek
obszar oddziaływania - arena, krijt, piste, kampplaats
obszar zapisu taśmy - zich aaneensluiten, aansluiten
obszar zapisu taśmy (magnetycznej) - klimaatzone, zone, aardgordel
obszar zbiorczy sumować - oppervlakte, areaal, gebied
obszerny - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
obszerny - lijvig, veelomvattend
obszerny - uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend
obszerny - breedvoerig, ruim, groot, royaal
obudowa - inpakken, verpakken, pakken
obudowa - affaire, zaak, aangelegenheid, ding
obudowa płaska - indompelen, indopen, soppen
obudowa układu scalonego - pedestal, piëdestal, voetstuk
obudowa wieżowa - inpakken, verpakken, pakken
obudzić - wakker maken, wekken, opwekken
obudzić - wekken, wakker maken, opwekken
obudzić - wekken, wakker maken, opwekken
obudzić (ze snu) - wakker maken, wekken, opwekken
obudzić się - wekken, wakker maken, opwekken
obudzony - wekken, wakker maken, opwekken
oburzony (
oburzyć - muiten, rebelleren, in opstand komen
obustronny - wederkerig, wederzijds, onderling
obustronny - onderling, wederkerig, wederzijds
obuwie - schoeisel
obwieszcza - uitvaardigen, afkondigen
obwieszczać - adverteren, aankondigen, aandienen
obwieszczenie - bericht, aankondiging, advertentie
obwolucie - kruisband, wikkel, banderol
obwoluta - kruisband, wikkel, banderol
obwód - omtrek
obwód - circuit
obwód - netwerk, net
obwód drukowany wielowarstwowy - circuit
obwód drukowany wielowarstwowy - maas, breisteek, steek, strik
obwód drukowany wielowarstwowy - omtrek
obwód wyjściowy - circuit
obwód zaporowy - circuit
obwódka - velg
obyczaj - usance, gewoonte, gebruik
obywatel - staatsburger, burger
obywatel - nationaal, vaderlands
obywatelski - burger-, stads-
obywatelski - civiel
obywatelstwo - nationaliteit
ocalać - redden, bergen, behouden
ocalić - bergen, behouden, redden
ocean - wereldzee, oceaan
oceaniczny - oceanisch
ocena - orkestreren
ocena - belastingaanslag, aanslag
ocena zawartości - schatten, begroten, waarderen, taxeren
oceną - belastingaanslag, aanslag
oceną - graad, mate, trap
oceną - gedachte, mening, opinie, dunk, visie
oceniać - rekening, conto
ocenić - schatten, taxeren, waarderen, begroten
ocenić - appreciëren, waarderen
ocet - edik, azijn
ochłodzić - koelen
ochocie - wil
ochota - wil
ochotnik - vrijwilliger, volontair
ochraniać - behoeden, beschermen
ochrona - bescherming
ochrona - pand, borgstelling, onderpand
ochrona poufność - pand, borgstelling, onderpand
ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) - pand, borgstelling, onderpand
ochrona zasobów - bescherming
ochrypły - schor, hees, rauw
ochrzcić - dopen
ochrzcić - dopen
ociągać się - zweven
ociekać - water
ociemniały - blind
ocierać - afvegen, wissen, afdrogen, afwissen
ocierać - schaven, afschaven
ocknąć się - beter worden, genezen, helen
oclić - plicht, verplichting
octan - acetaat, azijnzuur zout
oczarować - heksen
oczarować - aantrekkelijkheid
oczarować - betoverend
oczekiwać - aanhoren, beluisteren, luisteren
oczekiwać - anticiperen, prejudiciëren
oczekiwać - wachten, afhalen, te wachten staan
oczekiwać - te wachten staan, wachten, afhalen
oczekiwać na pakiety - aanhoren, beluisteren, luisteren
oczekiwać na sygnał - anticiperen, prejudiciëren
oczekiwał - wachten, afhalen, te wachten staan
oczekiwał - te wachten staan, wachten, afhalen
oczekujący - aanhangig
oczka - maas, breisteek, steek, strik
oczko - kijker, oog
oczko (sieci itp) - maas, breisteek, steek, strik
oczko (w kartach itp) - sterretje, asterisk
oczko sieci itp - maas, breisteek, steek, strik
oczyszczać - raffineren, louteren, verfijnen
oczyszczać - gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel
oczyszczać kogoś z winy - reinigen, schoonmaken, louteren
oczyścić - zindelijk, puur, helder, rein, schoon
oczyścić - louteren, reinigen, schoonmaken
oczyścić - uitleggen, duidelijk maken, beduiden
oczyścić - borstelen, schuieren
oczyścić - rein, puur, schoon, zindelijk
oczyścić się - louteren, reinigen, schoonmaken
oczywisty - apert, evident, kennelijk, duidelijk
oczywisty - aanwijsbaar, vertoonbaar
oczywisty - vlakte
oczywisty - laten blijken, manifesteren
oczywisty - kennelijk, evident, apert
oczywiście - gewis, zeker, vast, stellig
oczywiście - klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk
oczywiście - klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar
oczywiście - beslist, absoluut, ten enenmale
od - sedert, met ingang van, vanaf
od czasu do czasu - op een keer, eens
od niepamiętnych czasów - van voren af aan, nogmaals, opnieuw
od nowa - opnieuw, van voren af aan, nogmaals
od nowa - van voren af aan, nogmaals, opnieuw
od piątku - van voren af aan, nogmaals, opnieuw
od siebie - afgezonderd, afzonderlijk
od święta - daarop, vervolgens
od zewnątrz - sinds, sedert, vanaf
oda - ode
oda tnica - ode
odbicie - afspiegeling, weerglans
odbicie zwierciadlane (w grafice) - afspiegeling, weerglans
odbiera - ontwoekeren
odbierać - aanvaarden, aannemen, accepteren
odbierać - collecteren, innen, inzamelen
odbierający - ontvanger
odbijać - afspiegelen
odbijać się szerokim echem - reflecteren, spiegelen, terugkaatsen
odbiorca - ontvanger
odbiorca danych - ontvanger
odbiorca docelowy - ontvanger
odbiorcą - gebruiker
odbiornik - luisteraar, toehoorder
odbiór - voor voldaan tekenen, kwiteren
odbiór (długu - hoop, groep, schare, kudde, drift
odbitce - afdruk
odbitka - nadruk, herdruk
odblokować - ontsluiten
odbyt - anus, aars
odbytnica - anus, aars
odbytnicą - anus, aars
odbywać - serveren, voorleggen
odchodzenie klientów - karnen
odchodził - gepensioneerd, rustend, in ruste
odchodź - aftreden, met pensioen gaan
odchudzać się - rank, slank, tenger
odchylenie - aberratie, afwijking
odchylenie - afleidingsmanoeuvre
odciąć - afzetten, amputeren, wegsnijden
odciąć dopływ - afzetten, amputeren, wegsnijden
odciąg - logeren
odciąg - kerel, persoon, knul, sujet, snuiter
odciąga - ritsen, rissen, wegnemen, afhalen
odciążyć - lossen, uitladen, afladen
odcień - schakering, nuance, nuancering
odcień - schaduwen
odcień - nuance, schakering, nuancering
odcień - schakering, nuance, nuancering
odcień - tint
odcień barwy - tint
odcięta - abscis
odcinać - oor, kruk, handvat, hengsel, klink
odcinanie - scheren, knippen, snoeien
odcinek - branche, vak, tak
odcinek (powieści) - afbetalingstermijn, annuiteit
odcisk - afdruk
odciskać - indruk maken op, imponeren
odcyfrować - ontcijferen, ontraadselen
odczucie - klapstuk, sensatie
odczuwać - bevoelen, tasten, voelen, betasten
odczynnik chemiczny - vertegenwoordiger, dealer, agent
odczyt - college geven
odczyt z wyprzedzeniem - lezen
odczytać - decoderen
odczytaj - college geven
odczytywać elektrycznie - betekenis, zin
oddać (przysługę) - reproduceren, weergeven
oddać (się czemuś) - opdragen, spenderen, spanderen
oddaj - bemachtigen, grijpen, aangrijpen
oddalony - vandoor, heen, verwijderd, over
oddawać mocz - pissen, een plas doen, piesen
oddawać stolec - poepen, ontlasting hebben, kakken
oddawać usługi - serveren, voorleggen
oddech - adem
oddychać - ademhalen, ademen
oddychanie - ademhaling
oddział - agentschap
oddziaływać - aandoen, aangrijpen
oddziaływanie wzajemne - agentschap
oddzielać - afgezonderd, afzonderlijk
oddzielać - gescheiden
oddzielać - isoleren, afzonderen
oddzielny - verscheidene, diverse
oddzielny - afgezonderd, afzonderlijk
odebrać odwołać unieważnić - aanvaarden, aannemen, accepteren
odejmij - aftrekken
odejmować - aftrekken
odejmowalny - afneembaar
odejmował - aftrekken
odejmowanie - aftrekking
odejście - uittocht, vertrek
odejść - een miskraam krijgen, mislukken
odejść z kwitkiem - aftreden, met pensioen gaan
odemknąć - ontsluiten
oderwać - verstrooien
oderwać - vaneenscheuren, doorscheuren
odetchnąć - ademhalen, ademen
odezwa - declaratie, verklaring
odgadywać - raden, gissen, doorzien
odgałęzienie - tak, aftakking
odgłos - Echo
odgłos - weergalmen, naklinken, echoën
odgłos - boe
odgłos kroku - naklinken, galmen, doorklinken
odgradzać - isoleren, afzonderen
odgrażać się - dreigen, bedreigen
odizolować - isoleren, afzonderen
odjazd - uittocht, vertrek
odjeżdża - op reis gaan, afreizen
odjeżdżać - op reis gaan, afreizen
odkazić - desinfecteren, ontsmetten
odkąd - sinds, sedert, vanaf
odkąd - wanneer, als, toen
odkładać - vertraging
odkładać - afgeven, deponeren, in bewaring geven
odkładać - uitstellen, verdagen, aanhouden
odkrycie - ontdekking
odkryć - ontdekken
odkrywać - ontdekken
odkrywać - stutten, steunen, schragen
odkrywać - ontdekken
odkrywanie urządzeń sieciowych - ontdekking
odkupienie - aflossing, amortisatie, afschrijving
odlatywać - vandoor, heen, verwijderd, over
odległość - afstand, eind
odległy - ververwijderd, ver, verwijderd
odległy komputer macierzysty - verwijderd, ververwijderd, ver
odlewać - modelleren, boetseren
odlewać - baseren, grondvesten, funderen
odlewać - afgietsel, gegoten voorwerp
odliczyć - ritsen, rissen, wegnemen, afhalen
odlot - uittocht, vertrek
odludny - eenzaam
odłam - partij, stem
odłamek - bikken, afbikken
odłamek - splinter
odłączać - invalide, gebrekkig
odłączalny - afneembaar
odłączony - afstandelijk
odłączyć - verloten, loten
odłączyć - afgezonderd, afzonderlijk
odmalowuj - uitbeelden, verbeelden, afbeelden
odmawia - achterhouden
odmawiać - ontkennen
odmiana - dalen, kleiner worden, afnemen
odmiana - veranderen, anders maken
odmiana baseballu - variatie, variëteit, afwisseling
odmianą - veranderen, anders maken
odmianą - variatie, variëteit, afwisseling
odmieniać - conjugeren, vervoegen
odmienny - uiteenlopend, verschillend
odmienny - ijselijk, afschuwelijk
odmowa - afwijzing, weigering
odmową - afwijzing, weigering
odmowny - negatief, cliché
odmówić - in tegenspraak zijn met, tegenspreken
odmówić - afwijzen, het verdommen, afkeuren
odmrożenie - door bevriezing veroorzaakte wofrostbite
odnajdywać - ontdekken
odnalezienie - ontdekking
odnaleźć - beter worden, genezen, helen
odnawiać - vernieuwen, renoveren
odnawiać (mieszkanie) - vernieuwen, renoveren
odniesienie do obiektu - verwijzing, referentie
odniesienie niejednoznaczne - verwijzing, referentie
odnieść wrażenie - lijken, overkomen, schijnen
odnoga - been
odnosić się - verhalen, vertellen, debiteren
odnoszący się - verwant, familielid
odnoś - aanvaarden, aannemen, accepteren
odnoś - bewerkstelligen, doorvoeren
odnośnie - betreffende, aangaande, omtrent
odnośnik - verwijzing, referentie
odnowić - versieren
odnowić - vernieuwen, renoveren
odosobnienie - isolatie, isolering
odosobniony - enkel, bloot, louter
odosobniony - alleenstaand, geisoleerd
odór zynek - stinken, vies ruiken
odpadki - afwijzen, het verdommen, afkeuren
odpalać - ontzetten, royeren, ontslaan
odparowywać - doen verdampen, uitdampen, indampen
odparzyć - blaar
odpaść - terugvallen
odpis - exemplaar, afdruk
odpisać - antwoorden, antwoorden op
odpływ - tij, getij
odpływ - eb-
odpływ - neerdruipen, afdruipen
odpływ kanał - eb-
odpoczynek - rusten
odpoczynek - rest, overblijfsel, rommel, afval
odporność - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
odporny - immuun, onvatbaar, resistent
odporny na wstrząsy - immuun, onvatbaar, resistent
odpowiada - reageren
odpowiada - antwoorden, antwoorden op
odpowiadać - antwoorden, antwoorden op
odpowiadać - corresponderen
odpowiadać - antwoorden, antwoorden op
odpowiadać - reageren
odpowiadać (
odpowiadać za - antwoorden, antwoorden op
odpowiedni - betamelijk, behoorlijk, fatsoenlijk
odpowiedni - fatsoenlijk, betamelijk, behoorlijk
odpowiedni - genoeg, voldoende
odpowiedni - gepast, passend, geschikt
odpowiedni - adequaat, bijbehorend
odpowiednik - equivalent, gelijkwaardig
odpowiednik - evenwijdig, parallel
odpowiednio - gevoeglijk, op de juiste wijze
odpowiednio - netjes, naar behoren, behoorlijk
odpowiednio do - netjes, naar behoren, behoorlijk
odpowiedniość - landgoed, boerderij, bezitting
odpowiedzialność - verantwoordelijkheid
odpowiedzialny - verantwoordelijk, aansprakelijk
odpowiedzialny (
odpowiedzialny za coś - verantwoordelijk, aansprakelijk
odpowiedzieć
odpowiedzieć komuś/na coś czymś - reageren
odpowiedź - antwoorden, antwoorden op
odpowiedź - antwoorden, antwoorden op
odpowiedź opóźnienia grupowego - antwoorden, antwoorden op
odpowiedź z danymi EGP - antwoorden, antwoorden op
odprasować na kant - verfomfaaien, kreukelen, frommelen
odprawić - ontzetten, royeren, ontslaan
odprężacć się - verslappen, zich verpozen
odprężyć (się) - verslappen, zich verpozen
odprężyć się - verslappen, zich verpozen
odprowadzać - vergezellen, accompagneren, begeleiden
odprysk - splinter
odpust - aflaat
odpust - marktplein, markt, bazaar, marktplaats
odra - mazelen
Odra - Oder
odra (choroba) - mazelen
odra choroba - mazelen
odraczać - afgeven, deponeren, in bewaring geven
odraza - walg, afkeer, walging, misselijkheid
odraza - gruwel, verschrikking, gruweldaad
odrazą - walg, afkeer, walging, misselijkheid
odrażający - ijselijk, afgrijselijk
odrażający - afschuwelijk
odrębny - uiteenlopend, verschillend
odrębny - afgezonderd, afzonderlijk
odrobina - jota
odrobina - ons
odrobina - vonk, sprank
odroczyć - uitstellen, verdagen, aanhouden
odrośl - afstand, eind
odróżniać - onderscheiden, onderkennen
odróżniać - uit elkaar houden, onderscheid maken
odróżnić - onderscheiden, onderkennen
odruch - aandrift, drang, impuls, aandrang
odruch - schokken
odryglować - ontsluiten
odrzuca - afslaan, verwerpen, afwijzen
odrzucać do tyłu - opgooien, gooien
odrzucenie - afwijzing, verwerping
odrzucić - dalen, kleiner worden, afnemen
odrzucić - afdanken
odrzucić - afslaan, verwerpen, afwijzen
odsetce - evenredigheid, proportie, verhouding
odsetek - rente, procent, percent
odsetki - belang inboezemen, interesseren
odsłaniać - openbaren, kenbaar maken
odsłona - scene, tafereel, toneel, tableau
odsłoną - mond, opening, gat
odstęp - ruimte, bestek, wereldruim, speling
odstęp - pedestal, piëdestal, voetstuk
odstęp - interval, tussenruimte
odstęp między znakami - afstand, eind
odstęp międzywierszowy - interval, tussenruimte
odstęp proporcjonalny - opening, bres, gaping
odstępstwa - uittocht, vertrek
odstrasza - verjagen, afschrikken
odsunąć - vandoor, heen, verwijderd, over
odsyłacz - verwijzing, referentie
odsyłacz - sterretje, asterisk
odszkodowania - akkoord, accoord, overeenstemming
odszkodowanie - beloning, loon, vergelding
odszkodowanie - schade aanrichten, schaden
odszukać - afbakenen
odszukać - vinden, treffen, bevinden, aantreffen
odszyfrować - ontcijferen, ontraadselen
odświeżać - sterker worden, toenemen, aanwakkeren
odświeżać - opknappen, laven, opfrissen
odświeżanie - verfrissend
odświeżyć - verfrissend
odświeżyć - opknappen, laven, opfrissen
odświeżyć - vernieuwen, renoveren
odświeżyć się - opknappen, laven, opfrissen
odtajnić - ontcijferen, ontraadselen
odtrącać - afpoeieren
odtwarzać tok rozumowania - reproduceren, weergeven
odtworzenie - reproduktie, weergave
oduczyć - afleren, afwennen
odurzyć - dronken, zat, dol, beschonken
odwadze - lef, moed, dapperheid, durf
odwaga - zenuw
odwaga - lef, moed, dapperheid, durf
odważnie - dapper, kloek, boud, moedig, koen
odważnik - gewicht
odważny - flink, braaf, eerlijk, dapper, ferm
odważny - dapper, kloek, boud, moedig, koen
odważyć - het gewicht bepalen, wegen, afwegen
odważyć się - zich vermetelen, wagen
odważyć się - zich wagen aan, aandurven
odwdzięczać się - restitueren, terugbetalen
odwiązać - afbinden, losbinden, losmaken
odwiedzać - bezoeken, geregeld bezoeken
odwiedzać - bezoeken, afgaan, opzoeken
odwiedziny - bezoeken, afgaan, opzoeken
odwiert - mond, gat, opening
odwilż - ontdooien, dooien, wegsmelten
odwlec - uitstellen, verdagen, aanhouden
odwokat - adviseren, aankondigen, bekendmaken
odwołać - afbestellen
odwołać - afdanken
odwołać (kogoś lub coś) - zich herinneren, gedenken, onthouden
odwołać skasowanie - afbestellen
odwołanie - afbestellen
odwołanie przez adres - verwijzing, referentie
odwołuj - afschaffen
odwołuj - terugtrekken, intrekken
odwoływać się - appelleren, een beroep doen op
odwracać - afleiden, verstrooien
odwracać - achterzijde, ommezijde, rugstuk
odwrocie - aftrekken, de aftocht blazen
odwrotne łamanie - linker-, links
odwrotność - converseren, een gesprek voeren
odwrotność - onderling, wederkerig, wederzijds
odwrotność odwrotny - achterzijde, ommezijde, rugstuk
odwrotny - achterzijde, ommezijde, rugstuk
odwrotny - converseren, een gesprek voeren
odwrotny - tegengesteld, tegenliggend, strijdig
odwrotny bez powrotu do zera (zapis) - achterzijde, ommezijde, rugstuk
odwrócić - afleiden, verstrooien
odwzajemnić - terugdoen, vergelden, beantwoorden
odwzajemnić się - hergeven, reproduceren, teruggeven
odwzorowanie - bitmap
odyseja - Odyssee
odziedziczyć - beërven, erven
odziedziczyć - afwisselend
odzież - kleren, kleding
odzież - gewaad, kledingstuk
odznace - wapen, insigne, blazoen
odznaczenie - decor, onderscheiding, decoratie
odznaczyć - elimineren, afschaffen, opdoeken
odznaka - kegel
odznaka - wapen, insigne, blazoen
odzwierciedla - reflecteren, spiegelen, terugkaatsen
odzwierciedlać - reflecteren, spiegelen, terugkaatsen
odzyskać - ontwoekeren
odzyskać - beter worden, genezen, helen
odzyskiwać - beter worden, genezen, helen
odźwierny - uitvoeren, presenteren, indienen
ofercie - huwelijksaanzoek, aanzoek
oferować - huwelijksaanzoek, aanzoek
oferować - afzenden, verzenden, expediëren
oferta - huwelijksaanzoek, aanzoek
oferta - te koop aanbieden, aanbieden
officer celny - nauwkeurig, accuraat, nauwgezet
ofiara - opofferen, offeren, aanbieden
ofiara (na jakiś cel) - dupe, getroffene, slachtoffer
ofiara życiowa - opofferen, offeren, aanbieden
ofiarować - huwelijksaanzoek, aanzoek
oficer - officier
oficjalny - afgemeten, ceremonieel, plechtig
oficjalny - ambtelijk, officieel
ofset - afstand, eind
ogarniać - inslikken, binnenkrijgen, innemen
ogień - ontzetten, royeren, ontslaan
ogień armatni - ontzetten, royeren, ontslaan
oglądać - uitzicht
oglądać - onderzoeken, nakijken, examineren
oglądać - inspectie houden, inspecteren
ogłaszać - uitspreken
ogłaszać - het gevolg zijn van, afstammen
ogłaszać - adviseren, aankondigen, bekendmaken
ogłaszać - aandienen, aankondigen, adverteren
ogłaszać - adverteren, aankondigen, aandienen
ogłosić - aandienen, aankondigen, adverteren
ogłosić - proclameren, uitvaardigen, afkondigen
ogłosić - uitgeven, emitteren
ogłoszenia - bericht, aankondiging, advertentie
ogłoszenia - bericht, advertentie, aankondiging
ogłoszenia - affiche, aanplakbiljet, plakkaat
ogłoszenie - afkondiging, openbaarmaking
ogłoszenie - bericht, advertentie, aankondiging
ogłoszenie - bericht, aankondiging, advertentie
ogłoszeniodawca - adverteerder, verkondiger
ogłuchnąć - goed staan
ogłuszał - beduusd, bedremmeld, beteuterd
ognisko - brandpunt, focus, haard
ognisko - ontzetten, royeren, ontslaan
ognisko - open haard, haard, haardstede
ognisko domowe - piepen, knarsen
ognisko domowe - haardstede, schoorsteen, schouw
ognisko kowalskie - smeden
ogniskował - brandpunt, focus, haard
ogniwo - cachot, cel, kerker
ogniwo - monteren, zetten
ogniwo (np. łańcucha) - monteren, zetten
ogolić - afscheren
ogon - schaduwen
ogonach - rok
ogólnie - in het algemeen, doorgaans
ogólnokształcący - generaal
ogólnoświatowy - wereldwijd
ogólny - generaal
ogólny test klasyfikacyjny - algemeen, gemeenschappelijk
ogół - geheel
ogółem - alles wel beschouwd
ogórek - komkommer
ograniczać - begrensd, beperkt, eindig
ograniczać - beknotten, beperken, begrenzen
ograniczać - begrensd, eindig, beperkt
ograniczać - begrenzen, beperken, beknotten
ograniczać niosłości - beknotten, beperken, begrenzen
ograniczenie - beperken, begrenzen, beknotten
ograniczenie topologii - beperken, begrenzen, beknotten
ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych - hek, afsluiting, heining, barriere
ograniczony - zeeëngte, nauw, kanaal, straat
ograniczony - beperkt, begrensd, eindig
ograniczony wejściem-wyjściem - beperkt, begrensd, eindig
ograniczyć - perk, grens
ograniczyć - beperken, begrenzen, beknotten
ograniczyć spożycie (zużycie) - begrenzen, beperken, beknotten
ograniczył (się) - beperkt, begrensd, eindig
ogrodnictwo - tuinieren
ogrodnik - tuinman, tuinier, hovenier
ogrodzenie - kraal, omheind terrein
ogrodzenie - hek, afsluiting, heining, barriere
ogrodzenie - haag, heg, steg
ogrodzić - haag, heg, steg
ogrodzić (żywopłotem) - hek, afsluiting, heining, barriere
ogrodzone miejsce - kraal, omheind terrein
ogromny - royaal, ruim, breedvoerig, groot
ogromny - gigantisch, reusachtig
ogromny - buitengewoon
ogromny - enorm
ogromny - afgrijselijk
ogród - dierentuin
ogród - hof, tuin
ogród zoologiczny - hof, tuin
ogryza - knagen
ogryzać - knagen, knabbelen
ogryzek - kern, pit
ogrzać - warm
Ogrzewać - gloed, vuur
ogrzewanie - verwarming
ohyda - verschrikking, gruweldaad, gruwel
ohydny - afschuwelijk, afgrijselijk
ojca - pater, vaartje, papa, vader, ouder
ojciec - pater, vaartje, papa, vader, ouder
ojciec chrzestny - peetvader, naamgever, peter, peet
ojczym - stiefvader
ojczysty - ingeboren, aangeboren
ojczyzna - vaderland
ojczyźnie - vaderland
oka - kijker, oog
okablowanie - span
okaz - proef, monster, specimen, proefstuk
okaziciel - schede, foedraal, houder
okazja - incident, gebeurtenis, gebeuren
okazja - keer, maal
okazja - afdingen, pingelen, marchanderen
okazją - afdingen, pingelen, marchanderen
okazjonalny - toevallig, gelegenheids-
okazywać się - opdraven, opdagen
okienka - sponning, sleuf, gleuf
okienko - raam, venster
okiennica - luik
oklaskiwać - toejuichen, bij acclamatie benoemen
oklaskiwać - graagte, eetlust, hongerigheid, trek
oklaskiwać - toejuichen, bij acclamatie benoemen
oklaskiwał - toejuichen, bij acclamatie benoemen
oklepany - banaal, alledaags, afgezaagd
oklepany - afgezaagd
okład - comprimeren
okładce - mouw
okładka - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
okładziną - voering
okna - raam, venster
okno - raam, venster
okno dialogowe - bericht, boodschap
okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) - verzenden
okno panel pole - glaswaar, vensterruit, glaswerk
oko - kijker, oog
oko magiczne - kijker, oog
okok - eerstvolgend, aanstaand, komend
okok ca - eerstvolgend, aanstaand, komend
okolica - oppervlakte, oppervlak
okolica - oppervlakte, areaal, gebied
okolica - platteland, open veld
okolicą - platteland, open veld
okolicznik - bijwoordelijk
okolicznosciowy - toevallig, gelegenheids-
okoliczności - ongeluk, accident, ongeval
okolicznościowy - toevallig, gelegenheids-
okoliczność - omstandigheid
okoliczność - situatie, stand van zaken, stand
około - ongeveer, een stuk of, circa
około - circulerend, in omloop
okop - groef, kuil, groeve, greppel, gracht
okop - loopgraaf
okrada - stropen, buitmaken, roven, plunderen
okradać - sluipen
okradać kogoś - knoeien, zwendelen, frauderen
okraść - knoeien, zwendelen, frauderen
okrąg - kring, cirkel
okrągły - ronde
okres - wiegen
okres - fietsen, wielrijden
okres - term, vakterm
okres - periode, tijdvak
okres ważności klucza kryptograficznego - periode, tijdvak
okres wykonania - periode, tijdvak
okres życia - podium, bestuur, tribune, leiding
okres życia - term, vakterm
okresowy - krant
określać - specificeren
określenie - benaming, naamwoord, naam
określenie danych - prostituée, lichtekooi, hoer
określenie ilościowe - kut, vulva
określenie intymnej części kobiecego ciała - kut, vulva
określić - definiëren, omschrijven, bepalen
określić - determineren, nauwkeurig bepalen
określony - onherroepelijk, definitief
określony - specifiek, soortelijk
okręcie - pot, foedraal, bak, doos, etui, koker
okręg - district, arrondissement, gouw
okręgowy - streek-, gewestelijk, regionaal
okręt wojenny - pot, foedraal, bak, doos, etui, koker
okroić obcinać - afknotten
okropność - verschrikking, gruweldaad, gruwel
okropny - schrikaanjagend, ijselijk
okropny - afgrijselijk
okropny - afgrijselijk
okropny - schrikaanjagend, ijselijk
okruch - kruimel, broodkruimel
okrucieństwo - verschrikking, gruweldaad, gruwel
okruszyna - kruimel, broodkruimel
okrutny - wreed, barbaars, wreedaardig
okryć - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
okrywać - hullen, inwikkelen, omhullen
oktalny - octaal, achttallig
okucie - betamelijk, behoorlijk, fatsoenlijk
Okucie - smeden
okulary - bril
okulary - spektakel, kijkspel, schouwspel
okulawić - mank, kreupel, hinkend
okulista - oogarts
okultystyczny - occult
okultyzm - occult
okup - loskopen, vrijkopen, afkopen
okupacja - handwerk, beroep, ambacht
okupacja - beroep, broodwinning, bedrijf
okupacją - handwerk, beroep, ambacht
okupancie - aanwezige
okupant - aanwezige
okupować - bezetten, beslaan, bekleden
okupował - bezetten, beslaan, bekleden
olbrzym - reus
olbrzymi - gigantisch, enorm, geweldig
olbrzymi - reusachtig, gigantisch
olcha - elzeboom, els
olej - olie
olej rycynowy - olie
oleje i smary - stookmateriaal, brandstof
oliwa - olie
oliwą - olijf
oliwą - olie
oliwić - olie
oliwka - olijf
oliwny - olijf
olśnić (dosł. i w przen.) - verblinden, blind maken
ołów - de weg wijzen, geleiden, leiden
ołówek - potlood
ołtarz - altaar
om - ohm
omal - schier, bijkans, haast, bijna
omawiać warunki - handelen, handeldrijven, zaken doen
omdlenie - bezwijmen, bewusteloos raken
omen - teken, voorbode, voorteken
omija - mijden, uit de weg gaan, ontwijken
omit - missen, mislopen, misgrijpen
omlecie - struif, omelet
omlet - struif, omelet
omlet - struif, omelet
omnibus - autobus, bus
omówić - bespreken, discuteren
omówienie - recenseren, bespreken
omszały - mossig
omulti-set - tas, zak
omultiset - tas, zak
on - hij, hem
ona - haar, zij, ze
ondulacja - gebaren, wuiven, zwaaien
one - hen, ze, zij, hun
oni - hen, ze, zij, hun
oni sami - hen, ze, zij, hun
ono - het
opactwa - abdij
opactwo - abdij
opada - hangen
opadać - verval
opakowanie - inpakken, verpakken, pakken
opakowanie ochronne - kruisband, wikkel, banderol
opal - opaal
opalać się - tanen, leerlooien, looien
opalenie - aangebrand
opancerzenie - kuras, bepantsering, harnas, pantser
opar - haarkloven, bedillen
oparcia - schoor, steunbeer, beer
oparcie - stutten, steunen, schragen
opary - uitwasemen
oparzenie - aanbranden
oparzenie słoneczne - in kokend water doen
opaska - schare, troep, bende
opat - abt
opat tor - abt
opatrunek - zwachtel, verband
opatrunek - toebinden, afbinden
opatrzyć - een verband omleggen
opcja trasowania według nadawcy - keus, alternatief, keuze
opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną - keus, alternatief, keuze
opera - opera
operacja - bewerking, operatie, ingreep
operacja zmiennopozycyjna - bewerking, operatie, ingreep
operatora - kansel, leerstoel, katheder
operą - opera
operować - functioneren, het doen
opętać - beklemmen, obsederen
opętywać - bezitten, erop nahouden, rijk zijn
opieka - bescherming
opieka - acht, attentie, aandacht
opiekun - beschermheilige, beschermheer
opiekun klienta - chaperonne
opiekunka do dziecka - oppas
opierać - rest, overblijfsel, rommel, afval
opierać się - tegenspartelen, tegenstreven
opierać się - standhouden, bezwaar hebben tegen
opierać się o coś - belenden, grenzen aan
opieszały - nonchalant, nalatig, onachtzaam
opieszały wstęp - nalatig, onachtzaam, nonchalant
opinia - gedachte, mening, opinie, dunk, visie
opinia - judicium, sententie, uitspraak, vonnis
opis - tafereel, schildering, beschrijving
opis - recenseren, bespreken
opis techniczny - tafereel, schildering, beschrijving
opisać - verbeelden, uitbeelden, afbeelden
opisywać - beschrijven
opium - opium
opłacać - storten, uitbetalen, betalen, dokken
opłakiwać - rouwen
opłakiwał - rouwen
opłata - gesteld zijn, het maken
opłata (za przejazd) - port, frankering, porto
opłata jednostkowa - gesteld zijn, het maken
opływowy - gestroomlijnd
opodal - eerstvolgend, aanstaand, komend
opodatkować - belasten, aanslaan
opodatkowanie - belastingaanslag, aanslag
opona - pneumatiek, luchtband, band
oponent - tegenstander
oponent - tegenstander
oponować - mikpunt, onderwerp, object, ding
oporność - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
oportunista - opportunist, meeloper
opowiadanie - vertelsel, verhaal, relaas, vertelling
opowiadanie - vertelsel, verhaal, relaas, vertelling
opowiadanie - etage, verdieping
opowiadanie) - betrekking, omgang, verband
opowieść - vertelsel, verhaal, relaas, vertelling
opozycja - tegenstand, oppositie
opór - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
opór magnetyczny - trekken
opór sprzężenia zwrotnego - tegenweer, tegenkanting, tegenstand
opóźniać się z czymś - vertraging
opóźnić - achterlijk
opóźnić - vertraging
opóźnienie - vertraging
opóźnienie propagacji - vertraging
opóźniony zapis - achterover
opóźniony zapis - achterwaarts, achteruit, rugwaarts
opracowywać - compileren, samenstellen
oprawa - monteren, zetten
oprawa okularów - montage, zetting
oprawą - in een lijst zetten, inlijsten, vatten
oprawcą - slachten, afslachten
oprawia - inbinden, binden
oprawiający - strip, reep, band, strook, windsel
oprawka - schede, foedraal, houder
oprawka - velg
oprawka - houder, schede, foedraal
oprogramowanie) -
oprócz - zich aanstellen, zich voordoen
oprócz - uitzonderen
oprócz - maar, doch
oprócz - overigens, trouwens
oprócz - aan, nabij, bij, dichtbij, naast
opróżniać adj pusty - hol, ledig, lens, loos, leeg
opróżnić - hol, ledig, lens, loos, leeg
opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) - Vlissingen
opryszek - gangster
oprzeć - baseren, grondvesten, funderen
oprzejmy - bereidwillig, bereidvaardig
oprzęd - cocon
oprzytomnieć - bezinning, besef, bewustzijn
optyczny wskaźnik działania - daglicht
optyk - opticien
optymista - optimist
optymistyczny - optimistisch
optymizm - optimisme
opublikować - uitgeven, emitteren
opuchlina - pof, poef
opuszczać - uittreden, aftreden, bedanken
opuszczać - achterwege laten, weglaten
opuszczać - linker-, links
opuszczać - op reis gaan, afreizen
opuszczać - in de steek laten, laten varen
opuszczać (się) - naar beneden gaan, afdalen
opuszczenie - concessie, cessie, afstand, toegeving
opuszczenie - zonder vrienden
opuszczony - weggelaten
opuszczony - onpeilbaar, ondoorgrondelijk
opuszczony - gemeen, immoreel, onzedelijk
opuścić - prijsgeven, afleggen, opgeven
opuścić - een miskraam krijgen, mislukken
opuścić - afrit, uitgang, uitweg
opuścić - op reis gaan, afreizen
opuść (się) - troosteloos, somber, naargeestig
orać - omploegen, ploegen, beploegen
orać - geldkist, kas, fonds
oranż - Oranje
oranż - oranje
orator - redenaar
orbicie - oogkas, baan
orbita - oogkas, baan
orbita okołoiziemska - oogkas, baan
orbitować - oogkas, baan
orchidea - orchidee
ordynarny - hardhandig, lomp, onkies, grof, ruw
orędownik - apostel, voorvechter
orędownik - pleitbezorger, advocaat, verdediger
orędzie - bericht, boodschap
organ - orgaan
organ ds. rejestracji użytkowników - orgaan
organiczny - organiek, organisch
organizacja - organisatie
organizacja firma - organisatie
organizacja i zarządzanie - administratiekantoor
organizacją - organisatie
organizm - systeem, stelsel, bestel
organizm - organisme
organizować - uitschrijven, regelen, organiseren
organizował - uitschrijven, regelen, organiseren
organy - orgaan
orgia - muiterij, onlusten, opstand
orgia - orgie, zwelgpartij, drinkgelag
orgią - orgie, zwelgpartij, drinkgelag
orientacja w przestrzeni - houding
orientalny - oosters, oostelijk
orkiestra - band, orkest, muziekkorps
orkiestra smyczkowa - band, orkest, muziekkorps
orkiestrować - orkestreren
ornacie - planeet, zwerfster
ornament - versieren
ornamentacja - versieren
orszak pogrzebowy - gastheer
ortodoksyjny - orthodox, rechtzinnig
ortografia - orthografie, spelling, schrijfwijze
oryginalnie - oorspronkelijk, van oorsprong
oryginalny - oorspronkelijk, origineel
oryginalny - typisch, curieus, vreemd
oryginał - oorspronkelijk, origineel
orzech - walnoot, okkernoot
orzech - moer
orzech alskowy - kokosnoot, klappernoot, klapper
orzech kokosowy - klapper, klappernoot, kokosnoot
orzech laskowy - hazelnoot
orzech nerkowca - walnoot, okkernoot
orzech orzech - walnoot, okkernoot
orzech włoski - pinda, apenoot, aardnoot
orzech ziemny - moer
orzeł - adelaar, arend
orzeł czy reszka? - adelaar, arend
orzeszek ziemny - pinda, apenoot, aardnoot
orzeźwiający - verfrissend
orzeźwiający - levendig, druk, rap, kras, kwiek
osa - wesp
Osada - akkoord, accoord, overeenstemming
osadzić - monteren, zetten
osą - wesp
osądzać - beoordelen, oordelen, berechten
oscylacja dwustanowa - geschommel, schommeling
oscylator - oscillator
oscyloskop - oscillograaf
oscyloskop elektroniczny - oscillograaf
oscylować - slingeren, oscilleren, schommelen
osdzczędny - economisch
osiadanie na mieliźnie - aarding, aardleiding
osiąga - behalen, bereiken, inhalen
osiągać - behalen, bereiken, inhalen
osiągać - bereiken, inhalen, behalen
osiągalny - verkrijgbaar
osiągalny - aanspreekbaar
osiągnąć - behalen, bereiken, inhalen
osiągnąć - buit maken, verkrijgen, behalen
osiągnąć - bereiken, inhalen, behalen
osiągnąć szczyt - behalen, bereiken, inhalen
osiedle - akkoord, accoord, overeenstemming
osiedlić - afhandelen, afdoen
osiem - acht
osiemdziesiąt - tachtig
osiemdziesiątka - tachtig
osiemnasta część - achttiende
osiemnastka - achttien
osiemnasty - achttiende
osiemnaście - achttien
osierocić - ouderloos
osika - ratelpopulier, esp
osikowy - ratelpopulier, esp
osioł - afgodsbeeld
osioł - ezel
osioł - ezel
oskard - knabbelen, afkluiven
oskarżać - beklaagde, beschuldigde, aangeklaagde
oskarżać - beschuldigen, betichten, aanklagen
oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) - beschuldigen, betichten, aanklagen
oskarżać (kogoś o coś) - beschuldigen, betichten, aanklagen
oskarżenie - beschuldiging, aanklacht
oskarżony - beklaagde, beschuldigde, aangeklaagde
oskarżyciel - aanklager, beschuldiger
oskarżyć przed sądem - een proces aanspannen tegen
Oslo - Oslo
oslona - schild, bordje, uithangbord, bord
osłabiać - aanlengen
osłabiać - aanlengen
osłabiać - verdunnen, verzwakken
osłabiać - bedaren, bekoelen, luwen
osłabić - aanlengen
osłabnąć - bedaren, bekoelen, luwen
osłaniać - schild, bordje, uithangbord, bord
osłodzić - suiker
osłona - bescherming
osłona - overjas, jas
osłona - jasje, colbert, buis
osłona - huik, capuchon, mantelkap, kap
osłona - boezelaar, sloof, schort, voorschoot
osłona - kruisband, wikkel, banderol
osłona przeciwsłoneczna - huik, capuchon, mantelkap, kap
osłona TCP - jasje, colbert, buis
osłoną - dekken, beleggen, toedekken, bedekken
osłoną - schild, bordje, uithangbord, bord
osłonić przed wiatrem - toevluchtsoord, asiel, asyl
osnowa tkaniny - kader, omlijsting, lijst, raam
osoba - personage, persoon
osoba dająca ogłoszenie (np. do gazety) - adverteerder, verkondiger
osoba pilnująca dziecka - oppas
osoba postępująca w sposób humanitarny - menselijk, humaan
osoba towarzysząca - begeleiding, accompagnement
osoba używana do przemycania narkotyków - muiltje, slof, muil
osobistość - aard, karakter, geaardheid
osobisty - gek, raar, vreemd, eigenaardig
osobisty - persoonlijk
osobisty numer identyfikacyjny - persoonlijk
osobisty numer identyfikacyjny - kegel
osobiście - uzelf, jijzelf
osobliwy - typisch, curieus, vreemd
osobliwy - gek, raar, vreemd, eigenaardig
osobliwy - afzonderlijk, afgezonderd
osobnik niosący trumnę - hoofdelijk, individueel
osobno - afgezonderd, afzonderlijk
osobny - geisoleerd, alleenstaand
osobowość - aard, karakter, geaardheid
osobowy - persoonlijk
osolić - zouten
osowiały - bromfiets
ospa - pokken
ospałość - doffe onverschilligheid, lethargie
ospały - druilerig, slaperig
ostatecznie - eindelijk, ten slotte, per saldo
ostatecznie - eindelijk, ten slotte, per saldo
ostateczny - gebeurlijk, eventueel
ostateczny termin - uiterst, extreem, ergst, bovenmatig
ostatni - voorgaand, verleden, voorafgaand
ostatni - finaal, uiteindelijk
ostatni na wejściu?pierwszy na wyjściu - voorgaand, verleden, voorafgaand
ostatnie (wiadomości) - vergevorderd, laat
ostatnio - recentelijk, de laatste tijd
ostatnio - onlangs, kort geleden
ostemplować - muntstempel
ostoi - drager, stut, leuning, steun
ostrodze - de sporen geven, prikkelen
ostroga - de sporen geven, prikkelen
ostrokrzew - hulst
ostrość - guurheid, schelheid, felheid
ostrość. szorstkość - hardvochtigheid, hardheid
ostrożnie - zachtjes, voorzichtig
ostrożność - zich bekommeren, bezorgd zijn, zorgen
ostrożność - waarschuwen
ostrożny - safe, geborgen, behouden, veilig
ostrożny - verstandig
ostrożny - behoedzaam, voorzichtig
ostrożny - zich bekommeren, bezorgd zijn, zorgen
ostry - sluw
ostry - bijtend, fel, guur, doordringend
ostry - bar, hard, streng, duchtig, straf
ostry - kras, levendig, rap, kwiek, druk
ostry - beestachtig, bruut, ruw, dierlijk
ostry - scherp, acuut, helder, voorbijgaand
ostry (ból) - steek
ostry (np. nóż) - bijtend, fel, guur, doordringend
ostry ból - scherp, acuut, helder, voorbijgaand
ostry nabój - puntig, spits
ostrydze - oester
ostryga - oester
ostrz - aanzetten, scherpen, slijpen
ostrze - wal, kant, kust, boord, oever
ostrze - kling, lemmer, lemmet
ostrze noża - kling, lemmer, lemmet
ostrzega - waarschuwen
ostrzegać - waarschuwen
ostrzeżenia - waarschuwing, tip
ostrzeżenie - waarschuwing, tip
ostrzeżenie - affiche, aanplakbiljet, plakkaat
ostrzeżenie - waarschuwen
ostrzeżenie o otwarciu obudowy - waarschuwing, tip
ostrzeżenie o poziomie tuszu - waarschuwen
ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora - waarschuwen
ostrzeżenie o rozładowaniu baterii - waarschuwen
ostrzyc - knippen, scheren, snoeien
ostrzyc - maaien
ostrzyć - wal, kant, kust, boord, oever
ostrzyć - aanzetten, scherpen, slijpen
ostudzić - afkoelen
osuwiska - aardverschuiving
oswajać - temmen, dresseren, africhten
oswoi (się) - temmen, dresseren, africhten
oswoi się - temmen, dresseren, africhten
oswoić - huis-
oswoić - temmen, dresseren, africhten
oswojony - temmen, dresseren, africhten
oszacować - schatten, taxeren, waarderen, begroten
oszacować - appreciëren, waarderen
oszacowanie - belastingaanslag, aanslag
oszacowanie - schatten, begroten, waarderen, taxeren
oszaleć - bestseller, furore
oszałamiający - duizelig
oszczerstwa - roddelen, kwaadspreken, belasteren
oszczerstwo - roddelen, kwaadspreken, belasteren
oszczędność - economie, spaarzaamheid
oszczędny - spaarzaam
oszczędny - economisch
oszczędzać - redden, bergen, behouden
oszołomiony - duizelig
oszpecać - Mars
oszukać - schurkachtig handelen
oszukać - knoeien, zwendelen, frauderen
oszukiwać - aanwensel, hebbelijkheid
oszukiwać - zwendelen, frauderen, knoeien
oszukiwać - misleiden, bedriegen
oszukiwać - schurkachtig handelen
oszukiwał - misleiden, bedriegen
oszust - haai
oszust - jongleur
oszust - charlatan, kwakzalver, bedrieger
oszustwo - schurkachtig handelen
oszustwo - jongleur
oszustwo telefoniczne - zwendelen, frauderen, knoeien
oszyc - borduren
oś - staf
oś - as, spil
oś - spil, as
oś - prieel
oś (koła) - as, spil
oś (obrotu) - roteren, draaien
ośka - as, spil
oślepia - verblinden, blind maken
oślepiać - verblinden, blind maken
oślepić - blind
ośmielać - aanvuren, aanwakkeren, aansporen
ośmielać się - zich vermetelen, wagen
ośmielić się - claimen, aanspraak maken op
ośmiobok - achthoek
ośmiokąt - achthoek
ośmiokątny - achthoekig
ośmiokrotnie - achtvoudig
ośmiokrotny - achtvoudig
ośmiornica - octopus
ośmiornicą - octopus
ośrodek - middelpunt, binnenste, centrum
ośrodek - ligging
ośrodek zdalny - graad, stand, status, rang
oświadczać się - uitloven, bieden, aanbieden
oświadczać się - uitspreken
oświadczenie - spil, as
oświadczenie - declaratie, aangifte, uitspraak
oświadczyć - declareren
oświadczyć (się) - uitloven, bieden, aanbieden
oświadczyny - declaratie, verklaring
oświadzenie - declaratie, aangifte, uitspraak
oświeca - illumineren, verlichten
oświecać - illumineren, verlichten
oświecać - illumineren, verlichten
oświetlać - illumineren, verlichten
otaczać - omringen, omgeven, insluiten
otaczać murem - muur, wand
otarcie (skóry) - afschaving
otarcie skóry - gal, plantengal, galnoot
otchłań - kolk, diepte
otchłań - kolk, afgrond
otchłań - afgrond, kolk
oto - ginds, aldaar, daar, er, daarginds
otoczenie - milieu, medium, omgeving
otoczenie - omgeving, omstreken
otoczenie sieciowe - omgeving, omstreken
otoczka - scheepsromp, bodem, romp, casco
otoczyć - omsluiten
otoczyć - omringen, omgeven, insluiten
otomana - Turkse staatsraad, divan, rustbank
otóż - goed, nu goed
otruć - vergiftigen, vergallen, vergeven
otrzeć (odparzyć) skórę - gal, plantengal, galnoot
otrzeć (skórę) - schaven, afschaven
otrzymać - verkrijgen, buit maken
otrzymać - aanvaarden, aannemen, accepteren
otucha - lef, moed, dapperheid, durf
otwarcie - ronduit, open en bloot, rondweg
otwarcie - mond, opening, gat
otwartość - openheid
otwarty interfejs przygotowywania do druku - openmaken, opendoen, openen
otwieracz do konserw - opener, blikopener
otwierać - openmaken, opendoen, openen
otwierać (z klucza) - ontsluiten
otworzyć (spadochron) - loslaten, uitlaten, tappen, lossen
otwór - mond, gat, opening
otwór - mond, opening, gat
otwór (np. do wrzucania monet) - sponning, sleuf, gleuf
otwór do wrzucania monet - mond, gat, opening
otwór poczty (mechanizm komunikacji - sponning, sleuf, gleuf
otwór wentylacyjny - mond, gat, opening
otwór wiertniczy - fjord
otwór wiertniczy - sponning, sleuf, gleuf
otwór zabezpieczenia zapisu (w - mond, gat, opening
otyły - lijvig, dik
otyły - dik, lijvig
owad - insekt
owal - eirond, ovaal
owalny - eirond, ovaal
owca - schaap
owi - dat, datgene, zulks
owies - haver
owijać - hullen, inwikkelen, omhullen
owłosienie - haardos, haar
owłosiony - harig, ruigharig, ruig
owoc - vrucht
owoce - vrucht
owocny - vruchtbaar
owocowy - vrucht
owocujący - vruchtbaar
owrzodzenia - zweer
ozdabia - verfraaien, opwerken, flatteren
ozdabia - versieren
ozdabiać - versieren
ozdabiał - opgesmukt
ozdabianie - afzetten, beslaan, garneren
ozdoba - versieren
ozdoba - sieraad, decoratie, tooisel
oziębły - koud
oznace - voorbode, voorteken, teken
oznacza - beduiden, betekenen
oznacza - middel, werktuig
oznacza - gemiddeld
oznaczać - spellen
oznaczający - doel, plan, bedoeling, strekking
oznaczyć - merken, tekenen
oznajmiać - adviseren, aankondigen, bekendmaken
oznajmić - intiem, gezellig, innig, knus
oznajmić - aandienen, aankondigen, adverteren
oznajmujący - indicatief, aantonende wijs
oznaka - merken, tekenen
oznaka - muntstempel
oznaka - adstructie, teken, bewijs
ozon - ozon
ozór - tong
ożenić się - in de echt verbinden, trouwen
ożywiać - bezielen, verlevendigen
ożywienie - actie, gedoe, optreden, handeling
ożywiony - bezielen, verlevendigen
Ogólna liczba słów na literę O :: 1461 ::
Hilux z mocnym sercem - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/1/7086/z7086891M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Dobrze radzi sobie w terenie, nieźle wygląda, ale przez długi czas konkurencja mocnymi silnikami rozkładała go na łopatki. Pod maskę Hiluxa trafił wreszcie długo oczekiwany trzylitrowy Diesel. Czy teraz Toyota przegoni konkurencję?
VW Golf TSI - test wideo
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/7/6829/z6829047M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Kilka lat temu w Golfach królowały diesle, dziś detronizuje je najbardziej zawansowany silnik benzynowy Volkswagena. Pojemność 1,4, moc 160 KM i 240 Nm momentu. Jak to działa? Zobaczcie sami
Camper? A co to takiego
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6834/z6834239M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Blisko 13 m kw., a na nich: cztery łóżka, łazienka, jadalnia, kuchnia i salon. Jak to możliwe? Wystarczy trochę pomysłowości, kilka sklejek, kilogramy silikonu i platforma Fiata Ducato. Tak przygotowanym M1 na kołach postanowiliśmy podbić Peloponez - największy i najciekawszy grecki półwysep
Fiat 500 vs. Ford Ka - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/6757/z6757533M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Z fabryki w Tychach wyjeżdżają dwa cacka, jedno ładniejsze od drugiego. Są bliźniakami, ale łączy je tylko uroda
Losowy
bstipatie constipatie, verstopping, - obstrukcja (id:9880)
ardverschuiving - ziemi się obsunięcie (id:9881)
ebied areaal, oppervlakte, - obszar (id:9882)
rondgebied gebied, ban, territoir, - obszar (id:9883)
lek buurtschap, gehucht, - obrazu definiowania obs (id:9884)
ampplaats piste, krijt, arena, - oddziaływania obs (id:9885)
ansluiten aaneensluiten, zich - taśmy zapisu obsza (id:9886)
ardgordel zone, klimaatzone, - (magnetycznej) taśm (id:9887)
ebied areaal, oppervlakte, - sumować zbiorczy obsz (id:9888)
eelomvattend omvangrijk, uitgebreid, - obszerny (id:9889)
eelomvattend lijvig, - obszerny (id:9890)
eelomvattend omvangrijk, uitgebreid, - obszerny (id:9891)
oyaal groot, ruim, breedvoerig, - obszerny (id:9892)
ing aangelegenheid, zaak, affaire, - obudowa (id:9893)
akken verpakken, inpakken, - obudowa (id:9894)
oppen indopen, indompelen, - płaska obudowa (id:9895)
jazdy lublin
Róźany obłok - Miciński Tadeusz
peugeot uźywane
fryzury
środki unijne
Statystyki
Zwrotów: 21955
Losowy rekord:
emmet lemmer, kling, - wirnika łopatka (id:7621)
franselen kletteren, afdrogen, - łoskot (id:7622)
alm - łosoś (id:7623)
land - łoś (id:7624)
land - amerykański łoś (id:7625)
ets - łotewski (id:7626)
oeder ploert, schoelje, rotzak, - łotr (id:7627)
etland - Łotwa (id:7628)
ets - Łotysz (id:7629)
angaan aanflitsen, aanfloepen, - łowić (id:7630)
oek - wędkę na łowić (id:7631)
issen - ryby łowić (id:7632)
News
Camper? A co to takiego
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6834/z6834239M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Blisko 13 m kw., a na nich: cztery łóżka, łazienka, jadalnia, kuchnia i salon. Jak to możliwe? Wystarczy trochę pomysłowości, kilka sklejek, kilogramy silikonu i platforma Fiata Ducato. Tak przygotowanym M1 na kołach postanowiliśmy podbić Peloponez - największy i najciekawszy grecki półwysep
Fiat 500 vs. Ford Ka - test
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/3/6757/z6757533M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Z fabryki w Tychach wyjeżdżają dwa cacka, jedno ładniejsze od drugiego. Są bliźniakami, ale łączy je tylko uroda
Władcy miasta
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/8/6787/z6787528M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Są mali, ale zadziorni. Niepozorni, ale szybcy i zwinni. Mało kto im podskoczy, gdy biorą we władanie ulice i bulwary
Toyota iQ - miejska inteligencja
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/1/6729/z6729971M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Jest niemal tak mała, jak Smart, ale mieści aż cztery osoby
Chevrolet Cruze - pierwsza jazda
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/9/6753/z6753379M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Koreańska produkcja, amerykańska jakość, europejski styl - taki jest Chevrolet Cruze. Po trosze wszystkiego, czyli globalny samochód Chevroleta. Czy zawojuje świat?
Opel Insignia EcoFlex - pierwsza jazda
<img src='http://bi.gazeta.pl/im/2/6738/z6738432M.jpg' align='left' hspace='4' vspace='2'>Insignia to komfortowy rodzinny sedan. Na tyle nowoczesny i dobrze zbudowany, że w ciągu kilku pierwszych miesięcy kupiło go 120 tys. klientów. Czy na ekologiczną i droższą zaledwie o 2200 zł odmianę auta znajdzie się też tylu chętnych?